Kerk

Reactie op Vreemdelingen en Priesters van Jan Wolsheimer

Afgelopen vrijdag was er in Kampen een symposium rond het nieuwe boek Vreemdelingen en priesters van Stefan Paas. De bijdragen van dit debat zullen we de komende dagen hier op Theoblogie plaatsen. We begonnen met een impressie van Henk Medema, daarna volgde de bijdrage van Stefan Paas. Vandaag laten we Jan Wolsheimer aan het woord.

 

Met veel belangstelling heb ik de PDF-versie van Stefan’s laatste boek gelezen. Nee, dat is te zwak uitgedrukt. Vanaf de inleiding werd ik ongewild het verhaal ingetrokken. Ingezogen! In een zucht las ik het uit. Stop de persen, annuleer de missionaire congressen die nog op stapel staan en bespreek de inhoud van dit boek. Ik geloof oprecht dat dit boek een fundamentele bijdrage gaat leveren aan de koers van de missie van de kerk. Sinds tien jaar ben ik predikant van een evangelische kerk in Woerden. Het kerkgenootschap waar ik deel van uitmaak: de Christian & Missionary Alliance (CAMA), is missionair van karakter. Haar grondlegger Albert Simpson was een pragmaticus pur sang en juist die diepe drive om dat verhaal van de grote Koning te vertellen trok mij de evangelische beweging in.

Ik zal een jaar of drieëntwintig geweest zijn. Vanuit de stramme kerkbanken van een hyper-calvinistisch kerkgenootschap waar lachen te alle tijde verboden was, huppelde ik de evangelische wereld binnen. Alles was mooi. Alles was nieuw. Ik keek en zag dat het goed was. Ik kwam tot geloof. Want ja, zo heet dat in onze evangelische cultuur. Het klinkt een beetje of ik daar zelf de initiator van was, maar niets is minder waar. Ik bleef natuurlijk wel een Gereformeerd mannetje die zijn leven lang geleerd had om vooral kritisch te zijn en niet zomaar met een gestolen Jezus de eeuwigheid in te gaan. Hoe dan ook: het wonder geschiedde. Na jarenlang worstelen was Hij daar. De Eeuwige. In een kamer in flat in Den Haag en ik kon niet anders, nee – ik wílde niets anders dan Hem volgen.

Ik werd predikant in een CAMA gemeente op het moment dat de gemeentegroeibeweging het CAMA-dna had verdrongen. Het moest groot, hip, meeslepend en vooral professioneel. Ik sleepte mijn vermoeide lijf van conferentie naar conferentie en ontmoete de geest van activisme, een eng geestelijk gedrocht wat in een mum van tijd je energie opvreet. Toch paste dat ergens wel bij me. Hard werken, groot dromen en vormgeven aan dingen die er nog niet waren. Het voelde alsof ik de Exodus dunnetjes overdeed. Maar al snel begonnen de zandkorrels van die duivelse woestijn te schuren in mijn schoenen. Ik werd moe en zag om mij heen dodelijk vermoeide mensen. Mensen die alles gaven om in hun bediening in de kerk uit te blinken. Want ja, God gaf je niets minder dan het beste.
Na drie maanden predikantschap voelde ik voorzichtig aan de randen van de voorgangers-burn-out. Ik had daar nog geen last van, maar ik zag deze in de vooruit van onze gemeenschap met duizelingwekkende snelheid op mij afkomen. Ik schrok ervan. Drie maanden! Ik werd in een mal geperst waar ik niet in thuishoorde, de verwachtingen waren kolossaal en waar ik tijdens mijn studie had geleerd dat predikanten soms manipulerende monsters werden, ontdekte ik dat de kerkelijke gemeenschap ook niet vies was van projectie en manipulatie.
Er moest iets veranderen. Mijn redding kwam in de vorm van een gastspreker. Een engel met halflang haar, een stoppelig baardje en een bril. Hij wees me op de werken van Eugene Peterson en die hebben mijn leven drastisch veranderd. In schreef een lange email aan onze oudstenraad en vertelde hen dat ik niet van plan was om de manager van de kerk te zijn. Ik stelde voor dat ik me hoofdzakelijk zou richten op drie zaken: gebed, studie van het Woord en alles wat daaruit voortkwam en het geestelijk begeleiden van mensen. Punt.

Bloednerveus was ik toen we mijn email op de eerstkomende raadsvergadering bespraken. De oudstenraad ging akkoord en een zucht van verlichting ging door ons gezin. Vanaf dat moment is er veel veranderd. Ik bid getijdengebeden, bekeerde me tot de monastieke spiritualiteit en zag de randen van een burn-out nooit meer verschijnen in de vooruit van mijn roeping. In zekere zin tankte ik weer wat Gereformeerd denken bij: God is God en ik… ik ben slechts een dienaar.
Mensen die mij via social media kennen denken dat ik altijd druk ben, maar dat is slechts schijn. Ik wissel die drukte (die ik nodig heb) af met rust en stilte om bij te tanken. Die afwisseling proefde ik ook in het boek Vreemdelingen en priesters. Niks mis met hard werken en enthousiast zijn over dat verhaal van de Koning, maar stop met het veroveringsdenken. Dat lijkt me de grootste les voor de evangelische beweging. Stefan haalt de Duitse missieloog Gustav Warneck aan die zegt: “Zoals de zaaier het zaad breed uitstrooit, wetend dat slechts een minderheid vrucht zal dragen, zo zal ook de kerk proberen zoveel mogelijk mensen in aanraking te brengen met het evangelie door op zoveel mogelijk plaatsen uitnodigend aanwezig te zijn”.

Mooi is dat. Uitnodigend vanuit een soort presentie-theologie, als gewone mensen tussen gewone mensen beseffend dat deze groep waarschijnlijk helemaal niet op jouw verhaal zit te wachten. De realiteitszin die Stefan aanreikt uit de Evangeliën is weldadig rustgevend:
(1) het woord van het evangelie moet zo breed mogelijk worden gezaaid, (2) we moeten verwachten dat de meerderheid van de mensen het niet of slechts oppervlakkig zal aanvaarden, en (3) we mogen geloven dat de minderheid bij wie het landt overvloedig vrucht zal dragen. Dit is een boodschap voor een hoopvolle minderheid; niet voor een volk dat de wereld zal veroveren in Christus’ naam.
Zo mogen we in de woorden van Stefan “zendelingen van kleine dingen worden”. Dat ligt heel dicht bij het gedachtegoed van mijn favoriete geestelijke Charles de Foucauld, een Godzoeker, monnik en kluizenaar. Charles de Foucauld ontwikkelde een eigen spiritualiteit. Op zijn bedevaart naar Bethlehem en tijdens zijn verblijf in een klooster in Syrië rijpte zijn voorstelling van het leven van Jezus in Nazareth: een man die jarenlang leefde als arme en stille arbeider in Nazareth, voordat hij begon met zijn publieke optreden. De navolging van Jezus vereiste volgens Foucauld radicale armoede en een leven, werken en kleden zoals de armen. Foucauld wilde niet alleen de als onwenselijk ervaren afstand klooster-wereld (monniken versus armen) afschaffen, maar ook het
verschil in dagtaken tussen priester en broeder.
Misschien ligt daar een mooie uitdaging. Om de toga’s uit te trekken, de podia van theaterkerken te verlaten en heel eenvoudig te leven mét de kinderen van deze wereld.
Als zendeling van kleine, hoopgevende dingen. In Zijn naam.

In de evangelische wereld is het woord ‘doelgericht’ jarenlang een echt buzz word geweest. Precies weten waar je naartoe wilde, de ballast overboord gooien en gaan! Vol gas!
Hoewel ik graag een aantal andere kerkgenootschappen in dit land zou willen zegenen met doelgerichtheid zou ik het maakbare karakter hiervan graag door de gootsteen spoelen. Maakbaarheid is een woord wat wat mij betreft volkomen haaks staat op spiritualiteit. Geestelijk leven komt van boven. En misschien ook wel een beetje van binnen. In ieder geval nooit als ik het organiseer en in elkaar timmer. In onze postmoderne mannetjesputterscultuur sta ik machteloos als het gaat om zaken die verder gaan dan het stoffelijke. Nou ja, niet helemaal machteloos, maar ik sta in ieder geval niet aan het roer. En gek genoeg is dat een heerlijke bevrijding. Mocht jij een overwerkte kerkplanter zijn en het boek van Stefan nog niet hebben gelezen.
Doe jezelf en vooral je omgeving een plezier en laat je bevrijden van je werkstress door dit boek. Ik werd reuzeblij van de drie belangwekkende punten die Stefan aandraagt in hoofdstuk 3 van zijn boek. Hij schrijft: Waar geloof niet langer ‘hoort’ of ‘moet’, zal het van dag tot dag gevoed en onderhouden moeten worden. En dan noemt hij drie punten, zoals een goed Gereformeerd professor betaamt.
1. Christenen zullen moeten leren hun spiritualiteit niet afhankelijk te laten zijn van hun succes in termen van kerkgroei of wereldverbetering. Zij zullen een spiritualiteit van ‘tekens’ en ‘voorproefjes’ moeten ontwikkelen.
2. Christenen moeten leren een spiritualiteit te ontwikkelen die tegen mislukking en tegenwerking kan. Juist wie zich inspant om het goede te doen in de wereld, kan ervan onder de indruk raken hoezeer alles samenspant om het kwade te laten overwinnen.
3. De diepe overtuiging dat de identiteit van kerken en christenen niet samenvalt met wat zij doen in de wereld. De kerk ‘is’ voordat zij ‘doet’, zij is ‘in Christus’ voordat zij ‘in de wereld’ is, en zij is ‘in de wereld’, maar niet ‘van de wereld’.

Na het lezen van deze woorden maakte ik een rondedansje in mijn bescheiden studeerkamer. Het gewone is kennelijk goed genoeg! Ik ben niet het bedrijfsleven uitgegaan om voorganger te worden in een kerk die nog meer marketingtechnieken gebruikt dan de gemiddelde marketingafdeling van een middelgroot bedrijf. IK BEN EEN PASTOR! Ik ben vooral niet effectief, efficiënt en doelgericht. Ik ben afhankelijk van de Heer van de oogst. Ik wil dus leven tussen de mensen met mijn ogen gericht op Jezus en mijn armen om gewone, breekbare mensen heengeslagen in de hoop dat zulke armen er van tijd tot tijd ook voor mijn gebroken bestaan zijn.
Het boek mondt uit in een geweldige crescendo over de priesterkerk. Toen ik een aantal weken geleden de dienst begon na een week waarin ik een goede vriend met een spierziekte moest begraven en bij wiens overlijden ik aanwezig was, een week ook waarin een jong stel uit onze gemeente plotseling beviel van een kindje wat tijdens de bevalling overleed – wilde ik niet zingen van vreugde. En de aanbiddingsleidster van die dag ook niet. Ze is een vriendin van de verdrietige moeder, Ik las een stukje voor uit dat laatste mooie hoofdstuk waarin Stefan schrijft over dedoxologie. Hij zegt daar: “Ook als we tot hem klagen of hem aanroepen in boosheid en verdriet, bewijzen we hem eer: we erkennen hem dan immers als de God die deze schepping in zijn hand houdt en naar zijn toekomst voert. ‘Uw koninkrijk, komt daar nog wat van?’ is in de juiste toonsoort een doxologische uitspraak. De kerk is dus op aarde om God te verheerlijken – in alle toonaarden.
Wat prachtig. De aanbiddingsleidster liet haar tranen de vrije loop en paste de liturgie aan aan haar gevoel.

Eugene Peterson leerde me om een dag kerkvrij te zijn. Het werd voor mij de maandag. Thuis blijven was voor mij geen optie en nadat ik zo’n beetje in elk denkbaar stukje natuur bij ons in de regio had rondgesjouwd besloot ik musea te gaan bezoeken. Maar ja, alle steden in Nederland zijn op maandag gesloten. Op één na. Amsterdam. Ik had niks met die stad. Wat begrijpelijk is, want ik ben op een steenworp afstand van Rotterdam geboren, bracht er mijn pubertijd door en elke zondagmiddag zit ik met een zelfgebreide Feyenoordsjaal voor de buis. Ik had niks met Amsterdam.
En omdat ik niets met de stad had en de stad ook niets met mij, kon ik in alle ontspanning tot rust komen in ‘a city that never sleeps’. Ik maakte geen plannen, stapte domweg op de trein en leerde Amsterdam en haar inwoners kennen. Ik hoefde niemand te bekeren, geen kerk te leiden en de stad draaide haar rondjes vrolijk zonder mijn inzet. We werden verliefd. Want het was wederzijds. Ik wist het meteen. Ik dronk koffie op ontelbare terrassen waar ik gesprekken had met ontelbare andere alleengaanden. Ik was niet doelgericht noch efficiënt maar open en vrij. Ik sprak soms wel een uur met een volslagen vreemde die MIJ altijd begon uit te horen als ik antwoord gaf op de vraag wat “zo’n jonge kerel (het is al even geleden) op maandag in een stad als Amsterdam deed”.
Zo’n gesprek werd dan soms een driegesprek: mijn tafelgenoot, ikzelf en de timmerman uit Nazareth – die er stilletjes bij was komen zitten. De oogst is groot mensen, maar de werkers daar ligt een probleem. Overal in Amsterdam kun je volgens mij met groepjes mensen bij elkaar komen in een soort luisterkerk. Ik ben normaal te druk om uren op een terras te zitten, maar als ik die tijd wel heb en opmerkzaam ben op de prachtige mensen om mij heen – gebeurt er altijd wel iets.

Ik experimenteerde de afgelopen twee jaar met een kerk voor niet-kerkelijken in Woerden. Gewoon naast mijn gewone werk in de overdagkerk. Het lukte! Er kwamen neo-spirituelen om te praten over spiritualiteit, verlangens en dromen en zelfs over de woorden van Jezus. Na de zomer viel het kernteam van de afgelopen 2 jaar uiteen. De één vertrok naar het buitenland, een ander ging iets anders doen, weer een ander had een os gekocht – of iets dergelijks. En van de bezoekers was het meest geïnteresseerde stel vanuit niks Remonstrants geworden. Ik had het gevoel dat ik klaar was voor een nieuw seizoen.

Vreemdelingen & priesters viel met een plof in mijn mailbox. Wat een boek! Maar ineens na dat schitterende hoofdstuk 7 was het afgelopen. Klaar. Uit. Waar was hoofdstuk 8? Ik wilde weten hoe zo’n priesterkerk in de praktijk werkt! Hoe kun je stoppen zonder daar iets over te schrijven? Ik realiseerde me dat ik zelf dat achtste hoofdstuk van dit boek moest schrijven. Vanuit ons kerkgenootschap trommelde ik mijn maatjes op. We spraken over het boek en ons verlangen om met kleine groepen mensen in Nederlandse steden bij elkaar te komen rondom die woorden van Jezus in een setting zonder grote verwachtingen.

Afgelopen week schreef ik de eerste woorden van mijn hoofdstuk 8. Ik ga pionieren in Amsterdam-Oost op mijn vrije dag. Het gaat een lang hoofdstuk worden met heel veel vallen en hopelijk steeds weer opstaan. Ik ben vrijwilliger geworden bij Humanitas om eerst maar eens naar de hoofdstukken van eenzame mensen in Oost te gaan luisteren en te gaan zien waar openingen ontstaan. Geen salaris, geen pastorie, geen gebouw, geen ‘oude economie kerk” – maar hopelijk wel een nieuw hoofdstuk waarin ik een handjevol mensen in mijn geliefde stad kennis kan laten maken met mijn grote liefde: Jezus Christus.

Stefan, ik stel voor dat je na deze middag met pensioen gaat. Beter dan dit wordt het niet!
Dank voor je prachtige boek.

Klik hier voor meer informatie over Vreemdelingen en priesters.

2 reacties

  1. Harry
    18 november 2015 om 15:53

    Inspirerend verhaal!

  2. Jan Lok
    18 november 2015 om 21:44

    Prachtig verhaal van een jubelende priester.
    Helemaal met je eens dat dit boek en de diepe gedachtengangen eronder, een vervolg, een toepassing, een gesprek vraagt. Mooi dat je dit – licht activistisch – oppakt in Amsterdam.
    Zegen