Kerkgeschiedenis

De actualiteit van Dietrich Bonhoeffer – door Gerard Dekker

BonhoefferGodsdienstsocioloog Gerard Dekker verzamelde 366 tekstfragmenten van Dietrich Bonhoeffer die de gehele breedte en diepte van zijn gedachtewereld beslaan en stelde ze samen tot een thematisch dagboek. Dekker schrijft hieronder over de grote belangstelling die er nog steeds voor het werk van Bonhoeffer bestaat.

 
De in de vorige eeuw bekende en spraakmakende theologe Dorothee Solle zei eens dat de enige Duitse theoloog die in de eenentwintigste eeuw nog de moeite waard zal zijn om te lezen Dietrich Bonhoeffer zal zijn. Het ziet er naar uit dat zij gelijk zal krijgen. Aan geen enkele theoloog is in het begin van deze eeuw zoveel aandacht besteed als aan Dietrich Bonhoeffer, de theoloog die in het begin van de vorige eeuw leefde en werkte als docent aan de universiteit van Berlijn en (in binnen- en buitenland) als predikant, en die een leidende functie vervulde in de toenmalige Belijdende Kerk. Er zijn in de loop van de tijd al meer dan 50.000 studies over hem verschenen en er is een internationaal Bonhoeffer Werkgezelschap met in veel landen (ook in Nederland) een afdeling, waar gewerkt wordt met de erfenis die Bonhoeffer heeft achtergelaten.

Vanwaar die belangstelling? Daar zijn, denk ik, verschillende redenen voor. Er is de persoon Bonhoeffer, die zich immers met hart en ziel verzet heeft tegen het Hitler-regime en die als gevolg daarvan de laatste jaren van zijn leven in gevangenschap heeft moeten doorbrengen en vlak voor het einde van de Tweede Wereldoorlog op persoonlijk bevel van Hitler werd vermoord. En er zijn zijn vaak revolutionaire opvattingen over God, over Jezus, over het geloof en over de bijbel, die in veel opzichten afwijken van de onder veel christenen levende opvattingen en die veel christenen aan het denken hebben gezet. Hij bleek in staat  in zijn gedachtewereld en in zijn leven diepe vroomheid en radicale betrokkenheid op de wereld te combineren, waardoor hij veel mensen heeft geïnspireerd.
Hier wil ik wijzen op één aspect van zijn hele gedachtewereld, een aspect waardoor hij ook nu nog actueel is, en dat betreft zijn waardering van de ontwikkeling van de wereld in het licht van het christelijk geloof. En dan doel ik op het ontstaan van de moderne wereld als gevolg van de ontwikkelingen in met name de laatste eeuwen.

Mondig
Er is, zo schrijft Bonhoeffer in een van de brieven die uit de gevangenis zijn gesmokkeld, een grote ontwikkeling, die naar de autonomie van de wereld leidt. God als werkhypothese is overwonnen; het is een kwestie van intellectuele redelijkheid deze werkhypothese te laten vallen of ze uit te schakelen voor zover dit maar enigszins mogelijk is. De kennis omtrent de wereld en de mogelijkheden om deze wereld vorm te geven zijn in de loop van de tijd sterk toegenomen. En de mensen weten zich daarin in toenemende mate onafhankelijk van buiten hen liggende krachten, ook dus van God. Althans van de God die, zoals Bonhoeffer het formuleert, functioneert als de gaatjesvuller, als stoplap, dat wil zeggen de God die wij met name nodig hebben wanneer onze kennis en onze capaciteiten tekortschieten.
Deze ontwikkeling werd en wordt met verschillende termen aangeduid. De grote socioloog Max Weber sprak in de vorige eeuw over de onttovering van de wereld. Daarmee doelde hij op de modernisering van de samenleving, waardoor wetenschappelijke verklaring belangrijker werd dan geloof en waarin gehandeld wordt op basis van ons rationele denken. Bonhoeffer zelf spreekt vooral over het mondig-worden van de wereld. Waarbij hij zonder twijfel dacht aan de omschrijving die de filosoof Kant gaf van de Verlichting, namelijk het uittreden van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft.
Onmondigheid wordt dan gezien als het onvermogen zich van zijn verstand te bedienen zonder de leiding van een ander, ook dus zonder de leiding van een kerk, van een godsdienstig denken of van God. Vandaar dat Bonhoeffer in het hiervoor gegeven citaat ook het woord ‘autonomie’ gebruikt. Anderen, met name in de christelijke wereld, duiden deze hele ontwikkeling aan met de term secularisatie, omdat men ziet dat door deze hele ontwikkeling God en godsdienst naar de rand van het leven worden verdrongen.
Deze termen drukken duidelijk een verschillende waardering van de ontwikkeling van de wereld aan. Webers term, de onttovering van de wereld, is vooral beschrijvend van aard. Maar de termen secularisatie en mondig-wording drukken een zekere waardering uit.
Bonhoeffer gebruikt in zijn beschrijving en waardering van het steeds meer autonoom worden van de wereld niet de term secularisatie. Ja, hij had zelfs een afkeer van de negatieve, veroordelende klank van dit woord. Hij stond positief tegenover het autonoom, het mondig worden van mens en wereld. Dat was een nieuw geluid. Want het overheersende christelijke denken stond er negatief tegenover. Nog in de jaren vijftig van de vorige eeuw schreef de gereformeerde ethicus Brillenburg Wurth (waarlijk geen conservatieve theoloog!) in de Christelijke Encyclopedie: Tegelijk echter gaat deze wereld steeds meer de weg van de zondige emancipatie op. Ze voelt zich zoals nooit te voren mondige wereld (Bonhoeffer). Ze acht zich volledig selfsupporting. Van God afgevallen en steeds meer zich van Hem vervreemdend gaat haar leven steeds duidelijker het karakter van Eigengesetzlichkeit [eigenwettelijkheid] dragen.’

God en mens niet tegenover elkaar
In dezelfde brief waaruit ik hierboven citeerde schreef Bonhoeffer: Waar is nog ruimte voor God, vragen angstige zielen zich af; en omdat ze op deze vraag geen antwoord weten, verdoemen ze de hele ontwikkeling die hen in een dergelijk moeilijk parket bracht. Dat was de houding van het grootste deel van de christenheid: een veroordeling en afwijzing van deze gang van zaken. Met als gevolg dat we in de situatie zijn terechtgekomen waarin het mondig-worden van de wereld en de hele beweging van de Verlichting enerzijds en de christelijke godsdienst anderzijds als twee tegenover elkaar staande verschijnselen worden ervaren. Volgens sommigen is er zelfs een niet te overwinnen tegenstelling tussen deze twee werelden. Zoals een theoloog en kerkelijke  functionaris onlangs nog zei dat we door onze zonden en door het filosofisch denken van de Verlichting de hemel toegesloten hebben; maar dat bij God alles mogelijk is, zelfs dat we weer naar de tijd van voor de Verlichting teruggaan.

Bonhoeffer maakt ons er overigens op attent dat het christendom hier zelf een tegenstelling heeft gecreëerd. De Verlichting was immers niet per definitie anti-godsdienstig; er waren zeer gelovige verlichtingsfilosofen. Maar het christendom heeft de hele beweging van het autonoom worden, het mondig-worden van de wereld van het begin af aan als anti-christelijk bestempeld. Het gevolg was dat elke stap in de richting van het mondig-worden op het christendom veroverd moest worden en dat die beweging in de richting van het mondig worden zichzelf daardoor ook als anti-christelijk is gaan beschouwen en benoemen. Zoals Bonhoeffer het formuleerde: God en Christus worden bestempeld en gebruikt als tegenstanders van deze ontwikkeling en naarmate men dat doet, gaat deze ontwikkeling zichzelf beschouwen als anti-christelijk. De benoeming en verwoording van die ontwikkeling beïnvloedde dus de verdere ontwikkelingen en versterkte de tegenstelling tussen Verlichting en christelijke godsdienst.
Een dergelijke ontwikkeling heeft zich in Nederland ook voorgedaan met betrekking tot het socialisme. Vanaf de opkomst van het socialisme heeft de kerk zich tegen deze beweging verzet. Daardoor kwam het socialisme ook in verzet tegen de kerken en heeft het zich publiekelijk, tot in de jaren dertig van de vorige eeuw, tegen godsdienst verklaard; hetgeen de strijd tussen christendom en socialisme versterkte. En nog is de spanning tussen het christelijk-godsdienstig leven en het socialisme niet verdwenen, zoals nog regelmatig, bijvoorbeeld in het politieke, maar ook in het kerkelijke leven, te constateren valt. Dat het ook anders had gekund bewijst de geschiedenis in Engeland, waar een sterke Christen-Socialist Movement is ontstaan, waardoor er vanaf het begin geen tegenstelling tussen christelijke godsdienst en christelijke kerk enerzijds en het socialisme anderzijds werd ervaren. Ook dit voorbeeld bewijst (en daarom noem ik het) hoe belangrijk de woordelijke benoeming van verschijnselen en ontwikkelingen voor het verdere verloop van die ontwikkelingen kan zijn.

Bonhoeffer heeft de negatieve houding van de christelijke godsdienst tegenover het mondig worden van de wereld scherp veroordeeld: De aanval van de christelijke apologetica op de mondigheid van de wereld vind ik in de eerste plaats zinloos, in de tweede plaats onfatsoenlijk en in de derde plaats onchristelijk.
Zinloos, omdat het mij een poging lijkt volwassenen terug te wijzen naar hun puberteit, hen afhankelijk te maken van dingen waarvan ze niet meer afhankelijk zijn, hun problemen aan te praten die geen problemen meer voor hen zijn.
Onfatsoenlijk, omdat hier de zwakheid van de mens wordt uitgebuit om hem te winnen voor een doel dat hem vreemd is, dat hij niet vrij gekozen heeft.
Onchristelijk, omdat Christus hier verward wordt met een bepaalde fase in de religieuze ontwikkeling, dat wil zeggen met een menselijke wet.

Door vast te houden aan de tegenstelling tussen de mondigwording van de mens en het christelijk geloof zijn velen met hun geloof in de knoop gekomen. God en mens werden als het ware tegenover elkaar gesteld en tegen elkaar uitgespeeld. De overheersende gedachte in de traditionele christelijke godsdienst was dat het optreden en de macht van de mens ten koste gaat van de macht, de autoriteit van God. Dat betekende dus dat men als christen niet kon deelnemen aan de hele beweging in de richting van autonomie en mondigwording van mens en wereld, en zich dus als het ware moest terugtrekken uit de wereld, dat men het bestaande geloof in God moest loslaten. En het was met name het laatste wat gebeurde.

De mens als medewerker van God
Ik zeg met nadruk: het bestaande geloof in God, een geloof in God dat gebaseerd is op de idee van een God die almachtig is en waarvan de mens dus in al z’n doen en en laten afhankelijk is. Waardoor de mens dus niet mondig mag en kan worden, omdat dat aan Gods macht tekort zou doen. Dat is het geloof dat hoort bij een bepaalde fase van de religieuze ontwikkeling (zoals Bonhoeffer het formuleerde). Dat Godsidee moeten we volgens Bonhoeffer loslaten. We moeten op een andere wijze over God gaan denken. Hetgeen direct gevolgen heeft voor onze opvattingen over de relatie tussen God en mens. Kort te kort– geformuleerd: niet de mens als concurrent van God, maar de mens als medewerker van God. En dat kan als we de menswording van God maar serieus nemen, want God is mens geworden! De menswording van God speelt dan ook in de gehele gedachtewereld van Bonhoeffer een grote rol.
Dan komt de mondigheid van mens en wereld niet tegenover God te staan, gaat de mondigheid van mens en wereld niet ten koste van God en het geloof in God, maar is deze mondigheid juist overeenkomstig de bedoelingen van God met mens en wereld en ligt deze mondigheid juist in het verlengde van het geloof in God. Dan kan men dus juist vanuit het christelijk geloof positief staan tegenover de groeiende autonomie van mens en wereld. Wanneer Jezus, zo merkte Bonhoeffer eens op, niet zichzelf maar zijn discipelen het zout noemt, dan draagt hij de werkzaamheid op aarde aan hen over. Hij betrekt hen in zijn werk. (Ter voorkoming van misverstand: dit betekent uiteraard niet dat men positief komt te staan tegenover alle ontwikkelingen en resultaten van die ontwikkelingen die zich in het kader van die groeiende autonomie voordoen er is voldoende om kritisch tegenover te staan, daar had ook Bonhoeffer weet van maar het gaat om het feit dat mens en wereld steeds autonomer, steeds mondiger kunnen en mogen optreden).
Bij Bonhoeffer dus geen tegenstelling tussen God en mens en tussen God en wereld. Integendeel, het gaat God om mens en wereld en niet zoals nog veel christenen schijnen te denken om de kerk; zelfs niet om de christelijke godsdienst. Het gaat in het geloof om de wereld en de mensheid.
Om de wereld, want het geloof wordt in de wereld beleefd en niet daarbuiten. Met de woorden van Max Weber: geen buiten-wereldlijke gelovigheid (ausserweltlichen Askese), maar binnen-wereldlijke gelovigheid (innerweltlichen Askese). En om de mens, het mens-zijn. Op talrijke manieren heeft hij daar uitdrukking aan gegeven: Christen-zijn betekent niet op een bepaalde manier religieus zijn, het betekent mens zijn. En: Jezus roept niet op tot een nieuwe religie, maar tot het leven.
Dat God en deze wereld alles met elkaar te maken hebben, ja, in elkaars verlengde liggen, is nauwelijks sterker uit te drukken dan Bonhoeffer heeft gedaan toen hij schreef: Als u God wilt, houdt u dan aan de wereld. Dezelfde gedachte komt tot uitdrukking in zijn uitspraak: Als u de eeuwigheid wilt vinden, dien dan de tijd.

Nog steeds wordt er zowel door veel christenen als door veel niet-christenen die volop in de wereld bezig zijn een tegenstelling tussen het christelijk geloof en het steeds autonomer worden van de wereld ervaren en uitgesproken. Dat laatste is vooral het geval als die autonomie toegeschreven wordt aan een bepaalde invulling van de Verlichting. Deze opvatting en houding maken naar beide zijden slachtoffers, zowel naar de zijde van het geloof als naar de zijde van de wereld. Naar de zijde van het geloof, omdat christenen die wereldlijk leven vaak het geloof waarin zij zijn opgegroeid voelen aangetast; zij krijgen daar steeds meer moeite mee, zij kunnen dat steeds moeilijker met hun geloof in overeenstemming brengen. Maar ook naar de zijde van de wereld, omdat christenen zich tegen allerlei ontwikkelingen verzetten, als zij met de ontwikkelingen meegaan, dat vaak met aarzeling en terughoudendheid doen. Met als gevolg dat zij in hun optreden vaak  conservatief zijn of als zodanig worden ervaren.
Bonhoeffer kan ons leren dat men met een bepaalde geloofsopvatting en -houding volop aan het steeds autonomer, het steeds mondiger worden van de wereld kan meewerken. Ja, dat geloof in een God, wiens doel immers een nieuwe aarde is, waarin Hij alles in allen zal zijn, van een christen zelfs vraagt om wereldlijk te leven. En, hoe merkwaardig dat ook mag klinken, zo’n wereldlijk leven kan het geloof juist weer versterken. Dat is althans de ervaring van Bonhoeffer blijkens een van zijn uitspraken: dat hij heeft ervaren en ik ervaar het tot op dit moment, dat je pas leert geloven als je midden in de aardsheid van dit leven staat.

Nog steeds heeft Bonhoeffer christenen veel te zeggen, vooral ook als het gaat om hun houding tegenover en hun staan in de wereld. Daarom is het geen wonder dat velen nog door hem en door zijn gedachten geboeid zijn. Want die gedachten zijn nog volop actueel.

Een enigszins ingekorte versie van dit artikel is geplaatst in het Friesch Dagblad van 19 november 2011.

Prof. dr. Gerard Dekker is emeritus hoogleraar godsdienstsociologie aan de Vrije Universiteit. Eerder publiceerde hij bij Meinema Leren geloven met Bonhoeffer en Heeft de kerk zichzelf overleefd? Beschouwingen over de rol van de kerk in de moderne samenleving.