BijbelGeloof

De heilige Geest, de preek en de sacramenten

Bij veel kerkgangers is het lied ‘Geest van hierboven, / leer ons geloven’ (Liedboek. Zingen en bidden in huis en kerk, lied 675) een geliefd gezang geworden. De melodie, die je onontkoombaar in één richting stuurt, draagt daar zeker aan bij: op naar de lofprijzing van het ‘Halleluja’! Wat ook meespeelt, is de inhoud van het lied. Enerzijds wordt de overwinning van Christus op de dood haast triomfantelijk bezongen, maar tegelijkertijd beseft degene die dat zingt dat hij/zij midden in het dagelijks leven staat waar ook het lijden deel van uitmaakt. Juist die beide kanten van onze werkelijkheid maken het tot een realistisch én hoopvol lied. Zoals in de Bijbel de vader van het zieke kind tot Jezus riep: ‘Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp’ (Marc. 9:24), zo zingt de gemeente in haar samenkomst hartstochtelijk ‘Geest van hierboven, leer ons geloven’.

Epiclese

Dit lied is een mooi voorbeeld van wat in de kerkdienst op meerdere plaatsen in de liturgie voorkomt: het aanroepen van de heilige Geest, oftewel de epiclese (= aanroepen, erbij roepen). Precies op de momenten waarop het spannend wordt in de liturgie, waarop het erop aankomt of God ons hart bereikt en of wij daar gehoor aan gaan geven of niet, bidt de gemeente kort en krachtig: ‘Kom, heilige Geest’, of ‘Kom, Schepper Geest’. In de protestantse liturgie is dat in elk geval op twee plaatsen: bij de opening van het Woord en bij de viering van de sacramenten van doop en avondmaal. Hoewel het meestal slechts een kort gebed betreft, is dit eenvoudige zinnetje ‘Kom, heilige Geest’ eigenlijk de basis van alles wat liturgie is. We ontmoeten God immers niet buiten het Woord en de Geest om. Als de Heidelbergse Catechismus vraagt waar ons geloof in Christus en zijn weldaden eigenlijk vandaan komt en wat er de oorsprong van is, dan zegt het antwoord: ‘Van de heilige Geest, die het geloof in onze harten werkt door de verkondiging van het heilig Evangelie en het sterkt door het gebruik van de sacramenten’ (vraag en antwoord 65 hc).

Presentie

Hier komen dus de kerkdienst, de prediking en de sacramenten in beeld. Want het wekken en het voeden van het geloof gebeurt weliswaar op persoonlijke wijze, maar in de Bijbel zien we na Pinksteren dat de Geest zeker ook werkt in de gemeenschap: waar mensen samenkomen in de naam van Jezus. Die samenkomst staat van meet af aan onder de belofte van Matteüs 18:20, waar Jezus zegt: ‘Want waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben ik in hun midden’. De vraag is daarbij: op welke manier is Christus dan in ons midden? Na de opstanding en hemelvaart niet meer in zijn aardse gestalte. Hoewel er tot op de dag van vandaag mensen zijn die over Christusverschijningen spreken, zijn dat niet langer fysieke, lichamelijke verschijningen, maar mystieke, dus geestelijke verschijningen van de tegenwoordigheid van Christus. Als het echter in de liturgie om de presentie van Christus gaat, dan verwijst dat naar zijn volbrachte werk, naar datgene wat Hij in zijn prediking, sterven en opstanding voor ons gerealiseerd heeft. De gemeente komt samen om zich daarbij te laten bepalen en om daaruit inspiratie en geloof op te doen. Pinksteren laat zien dat de kerk leeft van het getuigenis van mensen. Zij laten zien hoe het werk van God en Jezus ook verder gaat in onze tijd en in ons leven. De toe-eigening van het evangelie, de uitwerking ervan in ons leven en in de gemeenschap, dat is specifiek de werking van de heilige Geest, de Geest van de Vader én de Zoon. Vanzelfsprekend is dat nooit, want de Geest komt niet uit onszelf, maar, zoals in het lied staat, ‘van hierboven’, van Godswege, als een bijzonder geschenk om ons op weg te houden in geloof. De Geest maakt daarbij gebruik van de menselijke middelen en geestesgaven, bij uitstek van de prediking. De Geest activeert dus de menselijke mogelijkheden, gaven en gebreken en draagt al het menselijke op aan God.

Verlichting

Precies vanwege dat menselijke, bidden we om ontvankelijkheid, om verlichting van onze Geest, zodat de Geest van God ons kan raken in ons hart. De Geest werkt mét onze Geest maar is daar niet afhankelijk van. Zo ontstaat een dynamisch spanningsveld waarin God en mens elkaar ontmoeten in de Geest en in de gemeenschap waar het Woord gepredikt wordt en de sacramenten bediend worden.

Woord, Geest en sacramenten

Het gebed om de heilige Geest kent in de geschiedenis van de christelijke liturgie verschillende toespitsingen. Aanvankelijk sluit het gebed sterk aan bij de presentie van de Geest, zoals die in de oudtestamentische traditie als Geest van God, ‘inwonend’ in onze werkelijkheid gezien werd. In de christelijke liturgie richt het gebed zich vooral op de biddenden zelf en is het een gebed dat bidt om de innerlijke verandering van de aanwezigen zodat zij de Geest kunnen ontvangen. In de Middeleeuwen zien we hoe het werk van de Geest minder gekoppeld wordt aan de ontvankelijkheid van mensen, maar meer aan de tekenen van de sacramenten zelf: dan zijn brood en wijn het zelf die door de werking van de Geest veranderen in lichaam en bloed van Christus. De Reformatie breekt hiermee en stelt in plaats van het altaar de preekstoel centraal in de kerk. De gedachte hierachter is opnieuw dat het offer van Christus al volbracht is. Daarom geen altaar, maar een tafel, waaraan we rond het Woord verenigd dit offer leren aanvaarden en delen. Dan gaat het niet meer om een verandering van een materiële werkelijkheid, maar om de verandering en vernieuwing van ons hart en handelen door de Geest. Daar hebben we woorden én tekenen bij nodig. Calvijn schrijft hierover: ‘Dit werk nu doet in ons de Geest. Want opdat het Woord niet tevergeefs in onze oren zou klinken, en de sacramenten niet tevergeefs onze ogen zouden treffen, toont Hij, dat het God is, die daar tot ons spreekt.’ We hebben eigenlijk drie gaven van God ontvangen: het Woord, het sacrament en de heilige Geest. De Geest opent het hart voor de eerste twee.

Doop, preek en avondmaal

In beide sacramenten van doop en avondmaal zien we steeds het beroep op de heilige Geest. ‘Als wij gedoopt worden in de naam van de heilige Geest, belooft de heilige Geest dat Hij bij ons wil wonen en dat Hij dagelijks ons leven wil vernieuwen.’ In het avondmaal klinkt de bede ‘zend over ons uw heilige Geest, opdat wij in brood en wijn deel krijgen aan onze Heer Jezus Christus. Verenig ons door uw Geest met Hem die zichzelf voor ons gegeven heeft en verbind ons met elkaar als levende leden van zijn lichaam.’ Hier zien we dat de Geest uitdrukkelijk verbonden wordt met zowel het heil in Christus als de eenheid van de gemeente zelf. De ‘hartversterkende’ werking van de Geest op het geestelijke vlak klinkt ook door in het aloude ‘sursum corda’ (‘verheft de harten’): ‘laten wij niet bij het uiterlijk van brood en wijn blijven, maar onze harten omhoog in de hemel verheffen, waar Christus is. Zo zullen wij waarlijk door de werking van de heilige Geest met zijn lichaam en bloed gevoed worden, als wij brood en wijn tot zijn gedachtenis ontvangen.’

En ten slotte gaat het gebed om de verlichting met de heilige Geest niet alleen vooraf aan de preek, maar het gaat ook vooraf aan het lezen en horen van de Schriften. Het is immers niet pas door de preek dat Gods Woord spreekt; ook in de Schriften zelf spreekt God door de Geest tot ons. En de preek is hiervan een bijzondere actualisatie en toepassing. Dat vraagt toewijding, van prediker en hoorders. In het besef dat de Geest hun leert geloven, hopen en liefhebben.

Dit artikel is een van de bijdragen uit het onlangs verschenen boek 12 artikelen over de heilige Geest. Aan dit boek werken onder anderen mee: prof. dr. Bram van de Beek, dr. Arjan Plaisier en dr. Ciska Stark. De eindredactie is in handen van dr. Herbert Wevers.