Kerk

De hartslag van het leven – door dr. Bert de Leede

De hartslag van het levenWaar het op aankomt, is dat de kerk weet dat de liefde van de Heer haar hart is, dat ze dat op de goede plek heeft en beseft dat een regelmatige hartslag voorwaarde is om het als kerk uit te houden in de barre tegenwind.

In november verscheen het concept van de tweede visienota van de Protestantse Kerk: De hartslag van het leven. De titel, een citaat uit een gezang, raakt de kern van dit beleidsstuk. De definitieve versie werd eind januari gepresenteerd.

Door ‘terug te gaan naar de bron’ van het kerk-zijn, de Heer der kerk, ‘vat de kerk moed om door te gaan, ook om uit te huilen en opnieuw te beginnen’. ‘Om met lef en vindingrijkheid nieuwe wegen te gaan’, heeft de kerk nodig zelf in de kern gezond te zijn (te worden), vervuld van de liefde van de Heer. Volgens de synode is dát wat nu gezegd moet worden.

De compacte nota bestaat uit twee delen. In het eerste deel wordt in vier thema’s visie neergezet – inhoud, vorm, samenleving, oecumene – in het tweede deel een aantal handvatten voor beleid.

Grondtoon
Het eerste thema, inhoud, zet de toon. De God van Israël is de Vader van Jezus Christus, in Wie wij zien Wie God zelf is, en wat heil is. De toon van Pasen. Dat is de toon van vergeving tegenover zonde, van verzoening tegenover haat, van verlossing en geschonken vrijheid tegenover de onbarmhartige eisen van de maakbaarheidsgedachte. Niet wij zijn het die God zoeken, maar God is het die ons vindt. De hartslag van het leven is de opstanding, en het ritme van de tijd wordt bepaald door de dag van de opstanding. De wekelijkse viering van de opstanding vormt het hart van het geloof. Daarmee liggen de kaarten op tafel. De kerk leeft uit de zondag. Doet zij dat niet, dan verliest zij het zicht op de opstanding, wordt overbodig en is snel de verdwijning nabij.

Met minder regels, minder last, wordt de tred der pelgrims lichter
Het tweede thema, vorm, slaat een lichte toets aan en kiest voor een speelse melodie. Het gaat over de kerk en haar gestalten in orde en liturgie, met haar ambten en gebouwen. De kerk is geen zwaarwichtige vereniging van gelijkgezinden met statuten en ‘alle neuzen dezelfde kant op’. Waar ‘twee of drie in Christus’ Naam bijeen zijn’, daar is Hij in het midden. En waar Hij in het midden is, is kerk. Daarmee is het eigenlijke gezegd. Dat besef geeft ruimte om te stoppen met wat niet meer werkt en geeft vrijheid ‘om de kerk opnieuw uit te vinden’. Het maakt innerlijk vrij voor nieuwe creativiteit en geeft lef om nieuwe wegen te gaan die de Geest wijst. Als de Heer met zijn volk verder trekt, mogen wij gebouwen, vormen, verworvenheden en structuren loslaten wanneer die niet meer werken of niet meer te betalen zijn. Een vitale kerk kan toe met minder regels, minder kerkorde en minder gebouwen. Het omgekeerde is wellicht nog meer waar: met minder regels, een dunnere kerkorde en minder last van gebouwen, wordt de tred van de stoet der pelgrims lichter. Dat kan geen kwaad bij een tocht door de woestijn. De handvatten bij ‘de vorm’ in deel 2 maken het concreter: nieuwe ‘lichtere vormen van kerk-zijn’, lichtere ambtelijke en niet-ambtelijke structuren, nieuwe vormen van liturgie, vormen gericht op jongeren die op nieuwe wijze de lofzang overnemen. Al lezende voel je het hart van de opstellers sneller kloppen.

Wie geschoren wordt
De kerk staat in de samenleving – het derde thema. Zij spreekt en handelt in woord, geschrift en daad in de publieke arena (politiek, overheid). Wat daarover te zeggen, nu onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau laat zien dat nog slechts 35% van de bevolking vertrouwen zegt te hebben in het instituut kerk? Moet je dan in Gods naam überhaupt nog wel publiekelijk het w/Woord nemen?

‘Wie geschoren wordt, moet stilzitten’, zegt het spreekwoord. De kerk wordt op dit moment geschoren, en hoe! De demasqué van de Rooms-Katholieke Kerk, de onvoorstelbare ontluistering door alle schandalen, heeft zich genesteld in het collectieve geheugen van de seculiere burger en rakelt bij veel ex-protestanten oude frustraties op over de verzuilde kerk van weleer, of raakt aan eigen ervaringen van onvrijheid. Er lijkt een soort hernieuwde en definitieve afrekening gaande. ‘Van christelijken smetten vrij’, lijkt het parool van de opinievormende elite. ‘Nederland is radicaal en hard seculier’, schreef Goslinga onlangs in Trouw in zijn politiek commentaar.

Er lijkt een hernieuwde en definitieve afrekening met de kerk gaande
Ik vrees dat de schaduw van genoemde oude schuld van de kerk lang zal blijken te zijn, heel lang. Sommigen spreken in dit verband van een oordeel van God dat zich voltrekt in het verval van kerk en christelijk geloof. Wie gelooft in de levende God die zich beweegt – die zich dus kan terugtrekken, die aanwezig kan zijn op de wijze van de afwezigheid (Miskotte) – kan zulke duidingen niet zomaar naast zich neerleggen.

Hoe het ook zij, dit alles vraagt nu om een zeer besliste heroriëntatie van de kerk op haar nieuwtestamentische gestalte. Dat zien we de nota doen. De kerk, de ekklesia, is een eigensoortige gemeenschap in de stad (polis), de samenleving. De gemeente leeft als het goed is een eigen kwaliteit van leven. Naar eigen hartslag, met het hart op de goede plaats, leeft zij de liefde van de Heer. Zo doet zij haar ding in de samenleving: zichtbaar, hoorbaar, toegankelijk, transparant. Daarom, zo schrijft de nota, is ‘de beste bijdrage van de kerk aan de samenleving de kerk zelf’. Zo is het! Meer kunnen we er niet van maken. En dat moeten we ook niet willen. We moeten het voorlopig ook niet te hard zeggen. Daar is het klimaat niet naar.

Wie geschoren wordt, moet stilzitten. En daarna, net als een pasgeschoren schaap wellicht nog wat onwennig, weerloos en ook een beetje lachwekkend ‘bloot’, het toch gewoon gaan dóén: gemeenschap van de Heer zijn in de samenleving. Want dat is toch ook veel waard. Altijd en overal blijkt dat weer, wanneer en waar de kerk werkelijk kerk is. Het blijkt in diaconaat, pastoraat, opvang, sociale netwerken, ‘politiek handelen’ van allerlei aard, en niet in het minst gebed en stilte, liturgie. De beste bijdrage van de kerk aan de samenleving is de kerk zelf. Inderdaad. En als het zout krachteloos is geworden? Tja, dan houdt het (voorlopig) op. Dát weten we ook.

De nota tuigt de kerk niet op met theocratische, maatschappij-kritische of andere ideologische veren. Die tijd is voorbij, en het moment is er zeker niet naar. Maar waar de kerk echt kerk is, is zij politiek en betekent zij veel in en voor de stad van de mens. De kerk zoekt en erkent daarbij bondgenoten voor gerechtigheid, verzoening, en alles wat het goede leven beoogt. Dat spreekt vanzelf.

Verbinding
De nota eindigt met de oecumene, het vierde thema: samen met alle heiligen. ‘De Protestantse Kerk is deel van het wereldwijde lichaam van Christus’ luidt de eerste zin. Daarmee is de toon gezet. De PKN is zeer beslist aan de denominatiekerk voorbij. Zij is principieel oecumenisch. Zij wil dat echter wel zijn op een manier die past bij een netwerk-samenleving. Geen oecumenisch vergadercircus dus, maar wereldwijd en dichtbij verbindingen aangaan. Waar de context dat vraagt, waar een gezamenlijke – kerkelijke, missionaire, diaconale, maatschappelijke – opdracht of roeping kerken samenbrengt.

Het tweede wat treft, is de nadruk op de gelijkwaardigheid van kerken als delen van het ene Lichaam van Christus, hoe ‘vreemd’ de gestalte van de andere kerk of traditie mij ook kan zijn. De visienota wil zó (leren te) kijken naar en spreken met migrantenkerken, pinksterkerken, de Rooms-Katholieke Kerk, enzovoort. Daar gaat bemoediging en inspiratie vanuit.

Zo’n kerk is het zout in de lauwe pap van de samenleving
Ik heb de nota met grote instemming gelezen. Leren leven van de verwondering had bij alle goeds ook iets parmantigs. Ook iets van ‘fluiten in het donker’. Deze tweede nota heeft dat niet. De nota zou ‘te binnenkerkelijk’ zijn, merkte collega Bram Grandia kritisch op. Maar het sterke van de nota vind ik dat zij niet denkt in dat soort termen, maar aanvoelt waar het nu opaankomt. Namelijk het geconcentreerd kerk-zijn van hen die blijven, die volharden en de lofzang gaande houden. Een kerk die echt kerk is, is per definitie een vreemd lichaam in deze samenleving; met haar gebed, haar liturgie, haar ascese, haar vreemdelingschap, haar diaconaat, haar zondag. Hoezo te binnenkerkelijk? Zo’n kerk is veeleer het zout in de lauwe eenvormige pap van onze samenleving.

Ik wens de synode en de dienstenorganisatie van onze kerk toe dat zij de moed hebben om keuzen te maken in de lijn van deze nota. Dat betekent veel dingen loslaten, afslanken, commissies opheffen, gebouwen sluiten, maar het eigenlijke goed doen. Investeren in mensen, in ongewone verbindingen, in ‘meer dan het gewone’. Opdat een kerk van grijze hoofden moed vat om een nieuwe, sterk seculariserende generatie uit te dagen, te confronteren, te tarten zelfs, dat er ‘meer is’. Door gewoon te leven op de hartslag van het leven ‘in Christus’; compromisloos en toegewijd. Telkens zal blijken dat nieuwe vormen ontstaan, nieuwe groepen, tegenbewegingen in een samenleving, over grenzen van kerken heen.

Dr. H. de Leede was tot 2007 rector van het Theologisch Seminarium Hydepark en werkt nu als universitair docent praktische theologie bij de Protestantse Theologische Universiteit. Deze blog is met toestemming overgenomen uit Opiniërend magazine voor protestants Nederland Woord & Dienst.

1 reactie

  1. 9 februari 2012 om 14:49

    […] nota is via de PKN-site te lezen. Een (positieve) bespreking in een blog van collega Bert de Leede. Inmiddels hebben wij predikanten het in een handzaam formaat toegestuurd […]