LiturgieVeertigdagentijd

De maaltijd

In het maartnummer van Woord & Dienst. Opiniërend magazine voor protestants Nederland staat onderstaand artikel van Maarten Wisse.

Samen eten is veelzijdig. Het kan betekenen: gezellig bij elkaar kruipen en er een heerlijk relaxte avond van maken. Maar ook: tot in je tenen gespannen zijn omdat je zo dicht bij elkaar bent en je de situatie nog moet aftasten om je veilig te gaan voelen.

Als mensen gaan eten en ze zijn nog vreemd voor elkaar, ziet de oplettende waarnemer van alles gebeuren. Een plekje zoeken, daar begint het al mee. Naast wie ga ik zitten? Ken ik die? Is het een zij of een hij? Als het een belangrijk diner is, wordt het allemaal nog gevoeliger. Hoe zie ik eruit? Zit mijn haar wel goed? Zit ik niet te smakken? Wat als ik die kreeft niet fatsoenlijk in mijn mond krijg? Wat zal zij of hij wel niet van me denken?

Spanning
Avondmaal vieren is, tot op zekere hoogte, eten. Eten met de opgestane Heer. Dat eten met de opgestane Heer voltrekt zich vanuit onze menselijke natuur als vanzelfsprekend binnen een spanningsveld. Het is een spanningsveld dat Rudolf Otto omschreef als ‘tremendum et fascinans’. Het fascineert je en dat is nog veel te zacht uitgedrukt. Het brengt je op een onbeschrijflijke manier thuis, op een veilige plek zoals er op deze wereld geen andere te vinden is. Dat de Heer, de Allerhoogste, Schepper van hemel en aarde, mens wilde worden en nu met ons te doen wil hebben, zichzelf aan ons te eten en te drinken geeft, groter heil is haast niet denkbaar. Maar juist daarom is het ook tremendum: iets wat je de rillingen over je rug bezorgt, iets wat je doet aarzelen. Heb ik de juiste kleren aan?

Natuurlijk, juist omdat de Heer onzichtbaar, alwetend en alomtegenwoordig is, zijn de vragen anders. Wie ben ik? Ben ik de afgelopen tijd vaak genoeg naar de kerk geweest? Heb ik niet teveel ruzie gemaakt in het gezin? Of gewoon onbenoembaar; weerstand, hoewel je eigenlijk niet eens precies weet waarom.

Twee dogma’s
In de breedte van de kerk zijn er twee ‘dogma’s’ als het gaat om avondmaal. Het eerste dogma is: het is voor iedereen! Voor iedereen betekent: voor volwassenen en kinderen, belijdende leden en doopleden, leden van welke kerk dan ook. Het tweede dogma is: als goed gelovige hoor je ‘ aan te gaan’. God toont ons in de Maaltijd van de Heer immers zijn grote liefde voor ons. Die liefde is onvoorwaardelijk. Je mag komen zoals je bent. Alle zorgen over de vraag of we wel goed genoeg zijn, zijn allemaal vergissingen die voortkomen uit een verkeerd godsbeeld. Dat beeld vind je alleen in de veel te zware hoek, in een vleugel van de kerk die ten principale de liefde van God niet goed heeft begrepen. Dat er in de breedte van de kerk wel degelijk sprake is van aanzienlijke avondmaalsmijding wordt niet ter sprake gebracht of ronduit ontkend. In de diensten zie je het ook niet, tenminste niet aan het aantal mensen dat blijft zitten. Dat de kerk aanzienlijk leger is dan normaal, wijten we gemakshalve aan de gedachte dat de dienst te lang zou zijn.

Protestgeneratie
Als we de twee dogma’s tegen het licht houden van de eerder genoemde spanning, is het niet moeilijk te zien dat de breedte van de kerk probeert het tremendum uit de avondmaalsbeleving te schrappen. Dat is ook niet onbegrijpelijk. Veel mensen in dit deel van de kerk hebben een verleden in een meer behoudende gemeente en hebben zich met meer of minder moeite losgemaakt van het strenge godsbeeld waarmee ze zijn opgegroeid. Niet zelden willen ze er daarom niets meer van weten.
Maar we kunnen nog een stap verder gaan. Het overschrijden van zoveel mogelijk grenzen in de omgang met God, past heel goed bij een bepaalde tijd – bij de tweede helft van de twintigste eeuw. De generatie die het avondmaal graag helemaal open houdt, is ook de generatie van de jaren 60, de generatie van na de oorlog. Zo bezien is er een verband tussen topless zonnen, vrije seks en de volledige openstelling van het avondmaal. Het gaat steeds om een grote behoefte om grenzen te doorbreken. Topless zonnen neemt in onze samenleving af, jongeren worden aantoonbaar preutser, misschien is het ook tijd om opnieuw na te denken over de grenzen van de openstelling van het avondmaal.

Meebewegen
Ik pleit niet voor een terugkeer naar vroeger. Ik pleit voor het in balans brengen van de avondmaalsviering met het tremendum et fascinans van Otto. Je kunt niet zonder rigoureus betekenisverlies het tremendum uit de avondmaalsviering schrappen. Het effect daarvan is duidelijk: het tremendum is menselijk, dus het zal moeiteloos voortleven onder de mensen die dan maar niet naar de avondmaalsviering komen. De kunst is niet om het tremendum te schrappen, maar om in pastoraat en theologie te leren met het tremendum mee te bewegen in plaats van eroverheen te springen.

Een manier waarop de christelijke gemeente er vanouds mee is omgegaan, is door het een plek te geven op een ‘weg’. Bij de koning dineren gaat ook gepaard met een kennismaking. Dat gaat net zo goed zo in het geloof. De diepste geheimen moet je niet al na vijf minuten met elkaar delen; dat werkt niet.

Toegangsroutes
Die inbedding in een toegangsroute is er op twee manieren. In het lang is die er in de vorm van catechese, doop en dan avondmaal. Je leert er iets over, je wordt door de doop ingewijd in de geheimen van het christelijk geloof en pas dan ben je klaar voor het grootste geheim: het avondmaal. Negatief gezien is die route een kwestie van inperken en afgrenzen, maar positief gezien is het een kwestie van er klaar voor raken, je erop voorbereiden. En omdat je weet goed voorbereid te zijn, kun je daarmee ook het gevoel hebben dat het kan, dat het zo goed is.
In het kort is die route er in elke kerkdienst. Je begint niet met avondmaal, maar je eindigt ermee. Eerst drempelgebed, om je aarzelingen te uiten, dan Kyrie, om schuldbelijdenis te doen, dan Gloria, om de lof van God te bezingen, schriftlezing en verkondiging, om je geloof te verdiepen, geloofsbelijdenis, om op de hoogte van het geloof te komen, collecte, om je gaven met elkaar te delen, en pas dan het avondmaalsgebed en de viering. Het past bij het grootste geheim dat je er eerst ruimte voor maakt. Dan durf je het ook beter aan.
En als er dan zussen of broers in de Heer zijn die het ondanks al die voorbereiding niet redden, dan zij dat zo. Die vang je dan samen in liefde op in plaats van er snel nog even een overdosis evangelie overheen te gooien. Die spreek je niet direct aan op fout gedrag, maar je leeft in respect met ze mee en je wacht op een goede gelegenheid om het er met ze over te hebben. Ze weten immers al zo vreselijk goed hoe het zit. Ze hebben kennelijk goede redenen om zelfs dan nog van deelname af te zien.

 

Dr. Maarten Wisse is universitair docent aan de Vrije Universiteit en docent aan de Eberhard-Karls-Universiteit in Tübingen.

 

 

Proefabonnement Woord & Dienst