Kerkelijk jaar

De lofzang van Maria – door Dietrich Bonhoeffer

Een thematisch dagboekEen tekst voor kerst uit Een thematisch dagboek van Dietrich Bonhoeffer. De teksten uit dit dagboek zijn gekozen door Bonhoeffer-kenner prof. dr. Gerard Dekker.

Dietrich Bonhoeffer naar aanleiding van de lofzang van Maria:

Dit lied van Maria is het oudste adventslied. Het is tegelijk het meest hartstochtelijke, wilde, ja, men mag wel zeggen het meest revolutionaire adventslied dat ooit gezongen is. Dit is niet de zachte, tedere, dromerige Maria, zoals we haar vaak op afbeeldingen uitgebeeld zien, maar het is de hartstochtelijke, gefascineerde, trotse, geestdriftige Maria die hier spreekt.

Niets van de zoete, weemoedige of zelfs luchtige klanken van
veel van onze kerstliederen, maar een hard, sterk, onverbiddelijk
lied van neerstortende tronen en vernederde vorsten van deze
wereld, van Gods macht en de onmacht van de mensen. Het
zijn de geluiden van de profetische vrouwen uit het Oude Testament,
Debora, Judit, Mirjam, die hier in de mond van Maria
levend worden.

Maria, die door de Geest aangeraakt en gegrepen is, Maria,
die gehoorzaam en ootmoedig aan zich laat geschieden wat de
Geest haar gebiedt, die de Geest waaien laat waarheen hij wil,
zij spreekt vanuit deze Geest over het komen van God in de wereld,
van de advent van Jezus Christus.

Zij ervaart het zelf aan haar eigen lichaam dat God wonderlijke
wegen met de mensen gaat, dat hij niet de weg gaat die de
mensen hem willen voorschrijven, maar dat zijn weg boven alle
begrip en boven alle bewijzen vrij en eigenwillig is.

Dat is immers het grootste van alle wonderen, dat God het nederige
liefheeft. ‘God heeft omgezien naar de lage staat van zijn
dienstmaagd.’ God in nederigheid – dat is het revolutionaire,
het hartstochtelijke adventswoord.

God schaamt zich niet voor de nederigheid van de mens, hij
gaat er middenin, hij kiest een mens tot zijn werktuig en doet
zijn wonder daar waar men dat het minst verwacht. God is de
nederigheid nabij, hij houdt van het verlorene, het ongeachte,
het onaanzienlijke, het uitgestotene, van wat zwak en stukgelopen
is. Waar de mensen zeggen: verloren, daar zegt hij: gevonden.
Waar de mensen zeggen: ‘veroordeeld’, daar zegt hij: ‘gered’.
Waar de mensen zeggen: nee!, daar zegt hij: ja!

‘Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen.’ Wat
betekent dat, Maria, de nederige dienstmaagd, gelukkig prijzen?
Het kan niets anders betekenen dan het wonder van God dat
zich aan haar voltrok verbaasd aanbidden, in haar zien dat God
het nederige aanziet en verhoogt, dat Gods komen in deze wereld
niet de hoogten maar de diepten opzoekt, dat wij Gods heerlijkheid
en almacht daarin zien, dat hij het geringe groot maakt.
Maria gelukkig prijzen betekent niet altaren voor haar bouwen,
maar het betekent met haar de God aanbidden die het nederige
aanziet en het uitverkiest.

Wanneer God zelf in de kribbe van Betlehem komen wil, dan
is dat niet een idyllische familie-aangelegenheid, maar het is het
begin van een volledige omkering, een herschikking van alles op
deze aarde. Met hem die naar deze kribbe wil gaan gebeurt iets,
die kan er alleen veroordeeld of verlost vandaan gaan.
Wat betekent dat? Is dit alles niet een bij-wijze-van-spreken,
een pastorale overdrijving van een mooie vrome legende? Wie
het als frase wil opvatten, die doe dat en viere advent en Kerst,
zo heidens en ongeïnteresseerd als voorheen.

Maar voor ons is het geen frase. Want het is immers zo dat
het God zelf is, de Heer en Schepper van alle dingen, die hier
zo gering werd, die de verborgenheid, de onaanzienlijkheid van
de wereld ingaat, die ons in de hulpeloosheid en weerloosheid
van het kind wil ontmoeten en onder ons wil zijn – en dat niet
uit beuzelarij, of uit speelsheid, omdat wij het zo ontroerend vinden,
maar om ons te tonen waar hij is en wie hij is, en om vanuit
deze plaats alle menselijke grootheidswaan te richten en te
onttronen.

Wie van ons zal Kerst op de goede manier vieren? Degene
die alle geweld, alle eer, alle aanzien, alle ijdelheid, alle hoogmoed
en alle eigenwilligheid eindelijk bij de kribbe neerlegt, die
het bij het nederige houdt en God alleen hoogverheven laat zijn,
die met Maria spreekt: de Heer heeft mijn nederigheid aangezien.

Uit: Een thematisch dagboek van Dietrich Bonhoeffer. De teksten zijn samengesteld door Bonhoeffer-kenner prof. dr. Gerard Dekker.