DogmatiekIsraëlTheologie

De Christelijke Dogmatiek over ‘Israël en het verbond’

Ds. M.J. Schuurman schreef op zijn weblog onderstaand artikel naar aanleiding van de Christelijke dogmatiek van G. van den Brink en C. van der Kooi. We nemen het hier met zijn toestemming over.

 

De Christelijke Dogmatiek over ‘Israël en het verbond’

In hoofdstuk 9 gaat de Christelijke Dogmatiek in op de betekenis van het levende Israël.

§ 9.1 Terminologische verheldering
In de discussies over Israël is het lang niet altijd helder wat er met Israël bedoeld wordt. Van den Brink en Van der Kooi noteren 5 verschillende betekenissen:
– Israël als moderne staat
– het gebied dat overeenkomt met het Bijbelse Kanaän
– Het volk Israël zoals dat in de Bijbel aan de orde komt
– Het volk Israël zoals dat vandaag de dag bestaat
– Vertegenwoordigers van het Joodse geloof of van het Jodendom

Voor de Christelijke Dogmatiek zijn alle betekenissen van belang. Er wordt bewust gekozen voor Israël ‘in de eerste plaats te beschouwen als een als een aanwijsbare volksgemeenschap waaraan God zich heeft geopenbaard en zijn beloften heeft geschonken’ (p. 312)
Israël is daardoor zowel een volk als een geloof (Jodendom). Met dat volk heeft God zijn verbond gesloten. Als onderdeel van de belofte van het verbond behoort ook het land aan de orde te komen.

§ 9.2 Gedeelde verwachting
Volgens Van den Brink en Van der Kooi delen christenen en Joden in dezelfde verwachting: namelijk de verwachting van Gods koninkrijk. Deze verwachting is allereerst aan Israël geschonken en de niet-Joodse gelovigen mogen delen in die verwachting. Deze verwachting werd al door de profeten uitgesproken en wordt ook door Jezus verkondigt.
De kerk deelt in deze verwachting. Omdat christenen in die verwachting delen heeft het Jodendom een andere positie dan de (andere) wereldgodsdiensten. De kerk is dan ook niet in de plaats van Israël gekomen, zoals de vervangingstheologie leert. (Vervanging: de kerk vervangt Israël in het heilsplan van God, de kerk komt in plaats van Israël). Daarom is het volgens de auteurs niet mogelijk om zending onder de Joden te bedrijven, want zij hebben al deze verwachting. In plaats van zending gaat het om gesprek met Israël.

§ 9.3 Het problematische kerkelijke verleden en de noodzaak tot herbezinning
De rol van Israël in Gods heilsplan is niet voorbij. Daarom moet de dogmatiek ook aandacht hebben voor het levende Israël. De aandacht voor Israël is van recente datum: van na de Tweede Wereldoorlog en vooral na het besef van de Sjoah dat in de jaren-’60 begint door te dringen en de Zesdaagse oorlog 1967.
In het verleden werden de Joden geregeld negatief bejegend door christenen:
– zij werden als moordenaars van Christus gezien.
– Antisemitisme heeft voor een belangrijk deel de kerkgeschiedenis gestempeld. Zie bijvoorbeeld het boekje van Luther uit 1543: Over de Joden en hun leugens

(Waarbij Van den Brink en Van der Kooi de complexe interpretatie van dit boekje tekort door de bocht behandelen. Dat er over dat boekje een hele discussie is, melden zij niet. Eveneens als de discussie die nog steeds doorgaat. Denk hierbij aan het recente boek van Thomas Kaufmann, Luthers Jüdenschriften of aan het artikel van Hans-Martin-Barth)

Er kwam door de shoah een discussie op gang of het antisemitisme zelfs niet teruggaat op het Nieuwe Testament. (Zie de stelling van de feministische theologe Rosemary Radford Ruether: de manier waarop het NT Christus presenteert moet wel tot antisemitisme leiden.)

Nog steeds roept het christelijk nadenken over Israël veel emoties op. Volgens de Christelijke Dogmatiek is er in de hedendaagse dogmatiek nog steeds weinig aandacht voor het levende Israël. Eén markante uitzondering is: Friedrich Wilhelm Marquardt, die de hele christelijke theologie opnieuw doordenkt vanuit het schokkende feit van de shoah.

De gereformeerde traditie is trouwens altijd positief geweest over het levende Jodendom. Calvijn hield eraan vast dat de beloften uit het Oude Testament nog steeds voor het Joodse volk van toepassing waren en niet in zijn geheel overgingen naar de kerk. De calvinistische traditie zingt alle 150 psalmen (uniek in de wereld), zonder deze psalmen vanuit Christus te zien. De statenvertalers raadpleegden Joodse rabbijnen voor de vertaling van het Oude Testament.

Binnen het Joodse volk is er een kleine – volgens de Christelijke Dogmatiek: een buitengewoon interessante – groep in het Jodendom, die Jezus erkent als Messias. Deze groep houdt echter vast aan de besnijdenis.

§ 9.4 Structurele tweevoudigheid
Door het bestaan van het levende Israël kent de dogmatiek een tweevoudigheid die structureel is: zowel Israël als de kerk hebben een rol in het heilsplan van God. Met de komst van Christus en/of de kerk is het verbond met Israël niet opgeheven.
Gevolg van deze blijvende plaats van Israël in het heilsplan van God, vanwege het eeuwigdurende verbond van God met Israël is het van groot belang voor de dogmatiek vast te houden aan het feit dat Jezus een Israëliet was:
– Jezus legde de weg van Israël af.
– Jezus laat zien welke weg Israël nog zal afleggen. Jezus en Israël zullen niet gescheiden zijn.
Ook de opstanding bevestigt de plaats van Israël in het heilsplan van God: door Jezus op te wekken uit de dood laat God zien dat Hij Jezus erkent als messias van Israël.

Consequenties van deze structurele tweevoudigheid:
– Jezus en Israël horen bij elkaar.
– De kerk zou moeten kiezen voor de Joodse canon en de volgorde die Joden aanhouden: Torah, Profeten, Geschriften.
– De kerk erkent het eerstgeboorterecht van Israël.
De auteurs willen hun model voor de plaats van Israël in de dogmatiek inlijvingstheologie noemen. (de kerk wordt ingelijfd in het verbond van God met Israël).

§ 9.5 Verbond, wet en verbondsproblematiek
Voor zowel de kerk als het Jodendom is het verbond een belangrijke thematiek van het geloof. Het verbond wordt door God in het leven geroepen (monopleurisch van inzet), maar heeft als consequentie dat God en mens zich daaraan houden (dipleurisch van uitwerking). In het houden van het verbond ligt het leven van de mens. Buiten dit verbond dreigt de chaos en de dood.
Verschil tussen Jodendom en kerk is, dat de kerk leert dat de mensen niet meer uit zichzelf het verbroken verbond kunnen herstellen. Jodendom en kerk hebben een andere visie op Genesis 3. De lijn van de kerk komt ook al wel voor in het Oude Testament.

Het Jodendom kent verschillende kenmerken die moeten laten zien dat het Joodse volk zich aan het verbond met God houdt (de zgn. identity markers):
– het land
– de besnijdenis
– de sabbat
– de wetten over eten en reinheid.

§ 9.6 De betekenis van Jezus voor het verbond met Israël
Het Nieuwe Testament laat zien dat Jezus allereerst kwam als messias voor Israël en pas in tweede instantie voor de (niet-Joodse, heidense) volkeren. Hij kwam om het verbond met Abraham te volbrengen. Na Pinksteren wordt de kring breder getrokken naar de niet-Joodse volkeren.

Daarom kan niet gezegd worden, dat Jezus alleen kwam met het oog op de volkeren. Hij en Israël kunnen niet van elkaar losgemaakt worden.
Door de komst van Christus leest de christen het Oude Testament vanuit Christus: de oude teksten krijgen in het licht van Christus’ komst een nieuwe betekenis; tegelijkertijd worden de wetten en regels gehandhaafd of zelfs aangescherpt.
Door de komst van Christus worden ook de identity markers. Niet de besnijdenis is meer het teken van het verbond. Wat wel laten de auteurs in het midden. De doop of iets anders?

Jezus zag zijn komst als vervulling van de komst van Gods koninkrijk (vooral zijn sterven.) Voor degenen die in Jezus als Messias geloven is Jezus tot de identiteit van God gaan behoren. De God van Israël en de gekruisigde messias horen bij elkaar.

§ 9.7 De onvoltooidheid van de verlossing
Een belangrijk bezwaar van Joden tegen Christus als messias is dat met Zijn komst het koninkrijk van God nog niet definitief is aangebroken. De universaliteit, d.w.z. het wereldomvattende, van de verlossing ontbreekt nog. Christenen gaan daarom uit van een tussentijd van de komst van Christus als voorlopig aanbreken van het koninkrijk naar zijn wederkomst als definitief moment van aanbreken.

§ 9.8 Wat nemen we mee?
– Als het levende Israël voor de dogmatiek van belang is, wordt het ook belangrijk om aandacht te besteden aan het concrete leven van alledag (een positieve waardering van het aardse).
– Christus is de concrete plaats van het heil. Hij is in de hemel, maar ook in de gemeente en in de gelovige. Daarom kan de kerk en de gelovige tempel van de Heilige Geest zijn.
– De Geest legt beslag.
– De belofte van het land blijft voor Israël en het verbond van blijvende betekenis.
– de Kerk bidt met Israël om de komst van Gods koninkrijk.
– de kerk kan nooit een vervangingsdenken accepteren.
– De kerk neemt het appèl tot levensheiliging serieus.

Kritische vragen:
(1) De vraag is of de Christelijke Dogmatiek het levende Israël zelf wel serieus genoeg neemt. Er komen slechts enkele Joodse stemmen aan het woord, die over het algemeen redelijk positief zijn.
Is het niet zaak om vast te houden dat er vanuit het Jodendom ook veel kritischere geluiden zijn, die ontkennen dat Jezus de messias is?

(2) Wil het levende Israël wel een plaats in de (christelijke) dogmatiek? Wat als het Joodse volk ‘nee’ blijft zeggen tegen Jezus als messias? Wat als het Joodse volk niet onopgeefbaar verbonden wil zijn met de kerk? Kunnen wij dat dan ook in onze dogmatiek accepteren? Hadden de auteurs niet ook het nee van Israël moeten meenemen?

(3) Laat het hoofdstuk over de triniteit niet bij uitstek zien, dat de Christelijke Dogmatiek zelf ook weinig doet met het levende Israël? Wordt in dat hoofdstuk niet te gemakkelijk verondersteld dat er trinitarische sporen in het Oude Testament voorkomen? Waarom wordt in dat hoofdstuk over de triniteit het gesprek niet aangegaan met bijvoorbeeld Joodse oudtestamentici?

(4) Wordt met de erkenning van het levende Israël niet te gemakkelijk een leeswijze van het Oude Testament aangehangen vanuit Christus? Had vanuit het gesprek met Israël dit niet meer geproblematiseerd moeten worden?

(5) Is de overname van de Joodse canon niet te simplistisch? Om welke canon gaat het dan? Hoort Jezus Sirach erbij? Of het boek van Henoch (dat in de Ethiopische kerk canoniek is)? Deze geschriften zijn immers van oorsprong in het Hebreeuws geschreven?

(6) Is er niet meer ruimte voor het levende Israël in de dogmatische visies van Pannenberg ea dan de auteurs hier suggereren? In zijn ecclesiologie laat iemand als Pannenberg toch zien, dat hij besef heeft van het levende Israël?

(De Barth-leerling Busch heeft ook zelfstandig veel gepubliceerd over de betekenis van Israël. Hans-Joachim Kraus schreef naast zijn verschillende dogmatieken, die de verwachting van het rijk van God als uitgangspunt hadden, ook het boek Terugkeer naar Israël.
En als Franz Mussner genoemd wordt, waarom dan geen aandacht voor Norbert Lohfink of Erich Zenger? – om maar enkele voorbeelden te noemen.

Daarnaast: komt Bultmann niet tekort door de bocht aan bod? Op zijn minst had toch uitgelegd kunnen worden hoe hij aan zijn gedachte komt van de geschiedenis van Israël als mislukking? Bovendien: ook Bultmann heeft geregeld Joden geholpen in het Hitlertijdperk en dan niet zoals Barth vanuit het buitenland, maar in Duitsland zelf. Dat kwam in die periode vaker voor: theologisch een negatieve visie op het Jodendom, maar in praktijk goed contact met het levende Israël van die tijd.)

(7) De auteurs geven aan dat Jezus’ missie allereerst voor het Joodse volk bedoeld was. Naar mijn idee is dat niet hard te maken. Allereerst zijn alle evangeliën geschreven na Pinksteren. Bovendien gaan in ieder geval Mattheüs en Lukas er bij het schrijven van hun evangeliën ervan uit dat Jezus niet alleen voor het Joodse volk gekomen is, maar voor het Joodse volk en de andere volken samen. Of maken de auteurs hier een onderscheid tussen de historische Jezus voor Pasen en de verkondigde Jezus van na Pasen/Pinksteren? En wat betekent dat voor de gehele opzet?

(8) Waarom eigenlijk zoveel verwijziging naar Berkhof? Waarom niet het gesprek aangegaan met Marquardt, Van de Beek, Miskotte of andere theologen? Zo bijzonder is Berkhofs visie toch ook niet?

(9) Klein exegetisch detail, maar in de discussie over Israël niet onbelangrijk. Op pagina 328 wordt de bekende tekst Romeinen 11:17 aangehaald: – over het beeld van de takken die ingelijfd worden en de wortel die draagt. Volgens de auteurs wordt met de wortel Israël bedoeld. Naar mijn idee is dat niet terecht en wordt dat in de exegese ook niet zomaar gedeeld. Naar mijn idee bedoelt Paulus met de wortel wel degelijk Christus of anders het verbond. Dan wordt de gelovigen uit de volkeren niet in Israël ingelijfd, maar samen met Israël in Christus of in het verbond.

 

Voor meer informatie over Christelijke dogmatiek, klik hier.

3 reacties

  1. Ab Strijker
    5 maart 2014 om 21:03

    M.i. moet er nog iets aan toegevoegd worden i.v.m. de status van Israël. In de dogmatiek wordt altijd verondersteld dat God spreekt. Maar God spreekt niet. Hij heeft nog nooit gesproken en zal ook nooit spreken. Gelukkig maar! Hoe meer we veronderstellen dat God spreekt, hoe meer we God voor ons eigen karretje spannen. De Evangelikalen, de orthodoxen, de vrijzinnigen, allen zouden, binnen elke Godsdienst (Hindoeïsme, Boedisme, Islam, enz.) God dan claimen. Zeker als we het O.T. lezen moeten we wel aannemen dat God niet sprak. Daardoor zijn er in het verleden zoveel misstanden ontstaan op religieus gebied. Want de hele Bijbel is, van begin tot het einde, door mensen geschreven, mensen die leefden in andere tijden, andere culturen en onder andere omstandigheden. Dogma’s passen niet meer in deze tijd.

  2. hans valk
    7 maart 2014 om 16:40

    ik ben het en nog heel velen helemaal met Ab Strijker eens. wat nu met al die vele die het met Ab eens zijn. Stel dat die velen gelijk hebben (God heeft dus persoonlijk in leven de lijve met Abraham gesproken, niemand was daarbij getuige, hoe moet dan verder? Het was maar een dogma. Ik ben geen antisemiet, maar hoe moet het verhaal dan in deze tijd luiden?

  3. hans valk
    7 maart 2014 om 16:57

    ik ben het en nog heel velen helemaal met Ab Strijker eens. wat nu met al die vele die het met Ab eens zijn. Stel dat die velen gelijk hebben (God heeft dus NIETpersoonlijk in leven de lijve met Abraham gesproken, niemand was daarbij getuige, hoe moet dan verder? Het was maar een dogma. Ik ben geen antisemiet, maar hoe moet het verhaal dan in deze tijd luiden?