Kerkgeschiedenis

De kunst van het twijfelen – door prof. dr. Wim Janse

De kunst van het twijfelenEnkele kanttekeningen bij: De kunst van het twijfelen. Sebastian Castellio (1515-1563): humanist, calvinist, vrijdenker van Mirjam van Veen.

1. De kunst van het schrijven
Het allereerste dat ik over het nieuwste boek van Mirjam van Veen wil zeggen, is dat ik het fenomenaal geschreven vind. Mirjam verstaat de kunst van het schrijven. Net als haar held Castellio  heeft zij iets met taal. Wat een taalbeheersing in dit boek. In zo weinig woorden zo trefzeker en zo verstaanbaar zoveel zeggen… ik vind het voorbeeldig.

Het deed me denken aan Harry Kuitert. Karel van der Toorn zei eens tegen mij: ‘Als ik moet schrijven of spreken lees ik soms eerst even Kuitert.’ Je mag van Kuitert denken wat je wilt, maar schrijven kan hij. Dames en heren studenten: als je moet schrijven of spreken, lees eerst even Van Veen.
Bijvoorbeeld om de zinslengte, of het gebruik van synoniemen. In het hele boek zul je maar twee zinnen vinden waar eenzelfde woord twee keer wordt gebruikt, en in de helft van het aantal gevallen is dat nog functioneel ook. En dan het gebruik van beelden, waarin Castellio ook zo uitblonk. Beeldrijke taal: De breuk in de kerk deed het oude continent op zijn grondvesten schudden. Reformatoren zagen dat oude medicijnen geen genezing bewerkten voor de kwalen van hun tijd. Castellio ervoer zijn verhuizing als een bekering. Na het succes van zijn bijbelvertaling: Castellio gunde zich weinig tijd voor een zoete afdronk. Over Servet: Castellio betoogde dat in Genève niet een ketterij de kop was ingedrukt, maar dat in Geneve een mens was gedood.

Dit boek beoogt een breed lezerspubliek. Smaken verschillen, maar soms vind ik de taal te populair:

God greep Calvijn in 1536 in Genève bij de kladden. Calvijn verdenkt iemand ervan een brief van hem te hebben gejat. Over de predestinatieleer: God laat sommigen verdommen in de verwerping. Calvijn speelt een ranzige rol, maakt van Castellio’s argument gehakt. Calvijn lag op ramkoers; er heerste radiostilte.

En toch: Wie moet schrijven of naar het spreekgestoelte heen, leze eerst Van Veen.

2. De kunst van het weglaten
De kunst van het weglaten en toch iets nieuws te zeggen.
Ik vind het zeer knap om na de grondleggende studies van Buisson en Guggisberg in zo’n 180 bladzijden het leven en de historische context van Castellio te schetsen, je niet te verliezen in details, en toch een panorama met een hoofdpersoon te tekenen, die de lezer vergezichten en een echte persoonlijke kennismaking biedt.

En in die 180 bladzijden biedt Mirjam van Veen nog weer nieuwe perspectieven, dat vind ik bijzonder. Waar zit dat nieuwe in? Ik denk vooral in kennis van de spiritualist David Joris, over wie ze veel geschreven heeft, nieuw materiaal heeft ontdekt en uitgegeven, die ze beter kent dan wie ook. Ze laat zien hoeveel overeenkomst en misschien wel afhankelijkheid er bestaat tussen David Joris en Castellio. Castellio deelde Joris’wereldbeeld, en via Castellio heeft David Joris nog stem gekregen in de Nederlandse ideeëngeschiedenis.

Een mooi voorbeeld hoe nederig archiefwerk op de vierkante centimeter (het lezen niet over iemand, maar van de bronnen zelf, en daar heb je weer de taal: het ontcijferen en lezen en vertalen) de wetenschap werkelijk verder brengt.

Niet eerder kwam in een publicatie over Castellio zo vaak de naam David Joris voorbij. Een kunst: weglaten en intussen iets nieuws zeggen.

3. Karikaturiseren is geen kunst
Laat ik het maar meteen zeggen, over twijfelen gesproken: ik betwijfel of Van Veen onpartijdig is. Elke tijd heeft zijn eigen Calvijn en elke tijd heeft zijn eigen Castellio. Van Veen laat dat zelf fraai zien als ze erop wijst dat in de uitgave van het verzameld werk van Castellio in 1613 in ons land, de uitgevers Castellio laten optreden als verdediger van de Nederlandse vrijheid en als bondgenoot tegen de Spaanse tirannie, samen met Willem van Oranje die op de titelpagina onder het toeziend oog van de Almachtige de boom van de Spaanse tirannie omhakt.

Heeft ook Mirjam van Veen haar eigen Castellio? Buisson (1892) portretteerde Castellio als de voorloper en grondlegger van het liberale protestantisme.
Patrick Cabanel merkt over Buisson op, in een artikel uit 2009 (Johan de Niet, Herman Paul, Bart Wallet, Sober, Strict, and Scriptural;. Collective Memories of John Calvin 1800-2000, BSCH 38, Brill 2009):

“Buisson sought in Castellio the historical founder of liberal Protestantism and perhaps sketched out his own self-portrait just beneath the surface.” (ik dank deze verwijzing aan mijn promovendus Kees de Wildt)

Hetzelfde gevoel bekroop me bij het lezen van het boek van Mirjam van Veen. Door haar woordkeus karikaturiseert ze volgens mij Calvijn en maakt hem te zwart (des te opvallender omdat ze Calvijn goed kent en een eveneens zeer leesbaar boek over hem schreef). Natuurlijk, om iemand te schetsen en uit de verf te laten komen, is het handig een achtergrond te hebben, om hem daartegen af te zetten. De Duitsers noemen dat een Folie, een donkere achtergrond waartegen iets nog helderder kan oplichten. In het geval van Castellio, is Calvijn die Folie.  Calvijn is de bad guy, Castellio de good guy. Een paar citaten:

Calvijn werd de voorman van een gereformeerd zuiveringsideaal. Castellio liet het vaste geloof in onwankelbare geloofswaarheden (zoals bij Calvijn) los.

Castellio behoorde tot de durfals, was deel van de kleine groep die de noodzaak zag van een nieuwe verhouding tussen kerk en staat. De reformatie van Calvijn en de zijnen koos definitief voor de oude verhoudingen.
Calvijn, vastbesloten om Castellio de voet dwars te zetten, graaft zich in en verheft zich met zijn gereformeerd ideaal boven normale stervelingen en maakt zichzelf immuun voor kritiek. Hij wordt in Genève aangesteld om de gereformeerde beweging om te zetten in een vaste institutionele vorm, om gereformeerde idealen in wetten te verankeren. Castellio knapt af op Calvijns gereformeerde streven de gehele wereld een nieuwe orde op te leggen en trekt op tegen zijn religieuze repressie.

Vijand van Calvijn worden was maar al te gemakkelijk. Castellio was in staat banden te onderhouden met mensen met verschillende overtuigingen en is een voorzichtig man. (Calvijn ook, denk bijvoorbeeld aan zijn instemming om Lutherse sacramentsgebruiken te hanteren).

Calvijns ‘Institutie’ groeit uit tot een uitgebreide dogmatiek, tot handboek van de gereformeerde polemiek, verdedigingslinie tegen ongereformeerde gedachten. Dat kun je zo toch niet zeggen.

Aan Calvijns predestinatieleer ergert Van Veen zich nog meer dan Castellio, lijkt het: Op het einde van zijn leven weet Calvijn akelig precies te vertellen hoe Hij de een redt en de ander laat verdommen in de verwerping. Ze spreekt van een sluitend systeem, Calvijns doctrine, zijn Achilleshiel.

Ik mis hier en in de hele weergave van Calvijn ook de theologische duiding. Calvijns uitingen over predestinatie waren de gereformeerde verwoording van Luthers sola gratia. Ook Luther kon hetzelfde op een vreselijke (andere) manier uitdrukken, met zijn opmerkingen over de Deus absconditus –  de verborgen God die wel zegt dat Hij het behoud van de zondaar meent, maar in het verborgene wil Hij dat misschien niet, opdat dit ons naar Christus drijft. Predestinatie is de gereformeerde pendant van het lutherse ‘door genade alleen’.

En de kerk in Genève is geen uiting van Calvijns politiek machtsstreven naar een kerkelijk machtsblok, maar een uiting van het van Bucer geleerde verlangen naar het regnum Christi, de Christocratie (zie ook Bucers De regno Christi).

Over machtsblok gesproken (daar speelde de overheid trouwens een rol in): Calvijn was niet uit op macht, op potestas of potentia, maar op de auctoritas Spiritus Sancti en de gloria maiestatis Dei.

Calvijn deelde het verlangen (na te zijn uitgeleid uit het ‘Egypte’ van het katholieke Frankrijk) naar de welgeordende samenleving van Deuteronomium in het ‘beloofde land’, Genève.

Misschien doet Van Veen Calvijn wel te veel eer en Castellio te weinig, door Calvijn zo nodig te hebben om Castellio te profileren. Castellio staat voor zichzelf, hoeft geen reliëf te krijgen over de rug van een gesjabloneerde Calvijn.

Mirjam van Veen gaf haar boek als ondertitel mee: ‘Sebastian Castellio: humanist, calvinist, vrijdenker.’ Waren dat levensstadia? Zou ze willen volhouden dat Castellio calvinist geweest is (als dat al niet een anachronisme is)? In de conclusie van het boek komt dat niet terug.

Tegelijk denk ik dat Castellio meer gemeen had met zijn gereformeerde tijdgenoten dan je op basis van Van Veens tegenoverstelling van Castellio en Calvijn (en Beza) denken zou.

Calvijn schetst ze als man van de intolerantie, Castellio als de man van de tolerantie. Ze maakt daarbij niet het onderscheid dat Benjamin Kaplan introduceerde, en waar opnieuw De Wildt me op attendeerde, tussen tolerance en toleration.

Tolerance is het verlichtingsideaal, kenmerk van volwassen christendom (het religieus conflict behoort tot het onbeschaafde, primitieve stadium), en zo kijkt Van Veen naar Castellio, de man van de nieuwe tijd. Terwijl tolerance vaak neerkwam op onverschilligheid en opportunisme.

Toleration was de praktijk van het dagelijks verdragen van elkaar, het pragmatische accepteren van een onplezante realiteit dat je brood moest kopen bij de katholieke bakker en je gebit laten behandelen bij de doperse kiezentrekker. Toleration was in de 16e eeuw veelal de praktijk van de dag.

Calvijn een intolerante man? Maar hij keurde het Franse Tolerantie-edict van 1562 goed, kon rekening houden met omstandigheden, praktiseerde dikwijls de toleration of adviseerde daartoe (in Polen, in Engeland, in gereformeerde enclaves in lutherse gebieden).

Castellio had het gemakkelijker: die reduceerde geloofsovertuiging tot een verschil van mening. Als je zelf over de meeste leerstukken twijfelt of geen zekerheid hebt, kost tolerantie niet zoveel moeite.

Mijn punt: was Castellio wel ooit calvinist, was zijn positie tegenover ‘het gereformeerde kamp’ niet genuanceerder, en was het echt nodig het fluweel van Calvijn zo zwart te maken om het sieraad van Castellio te prononceren?

Ik heb dit boek met veel plezier en met winst gelezen, en wens het veel lezers toe.
En nog één keer: Wie het schrijven of spreken vrezen, moeten Van Veens boeken lezen!


Prof. dr. Wim Janse, hoogleraar Kerkgeschiedenis, decaan Faculteit der Godgeleerdheid, conrector Vrije Universiteit, Amsterdam.