Theologie

De duivel en demonen als zijn verwanten

In het themanummer van Interpretatie dat gaat over de duivel en de vraag in wiens dienst die figuur staat, is een artikel opgenomen van dr. Gerrit Vreugdenhil, hervormd predikant in Woerden en auteur van het boek Onheil dat voorbijgaat. Psalm 91 en de (oudoosterse) bedreiging door demonen.
Het artikel heeft als titel ‘De duivel en demonen als zijn verwanten’. De ondertitel is: Over onheil van geesten en demonen. U treft het hele artikel hieronder aan.

Klik hier om het nummer van Interpretatie te bestellen.


Jezus en zijn discipelen leefden in een bonte religieuze wereld. De meeste van hun tijdgenoten waren het over één ding eens: onzichtbare geestelijke machten en krachten oefenen hun invloed uit op het dagelijkse leven van mensen. Het geloof in geesten was niet voorbehouden aan een bepaalde cultuur, maar doorkruiste alle religieuze, etnische en geografische grenzen. Grieken, Romeinen, Aziaten, Egyptenaren en Joden geloofden allen zonder uitzondering in geesten die de hemel, aarde en onderwereld bevolkten. Veel van deze geesten of goden waren het voorwerp van verering en konden vertrouwd worden. Andere daarentegen veroorzaakten angst en vrees en werden verantwoordelijk geacht voor kwaad en onheil. Over deze laatste groep gaat het in dit artikel.

Interessante vraag is wat de gemiddelde persoon ten tijde van het Nieuwe Testament geloofde ten aanzien van de onzichtbare machten van het kwaad. Welke voorstellingen hield men eropna over geesten en demonen?

Magie
Wat de gewone man en vrouw dachten ten aanzien van al die onzichtbare machten en krachten die de wereld bevolken, wordt het meest duidelijk als we kijken naar het gebruik van magie in de hellenistische tijd. Als geen ander middel functioneerde magie als een methode voor het manipuleren van ‘goede’ en ‘kwade’ geesten om mensen te helpen en te beschermen of om anderen onheil aan te doen. Een mooi voorbeeld is het voorschrift voor het maken van een amulet, dat de drager moet beschermen tegen kwade geesten. De amulet moet op een speciale manier vervaardigd worden. Er moeten magische namen op geschreven worden; soms van geesten of goden die aan de amulet hun kracht verlenen. En de tekst van de amulet beveelt de ‘hogere’ en ‘machtigere’ geesten of goden vervolgens de drager te beschermen: ‘Bescherm me tegen elke demon uit de lucht, op het land en onder de aarde, en tegen elke engel, elk spook, elke geestverschijning of vorm van toverij.’

Dit eenvoudige voorbeeld van een magische tekst laat iets zien van de angst die men voelde voor de onzichtbare wereld van geesten en demonen die de mens omringde. Men geloofde dat overal in het universum kwade machten aanwezig waren die het op de mens gemunt hadden. Deze overtuiging laat zich goed illustreren aan de hand van een tekst uit het evangelie. In Mattheüs 12:43-45 en Lucas 11:24-26 lezen we over een onreine geest die een mens verlaat, ronddoolt in de woestijn en vervolgens terugkeert naar de mens die hij verlaten had. Wanneer de geest ontdekt dat hij niet door iemand anders vervangen is, neemt hij zeven andere geesten mee, trekt het leven van de persoon opnieuw binnen en maakt diens leven nog meer tot een hel.

De ideeën die in deze tekst verondersteld zijn, weerspiegelen de opvattingen die mensen in de eerste eeuw hadden ten aanzien van demonen. De verzen veronderstellen de gedachte dat demonen onafhankelijk van mensen kunnen bestaan, eropuit zijn om mensen te ‘bewonen’ en een voorkeur hebben voor woestijnachtige gebieden. Eenmaal uitgeworpen, kunnen ze terugkomen, eventueel vergezeld door andere demonische handlangers.

Er zijn vele voorbeelden te noemen van magische teksten, amuletten en toverspreuken die gebruikt werden ter bescherming tegen kwade machten, en die mensen een gevoel van zekerheid gaven. De grote vooronderstelling achter deze magische teksten is dat goden, geesten, engelen en demonen niet alleen bestaan, maar ook betrokken zijn bij het dagelijkse leven van mensen en door hen gemanipuleerd kunnen worden. In het boek Handelingen geeft Lucas maar liefst vier voorbeelden die met magie te maken hebben. Zo komen we Simon de tovenaar tegen, die met zijn magie grote indruk op mensen maakte (8:9-25). Op het eiland Cyprus is de Joodse tovenaar Barjezus (Elymas) aan het werk als een soort adviseur van de stadhouder (13:4-12). In de stad Filippi komen we een slavin tegen met een waarzeggende geest (16:16-19). Volgens Lucas gaat het hier om een zogenaamde ‘python’-geest, die verbonden was met het Griekse orakel van Delphi. En in de omgeving van Efeze trekken de zonen van de joodse hogepriester Skevas rond als exorcisten om mensen van boze geesten te bevrijden (19:13-20). De stad Efeze is in de eerste eeuw bekend als een belangrijk centrum van magie en bijgeloof, zoals blijkt uit de grote hoeveelheid toverboeken en magische geschriften die als antwoord op de prediking van Paulus verbrand worden.

Religie en astrologie
De eeuwen van de hellenistische periode tussen grofweg het Oude en Nieuwe Testament laten een enorme variëteit van religieuze stromingen en opvattingen zien. Men raakte in het Oosten niet alleen bekend met de Grieks-Romeinse goden en cultuur, maar omgekeerd werden de religieuze ideeën en goden van het Oosten ook verspreid in het Westen. In de tijd van het Nieuwe Testament was er een ongelooflijke mengelmoes van goden die in de steden rond de Middellandse Zee vereerd werden. De stad Korinte is hiervan een goed voorbeeld. Naast de verering van Griekse goden als Athene, Dionysos, Aphrodite, Demeter, Zeus et cetera, komen we ook Egyptische goden als Isis en Sarapis, en Romeinse goden als Apollo en Jupiter tegen.

De vermenging van zo veel verschillende religies in de hellenistische tijd, het verliezen van vaste kaders en de fundamentele onzekerheid als gevolg van oorlogen en calamiteiten, leidden ertoe dat veel mensen angstig en onzeker werden en hun houvast zochten in een persoonlijke band met God of de goden. Zij moesten het kwade lot ten goede keren en mensen beschermen tegen kwade geesten en onheil. Het is te begrijpen dat bepaalde goden of godinnen in deze tijd bijzonder in trek waren. Meer dan enige andere hellenistische godheid was de godin van de onderwereld Hekate populair, omdat zij gezien werd als heerser over demonen. Haar naam werd vaak aangeroepen in toverspreuken en magische rituelen ter bescherming tegen kwade geesten.

Daarnaast moeten we de rol van de astrologie niet vergeten. Er was een breed besef dat zon, maan en sterren hemellichamen zijn en de belichaming vormen van goden, die op aarde hun invloed doen gelden. Juist omdat planeten en sterren een goddelijke status hebben, kunnen ze aangeroepen worden in gebeden, en door magische rituelen gemanipuleerd worden. Vermoedelijk verwijst de Griekse term stoicheia, die de apostel Paulus gebruikt in zijn brieven (Kol. 2:8, 20; Gal. 4:3, 9), naar deze astrale goden of hemelse machten. In de Griekse magische papyri komen we stoicheia tegen in verbinding met de zodiac: ‘Ik bezweer je bij de twaalf stoicheia van de hemel en bij de vierentwintig stoicheia van de wereld, dat je Herakles naar me leidt … onmiddellijk, onmiddellijk; snel, snel’ (PGM 39.18-21).

Dat deze term ook in joodse kringen in gebruik raakte, is onder andere te zien in het volgende citaat:

Ik gaf het bevel dat er een andere demon bij me zou komen. En er kwamen zeven geesten, samengebonden en vervlochten, schoon van gestalte en bevallig. Toen ik, Salomo, hen gezien had, verbaasde ik me en ik vroeg hen: ‘Wie zijn jullie?’ Zij zeiden: ‘Wij zijn elementengeesten (stoicheia), wereldheersers (kosmokratores; zie Ef. 6:12) van de duisternis.’ De eerste zei ‘Ik ben bedrog.’ De tweede: ‘Ik ben twist.’ De derde: ‘Ik ben de spinster.’ De vierde: ‘Ik ben storm.’ De vijfde: ‘Ik ben dwaling.’ De zesde: ‘Ik ben kracht.’ De zevende: ‘Ik ben de slechtste.’ Ons sterrenbeeld in de hemel schijnt klein, maar wij worden godinnen genoemd (Testament van Salomo 8:1-4).

Joodse traditie tussen Oude en Nieuwe Testament
De intertestamentaire periode is een interessante tijd wat het jodendom betreft. In toenemende mate zien we in de joodse apocriefe geschriften nadruk op de transcendentie van God. Hij is de God der goden, de Koning der koningen en de meest heilige God. De afstand tussen God en mens neemt toe. God komt verder af te staan van het dagelijkse leven van mensen en ook van het kwaad en het onheil dat op aarde plaatsvindt. In deze intertestamentaire geschriften zien we een enorme aandacht voor engelen als goede, en demonen als kwade machten. Via engelen is God aanwezig en stuurt hij de dingen op aarde. Via zijn engelen bindt hij de strijd aan tegen demonen als uitvoerders van het kwaad en tegen de satan als hun aanvoerder. Er was altijd al in het Oude Testament het besef dat er naast JHWH goden waren (Ps. 82) en demonische machten (Deut. 32:16-17; Ps. 106:37). Maar in de context van het monotheïsme kregen deze kwade machten niet veel aandacht en ruimte in de bijbelse geschriften. In de apocriefe boeken verandert dit. De twee eeuwen voor de komst van Jezus laten een enorme toename zien van interesse voor engelen, geesten en demonen in de joodse literatuur.

Een goed voorbeeld hiervan is het apocriefe boek Tobit. Tobias, de zoon van een oude en blinde joodse banneling uit Assyrië, wordt door zijn vader op pad gestuurd om een schat bij iemand in Medië op te halen. Op zijn reis krijgt Tobias gezelschap van de aartsengel Rafaël, die gestuurd is als antwoord op de gebeden van zijn vader Tobit en zijn toekomstige vrouw Sara. Zij stond zevenmaal op het punt te trouwen, maar al haar aanstaanden werden in de nacht voor het huwelijk gedood door de demon Asmodeus. Met hulp van Rafaël verslaat Tobias de demon, vindt hij Sara en brengt hij zijn vaders schat naar huis. God is op afstand, maar via zijn (aarts)engelen is hij bij het leven van mensen betrokken en bindt hij de strijd aan tegen het kwaad.

Net zoals de engelenwereld haar hiërarchie kent van engelen en aartsengelen, zo kent ook de wereld van de demonen een grote verscheidenheid. We komen namen tegen als Asmodeus, Semyaza, Azazel, Mastema, Beliar, de ene demon nog machtiger dan de andere en niet te vergeten satan als hoofd of aanvoerder van deze demonische wezens. In de jaren na het Nieuwe Testament duurt deze fascinatie voor geesten en demonen onverminderd voort. In de rabbijnse literatuur komen we regelmatig verwijzingen tegen naar kwade engelen en geesten. Er blijken maar liefst 123 verschillende demonen met naam en toenaam genoemd te worden.

Strategie
Kenmerkend voor deze kwade machten is dat zij met name door morele onreinheid mensen bij de levende God vandaan willen trekken. Het Testament van de Twaalf Patriarchen geeft allerlei doorkijkjes van hoe deze kwade machten hun invloed doen gelden. In het Testament van Ruben is seksuele zonde het gevolg van de inwerking van een geest van porneia (‘ontucht’, 6:3; 3:3). De jaloezie van Simeon ten opzichte van zijn broer Jozef is volgens het Testament van Simeon veroorzaakt door een archon (‘heerser’) van misleiding die zijn geest verblindde (2:6-7). De Joden in de eerste eeuw zagen de werkzaamheid van kwade geesten vooral op moreel vlak liggen, in de sfeer van de persoonlijke integriteit.

Dit is trouwens in lijn met wat de apostel Paulus in zijn brieven schrijft. In Efeziërs 4:26-27 roept hij bijvoorbeeld de gelovigen op om de zon niet over hun boosheid te laten ondergaan. Als er een conflict is tussen mensen, moeten zij dat voor de avond valt weer goed maken, anders geven zij de duivel een plaats (topos) in hun leven. Wanneer iemand een seksuele relatie heeft met de vrouw van zijn vader, moet hij uit de gemeente verwijderd worden en aan de satan overgeleverd worden (1 Kor. 5:1-5). De duivel gaat rond als een brullende leeuw en zoekt ingangspoorten (topoi) in levens van mensen (1 Petr. 5:8).

Jezus en zijn discipelen
Het is dus niet zo verwonderlijk dat het conflict van Jezus met geesten en demonen een grote rol speelt in de evangeliën. De wereld is bezet gebied en satan met zijn trawanten is de ‘aanvoerder (archon) van de demonen’ (Mat. 9:34; 12:24; Mar. 3:22; Luc. 11:15) en de ‘overste van deze wereld’ (Joh. 12:31; cf. Ef. 2:2). Dat Jezus gekomen is om de werken van de duivel (diabolos) te verbreken, zien we in de genezingen en bevrijdingen die hij doet. Het feit dat hij boze geesten uitdrijft, is een teken dat het koninkrijk van God op deze aarde komt (Mat. 12:28). Het is de apostel Paulus geweest die uit het werk van Jezus de conclusie heeft getrokken dat Jezus in zijn dood en opstanding alle kwade machten heeft overwonnen (Kol. 2:15). Wanneer Jezus zijn discipelen uitzendt de wereld in, laat hij hen delen in zijn overwinningsmacht (exousia; Mat. 28:18-20) en mogen zij onreine geesten uitdrijven en ziekten genezen (Mat. 10:1; Mar. 6:7; Luc. 9:1). De bevrijding van demonen is een teken dat vooruitwijst naar de dag dat God alle heerschappijen, machten en krachten teniet zal doen (1 Kor. 15:24). Het onheil van geesten en demonen heeft gelukkig dankzij Jezus niet het laatste woord.

Dr. G.C. Vreugdenhil is hervormd predikant te Woerden en was van 1998 tot 2007 docent Oude Testament aan de Evangelische Theologische Faculteit (FET) van Chili.

Literatuur

B. Ankarloo & S. Clark (eds.), Witchcraft and Magic in Europe, Vol. 1: Biblical and Pagan Societies, Philadelphia: University of Pennsylvania Press 2001.
B. Ankarloo & S. Clark (eds.), Witchcraft and Magic in Europe, Vol. 2: Ancient Greece and Rome, Philadelphia: University of Pennsylvania Press 1999.
C.E. Arnold, Powers of Darkness: Principalities and Powers in Paul’s Letters, Illinois: Intervarsity Press 1992.
H.D. Betz, The Greek Magical Papyri in Translation — Including the Demotic Spells, Vol. 1: Texts, Chicago: The University of Chicago Press 1996.
S.H.T. Page, Powers of Evil: a biblical study of Satan and demons, Grand Rapids: BakerBooks/Apollos 1995.
G.C. Vreugdenhil, Onheil dat voorbijgaat: Psalm 91 en de (oudoosterse) bedreiging van demonen, Zoetermeer: Boekencentrum, 2013.