Geen categorieOverige

De kwetsbare theologie van J.H. Gunning Jr. – door dr. Wessel ten Boom

J.H. Gunning jr.Vrijdag 12 oktober werd het eerste deel gepresenteerd van het Verzameld Werk van Johannes Hermanus Gunning (1829-1905). Samen met de wat oudere D. Chantepie de la Saussaye (1818-1874) zou hij het startsein geven voor een nieuwe richting binnen de 19e eeuwse theologie, de zgn. ethische theologie. Met name binnen de Hervormde Kerk heeft deze richting lange tijd doorgewerkt – en vreemd genoeg lijkt zij vandaag de dag weer eerder aan actualiteit te winnen dan te verliezen, zo wordt al gauw duidelijk uit het nu verschenen deel.

Gunning studeerde theologie in Utrecht, was predikant in Blauwkapel, Hilversum en Den Haag, en vervolgens hoogleraar in Amsterdam (1882) en Leiden (1889). De laatste jaren van zijn leven bracht hij in Arnhem door, waar zijn graf nog te vinden is op Moscowa. In 1995 verscheen van de hand van A. de Lange het eerste deel van zijn biografie met als ondertitel: ‘Een leven in zelfverloochening’. Zelfverloochening is inderdaad een begrip dat er in Gunnings denken uit springt (en ook leven – Gunning had een sterk ascetische trek). Maar uit de nu gebundelde artikelen vallen ook andere zaken op, die dit begrip zelfverloochening pas zijn volle inhoud geven. Ik denk aan het begrip van het ‘midden’, als dé positie waar Gunning zich steeds in thuis lijkt te voelen, en aan de grote pretentie waarmee hij vanuit dit midden theologiseert. Niet zelden wekt hij de indruk zijn opponenten links en rechts beter te begrijpen dan zij zichzelf verstaan… Maar groots is Gunning daarin dat deze aspecten bij hem een theologische eenheid vormen waardoor hij telkens tot een origineel en samenhangend gezichtspunt komt dat een nieuw licht werpt op de zaak en zo een spade dieper steekt. We ontmoeten in deze geschriften dan ook niet alleen een gevoelige en soms wat wankelmoedige, maar ook een ernstige man die Jezus Christus met zijn hart, zijn hoofd én handen heeft willen dienen.

Dit deel beslaat artikelen uit de periode 1856-1878, dus uit de tijd dat hij predikant was en reeds toen grote bekendheid genoot. De ‘dogmatiek’ Blikken in de openbaring (1866-1869) is tweedehands nog steeds verkrijgbaar en daarom niet opgenomen. Wel opgenomen zijn onder andere de grotere geschriften Gordel en wijnkruik (1859), Het kruis des Verlossers (omgewerkt tot Christus de gekruisigde voor en in ons, 1864) en Lijden en heerlijkheid (1876). Dit laatste boekje maakte zo een indruk op K.H. Miskotte dat hij het als jongeling jaren bij zich droeg. We vinden ook kleiner werk, ontstaan rond actuele vraagstukken of met betrekking tot één bepaald onderwerp. Bijvoorbeeld de eerste aflevering van Het leven van Jezus uit 1878, die leidde tot een breuk met Abraham Kuyper. Gunning sprak hierin over de geboorteverhalen van het N.T. als ‘heilige legenden’ die geen directe historische feiten weergeven, maar “die, als alle legenden, de indruk teruggeven, door de onvergelijkelijke persoon van Jezus op de vrome tijdgenoten gemaakt, en als zodanig van hoge, maar ook geen andere [lees: van geen historische] waarde zijn.” Een felle aanval van Kuyper was het gevolg: wie zich zo eenmaal uitlaat over de historische onbetrouwbaarheid van de bijbel, begeeft zich op een hellend vlak. Terwijl het er Gunning om te doen was dat juist de legende het beste recht doet aan Gods heilige verborgenheid die werkzaam is achter alle waarneembare feiten. In dit geestelijke karakter van het geloof zou wel eens de actuele betekenis van Gunning kunnen liggen. Ik noem drie zaken.

Het artikel waar we wellicht het minste raad mee weten is Adel in rang en hart. Een woord aan de Nederlandse aristocratie uit 1871, dat teruggaat op een voordracht van Gunning ten huize van Baron Wassenaer van Catwijck, waar ook leden van het koninklijk huis bij aanwezig waren. We zien Gunning hier in het volle bewustzijn van zijn profetisch ambt de adel van Nederland wijzen op haar taak om ons volk voor te gaan in de strijd tegen het eigenbelang, tegen elke partijvorming en klassebelang. “De aanzienlijke heeft roeping om aller lasten te dragen.” Twee keer wijst Gunning erop dat een kameel nog eerder door het oog van een naald kruipt dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat; maar niet omdat hij tegen rijkdom is, maar om zijn toehoorders er aan te herinneren dat adel verplicht, dat zij als aristocratisch gezinden tegen de “stroom der populariteit” in hun eigenlijke rang hebben in te nemen: “geen duimbreed beneden de koning, geen duimbreed boven de bedelaar.” Niet dus in het organiseren van een zgn. democratische onderkant zag Gunning heil (het is het jaar van de Parijse commune!) , maar in een appèl op de edelen van rang om ook een edele van hart te worden, en zo een “krachtig voorbeeld” voor ons volk.

Het ethisch karakter van de waarheid uit 1878 maakt duidelijk wat het woord ‘ethisch’ betekent. We gaan begrijpen dat de middenpositie die Gunning innam in zijn tijd tussen aan de ene kant de zgn. supranaturalisten en orthodoxen rechts, en de modernen (wij zouden nu zeggen: vrijzinnigen) links, in feite dezelfde oproep is om God in de eerste plaats geestelijk te verstaan. Telkens klinkt het weer: Jezus brengt ons geen godsdienst en geen leer, maar “een vol, rijk, waarachtig mensenleven.” Het laatste wat God voor ons wil zijn is een droge, abstracte waarheid waarvoor wij als een Feit hebben te buigen. Nee, het is zijn Geest, die ons doet leven, opwekt en verzoent, die ons Hem en onszelf doet verstaan. Maar dan ervaren wij God dus niet meer als een wet van buiten, maar als een zachte, geestelijke stem van binnen die heel ons leven pas echt doet begrijpen.

Nu kan de laatste stap worden gezet: wie zó gelooft, niet in dwang maar in vrijheid, in God die geen blinde natuurwet is maar de heilige Liefde die zichzelf schenkt, die kan en zal nu ook zijn eigen lijden actief opnemen. “Zij die in Christus geloven lijden integendeel meer, dieper, aanhoudender dan de mensheid welke haar Heiland niet kent. (..) Zij hebben de genade ontvangen dat zij hun lijden tot een lijden met Christus weten te maken.” (Lijden en heerlijkheid, II) De Christus buiten ons, die voor ons is gestorven, wil nog eens de Christus in ons zijn om als oude mens te sterven en als nieuwe mens op te staan. Wat Gunning hierover geschreven heeft behoort tot het mooiste en diepzinnigste van zijn werk.

Als onze tijd iets nodig heeft, dan is het misschien wel de herontdekking van Gunnings gedachte dat God ons maakt tot uitverkorenen, tot edelen van hart die niet luisteren naar de stem van het volk maar van God; en dat wij, wanneer wij lijden om Christus’ wil, juist groeien naar Hem toe en zo pas werkelijk mens worden. Een geloof uit de hoogte – maar in kwetsbaarheid.

Wessel ten Boom

PS. Dit artikel verscheen eerder in Friesch Dagblad van 18 oktober 2012. Wij zijn de auteur erkentelijk voor het verlenen van toestemming dit artikel op onze weblog te plaatsen.