MaatschappijTheologie

Dat Koninkrijk, verwachten we dat nog?

Vrijdagmiddag 29 november vond er een bijeenkomst plaats naar aanleiding van het nieuwe boek van prof. dr. Gerard Dekker Dat Koninkrijk, verwachten we dat nog?. Eén van de sprekers was prof. dr. Gerben Heitink. De volledige tekst van zijn lezing kunt u hieronder nalezen.

***

Graag wil ik Gerard Dekker van harte gelukwensen met de verschijning van zijn essay over het Koninkrijk. Een prikkelend en uitdagend boek, dat niet onbesproken mag blijven. Het klinkt als een klaroenstoot, waarbij ik moest denken aan een strofe uit een bekend Gezang: ‘Wek de dode christenheid uit haar zelfverzekerdheid’. Gerard Dekker in een profetische rol.

Met dit boek daagt hij de kerk uit om met nieuwe ogen naar ontwikkelingen in de samenleving te kijken en deze te verstaan in het licht van het komende Koninkrijk. Ik hoop dat theologen en kerkelijke gemeenten deze handschoen durven oppakken.

Ik maak een vijftal kanttekeningen bij dit boek, als blijk van waardering en bijdrage aan een verder gesprek.

1Vooruitgang
Allereerst: Gerard Dekker gelooft in vooruitgang. Dat vind ik verrassend, want velen kennen hem vooral als de profeet van de secularisatie, door hem gedefinieerd  als achteruitgang van godsdienstigheid en kerkelijkheid. Daarmee heeft hij veel kerkelijke opinieleiders tegen zich in het harnas gejaagd. Dit nieuwe boek is heel anders. Het ademt een en al optimisme. Hoe kan dat? Is Gerard Dekker bekeerd?

Als dat zo is dan is dat te danken aan Bonhoeffer. In dit boek voegt hij aan het begrip secularisatie een nieuwe betekenis toe. Hij roept ons op ‘de gegroeide autonomie van mens en wereld anders dan tot nu toe te waarderen: niet als secularisatie in de zin van een toenemende ongodsdienstigheid, maar als mondig-wording, waardoor God ‘alles in allen’ wordt’ (125). Dit is naar mijn mening niet minder dan een spirituele omwenteling noemen?

2. Het Koninkrijk
Mijn tweede kanttekening heeft betrekking op Dekkers theologische interpretatie van ‘de Komst van het Koninkrijk’. Zo luidt de titel van het bekende boek van Herman Ridderbos. Het verscheen in 1950 en heeft destijds de gereformeerde prediking aanmerkelijk opgefrist. Het Koninkrijk van God is gekomen en het komt. Dat is de kern van de prediking van Jezus en in dit licht verstaat Dekker de Europese geschiedenis. Hij ziet in historische ontwikkelingen – om met Gijs Dingemans te spreken – de ‘stuwkracht’ van God.

Dit klinkt gewaagd, maar ik wil erop wijzen dat de interpretatie van Dekker theologisch zuiver blijft. Nergens identificeert hij politieke en maatschappelijke ontwikkelingen met het Koninkrijk van God. Hij bewaart eerbiedig afstand in het besef dat hij zich op glad ijs beweegt. Voorzichtig spreekt hij van ‘ontwikkelingen in de richting van het Koninkrijk’.

Dekker spreekt van een visioen. Zijn operationalisering van het Koninkrijk in Bijbelse termen reikt daarom verder dan de betekenis die Jezus zelf aan het Koninkrijk geeft. Dekker breidt dat begrip Koninkrijk voor mijn besef uit naar heel de Bijbelse toekomstverwachting. Ook de profetieën van Deuterojesaja, de brieven van Paulus en de Openbaring van Johannes worden erin betrokken. Het boek gaat over eschatologie en geschiedenis in een sociologische duiding van ‘de tekenen der tijden’.

Als theoloog vraag ik me af: Kan dat? Kun je zo met bijbelse teksten omgaan? Via de hermeneutiek hebben we deze vorm van schriftbewijs een beetje achter ons gelaten. En wat het Koninkrijk betreft lijkt me de tekstkeuze ook wat eenzijdig. Jezus roept ons niet op het Koninkrijk in kaart te brengen maar het Koninkrijk binnen te gaan. Jezus’ oproep heeft vooral een spirituele dimensie. Het schept ruimte voor wie gekleineerd worden, want laatsten worden eersten.

Het Koninkrijk werkt als een verborgen kracht, het blijft een geheimenis. Jezus spreekt daarom vooral in de taal van gelijkenissen. Wie oren heeft hore. Ik citeer als contrast deze gelijkenis: ‘Het is met het Koninkrijk als met een mens die goed zaad op zijn akker uitzaaide. Terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand onkruid tussen het graan zaaien en vertrok weer.’ (Mt. 13, 24v.) Bij het opgroeien stellen knechten de vraag, die wij ook vaak stellen: ‘Vanwaar dat onkruid? Waar komt het kwaad vandaan?’ In deze wereld zijn goed en kwaad tot in de wortels met elkaar verstrengeld tot de dag van het oordeel. Voor Augustinus was dit een belangrijk gegeven in zijn visie op de geschiedenis. Mijn vraag luidt dan ook: Moet je in een operationalisering van het Koninkrijk niet ook het groeiende kwaad en het lijden een plaats geven? Het Koninkrijk roept verzet en tegenkrachten op.

Ik denk in dit verband aan een boek van Henk Berkhof, Christus de zin der geschiedenis. Het verscheen in mijn studententijd en maakte op mij een diepe indruk. Volgens Berkhof kunnen we in Jezus’ weg van het Koninkrijk twee historische lijnen onderscheiden: ‘Christus de gekruisigde in de geschiedenis’, de gemeenschap aan zijn lijden, de groei van het kwaad, de antichrist en daarnaast ‘Christus de opgestane in de geschiedenis’. Geeft Dekker voldoende ruimte aan die donkere kant van de geschiedenis? Goed en kwaad zijn tot in de wortels verstrengeld. Het is onbeschrijflijk wat mensen elkaar aandoen. Daarom gaat de proclamatie van het Rijk in Jezus’ woorden gepaard met een oproep tot bekering.

3. Europa en het christendom
Mijn derde kanttekening gaat over Dekkers visie op Europa. Ik heb daar onlangs
zelf een boek over geschreven, dat Gerard met instemming citeert, maar waarmee hij niet kan verbloemen dat onze basisconcepten verschillen. Dekker ziet met Bonhoeffer het christendom als dé cultuurvormende kracht van de Europese geschiedenis. De christelijke toekomstverwachting doorbrak ‘het cyclisch denken van de klassieken’ (7, 90). Dit lijkt me een onderschatting van de klassieke cultuur, die bepaald niet cyclisch dacht. Het toekomstgerichte teleologische denken over de geschiedenis hebben we te danken aan een filosoof als Aristoteles.

Het christendom met zijn Joodse wortels heeft zich naar mijn idee als vloedgolf over die klassieke cultuur uitgebreid. Dat maakte de Europese cultuur zo vruchtbaar. De apostel Paulus was met beide culturen vertrouwd, hij was – om met Cees den Heijer te spreken – ‘een man van twee werelden’ en kon zo de stichter van het Europese christendom worden.

In zijn boek ‘Bronnen van het Zelf’ laat de filosoof Charles Taylor zien hoezeer dit proces onze roots gevormd heeft. Juist die vermenging van beide tradities bepaalt het unieke karakter van de Europese cultuurgeschiedenis. We vinden deze stromingen terug in Katholicisme en Protestantisme, in Humanisme en Reformatie, in Verlichting en Romantiek.

Van een eenduidige christelijke cultuur is naar mijn mening nooit sprake geweest. Het is altijd een spanningsvol samenwonen geweest van tweeërlei geest: humanisme en christendom. Pas in de tijd van de Verlichting kwamen beide fundamenteel met elkaar in botsing. Dit constateren is van betekenis voor het vervolg van Dekkers boek: Het voor hem onbegrijpelijke christelijke verzet tegen allerlei nieuwe ontwikkelingen in de periode hierna. Daarover mijn vierde kanttekening.

4. Het verzet tegen vooruitgang
Dekker stelt dat de samenhang van christendom en cultuur definitief doorbroken is door de opkomst van wat Taylor noemt het ‘exclusieve humanisme’. De in die tijd opkomende autonomie wordt, aldus Dekker, vanaf het begin door het christendom ‘geduid en omschreven als in strijd met het christelijk geloof’ (99). Dit is voor hem – met een beroep op Bonhoeffer – het grote historische misverstand en de bron van verzet in christelijke en kerkelijke kring tegen nieuwe ontwikkelingen in de samenleving. De kerk zag de mondigheid als een bedreiging voor het gezag van God en durfde de menselijke autonomie niet aan.

Deze interpretatie lijkt me voor een deel juist, maar ik zou hier niet willen spreken van hét christendom. Dekker verwijst naar het Nederlandse Reveil, naar de stellingname van Da Costa en Groen van Prinsterer: Tegen de revolutie het evangelie. Christendom en Verlichting kwamen tegenover elkaar te staan. De eenheid binnen de cultuur werd doorbroken. Onder invloed van de Romantiek ontwikkelde zich in Nederland een religieuze subcultuur, die mede geleid heeft tot Afscheiding en Doleantie.

Maar de Negentiende Eeuw was een geestelijk meerstromenland. Het verzet tegen ‘de geest der eeuw’ was niet unaniem. De Groninger Richting, de Moderne Richting en de Ethische Richting hebben er alles aan gedaan om die band met de cultuur te bewaren. En de afwijzing van de democratie kwam niet van Kuyper die in  zijn Confidentie schreef: ‘het Christendom is democratisch naar aard en wezen…’.

Maar Dekker constateert terecht dat het verbond van conservatisme en orthodoxie de remmende krachten binnen de samenleving bevorderd heeft. In gereformeerde kring leidde de antithese tot een periode van anderhalve eeuw Verzuiling. Ook de Katholieken gingen in het defensief tegen alles wat men beschouwde als modernisme. Dat moest met een eed worden afgezworen.

Daarnaast waren ook andere ontwikkelingen in het spel. Ik denk aan de scheiding van kerk en staat die de kerken dwong zich te organiseren als aparte sociale verbanden door onderscheid te maken tussen leden en niet-leden. Zo kwamen bevolkingsgroepen tegenover elkaar te staan. Het leidde tot wat de socioloog Kaufmann noemt de ‘verkerkelijking van het christendom’.

Daarnaast was er de opkomst van de moderne wetenschap die gepaard ging met religiekritiek en de opkomst van het atheïsme. Ik denk aan Darwin, Feuerbach, Nietzsche, Marx en Freud. Er was in allerlei ontwikkelingen dus wel degelijk ook sprake van wat Taylor noemt ‘een revolte tegen God’.

Het is dus niet onbegrijpelijk, vind ik, dat christenen hiertegen in verzet kwamen. Niet alle autonomie is een vrucht van het Koninkrijk. In de Europese cultuur, die naar mijn mening dus op verschillende bronnen teruggaat, humanisme en christendom, werken wel degelijk ook antigoddelijke krachten. Goed en kwaad zijn tot in de wortels verstrengeld, denk aan ideologieën als het communisme en het nationaalsocialisme. Ook het huidige neo-liberalisme lijkt me in allerlei opzichten een dubieuze vrucht van onze cultuur.

5. Het theologisch perspectief
Met een vijfde kanttekening richt ik mij nog eens op het theologisch perspectief van het boek, om Gerard Dekker van harte bij te vallen in zijn positieve waardering van de cultuur. Theologie is niet bedoeld voor zwartkijkers.

Ik verwijs naar de verzoeningsleer van Karl Barth die hij schreef onder het motto van J.C.Blumhardt: Jesus ist Sieger. Onze wereld is principieel de eens en voor altijd in Christus verzoende wereld. Niet alle katten zijn grauw, volgens Barth. Daarom ontdekken we overal om ons heen ‘gelijkenissen van het Koninkrijk’. Barth wijst elke machtsoefening tegenover andersdenkenden af. Ieder mens, binnen en buiten de kerk, is voorwerp van Gods erbarmen en daarom virtueel en potentieel (zij het niet actueel) christen, of zij dat nu weten of niet. Elke bevoogding van andersdenkenden ziet hij als een motie van wantrouwen tegenover Gods handelen in Christus. Niet voor niets geldt Barth daarom als de theoloog van ‘de Doorbraak’ in het naoorlogse Nederland. Buskes, Banning en ook Joop den Uyl  hadden Barth goed begrepen.

Maar ook iemand als de gereformeerde theoloog Herman Bavinck was geen cultuurpessimist. Schrijvend over de komst van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde vloeien de volgende woorden uit zijn pen: ‘Al wat waarachtig is, al wat edel is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt in de ganse schepping, in hemel en op aarde, wordt in de toekomstige Godsstad samengebracht, maar vernieuwd, herschapen. De substantie ervoor is in deze schepping aanwezig.’ Het zijn woorden die christenen en humanisten als muziek in de oren mogen klinken. En laten we naast Bavinck ook ‘De gemene gratie’ van Abraham Kuyper niet vergeten.

Dit alles neemt niet weg dat de theologie de handen vol heeft aan wat Dekker noemt ‘een andere geloofsvisie op God en op de werking van God in deze wereld, een andere visie op de verhouding tussen God en wereld en tussen God en mens’ (125). Op verschillende plaatsen verwijst hij naar het prachtige boek van Gijs Dingemans, De stem van de Roepende, waaraan hij het begrip stuwkracht ontleent. Dingemans zoekt aansluiting bij de procestheologie. Hij schrijft: ‘God is zelf geïncarneerd in de geschiedenis. God groeit met ons mee naar de toekomst’. Dat is – ik geef het toe – even wennen, maar het klinkt veelbelovend.

Er zijn dan ook goede theologische gronden om Gerard Dekker in zijn hartstochtelijk pleidooi voor het Koninkrijk hartgrondig bij te vallen!

Gerben Heitink


Prof. dr. Gerben Heitink was o.a. hoogleraar praktische theologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam (1988-2003).

3 reacties

  1. V. Mortelmans
    2 december 2013 om 16:57

    Theologisch geschoold ben ik niet, maar men houdt me voor dat je in het christelijk leven ‘een persoonlijke relatie met Christus’ moet proberen uitbouwen. Het kost me soms heel wat moeite om Jezus en ook de andere personen van de drie-eenheid niet te zien als abstracte concepten (‘iets’), maar als aanspreekbare personen (‘iemand’) die in mijn leven ingrijpen. Dan denk ik telkens dat ik goed bezig ben, dat ik eindelijk van die oer-conservatieve gedachten af ben waarin God misschien wel persoonlijk is, maar te ongenaakbaar als almachtig oppwezen om werkelijk mee in relatie te gaan. Dan hoop ik uit die relatie via gebed en sacramenteel leven inspiratie te putten voor mijn leven. En dan lees ik weer zo’n inzichten als in bovenstaand essay, waar God opnieuw in een heel abstracte rol geduwd wordt die helemaal niks persoonlijks meer heeft en waar ik als eenvoudige gelovige helemaal niks mee aan kan, maar het zijn wel inzichten die je moet volgen, of je bent weeral eens hopeloos achter in je geloof…

    Je mag best optimistich zijn, maar is dit nu echt de goeie weg?

    • Piet Grim
      17 december 2013 om 13:54

      Beste V. Mortelmans,

      Ik proef uit uw stukje een verlangen om God te kennen, te dienen en bovenal lief te hebben. Dat deel ik met u. Er zijn daarbij schrijvers die mij op dit gebied geïnspireerd hebben en uitdagen om die vertrouwelijke omgang met God te zoeken. Die omgang is voor hen die Hem vrezen (Psalm 25:14, wat overigens iets anders is dan angst voor God) Mag ik u adviseren om de boekjes of boeken van de onderstaande auteurs te lezen? Zij benadrukken juist de gemeenschap met Christus, leven met God, wandelen door de Geest, het gebed etc. Juist die dingen die er het meeste toe doen komen daarin aan bod. Misschien wel het enige wat er werkelijk toe doet. Het leven met God is niet abstract. Theologie kan soms abstract zijn, maar dat hoeft niet per se. Hier de schrijvers met een paar titels:

      John Piper – Verlangen naar God en De vreugde van God.
      Andrew Murray – Wachten op God ( deze schrijver lijkt mij in dit dunne boekje soms beter te kennen dan dat ik mijzelf ken. Zoek eventueel ook andere titels van Murray)
      J.I. Packer – God leren kennen, Groeien in Christus, Wandelen door de Geest)
      Thomas à Kempis – De navolging van Christus in jonge taal (‘in jonge taal’ is gemakkelijker te lezen dan het origineel)
      David Wilkerson – Knowing God by Name. Ben niet altijd te spreken over het Schriftgebruik en de uitleg/toepassing, maar over het algemeen is de boodschap helder en behulpzaam)

      Let wel: deze boeken functioneren niet als wondermiddel of een soort stappenplan om de boel in orde te krijgen (zo van: als je dit nu toch eens leest dan…). Maar het kan wel helpen om Hem (nog beter) te leren kennen.

      Om aan te sluiten bij jouw laatste vraag, ik stel ook vragen bij het optimisme van Dekker. Juist door de geschiedenis met al haar lijden kan ik er niet in meegaan. Een zwaarder wegend argument komt uit de Schrift zelf. Waar word ik opgeroepen om Gods Koninkrijk te bouwen? Waar staat dat er blijvende tekenen van dit Rijk door ons moeten en zullen worden opgericht? Het lijkt mij veeleer te gaan om de gemeenschap met Christus, liefde voor de naaste vanuit de liefde die Christus voor hen heeft en vanuit onze liefde voor Hem (dus geen eisenlijst die je nu eenmaal doet omdat je een christen bent). Vreemdelingen en bijwoners zijn op deze aarde, dus ook sterven aan deze wereld, sterven aan onszelf: niet ik leef meer maar Christus leeft in mij (Gal. 2:20. We zouden eens na kunnen denken over de vraag hoe het ten diepste komt waarom we juichen op het moment dat het Nederlands elftal een bal in een net trapt en waarom we verdrietig zijn wanneer ze verliezen). Het gaat in het Nieuwe Testament (ook in het OT) veel over kruis dragen, lijden, verdrukking, vreugde en vrede, ook en misschien zelfs wel juist in het lijden. Dit klinkt misschien al met al wat somber, maar ik denk dat dit leven het enige is wat echt vreugde en vrede brengt. Ja, zelfs het enige leven wat met een hoofdletter ‘L’ geschreven mag worden. Niet omwille van de vrede en vreugde zelf, maar omwille van de gemeenschap met de Gekruisigde, omwille van Christus. En nu stop ik, anders begin ik te preken 😉

      Vriendelijke groeten,
      Piet Grim

  2. Piet Grim
    17 december 2013 om 13:56

    Correctie: ik kan niet zeggen dat het in het OT over kruis dragen gaat. Wel over verdrukking, lijden, benauwdheid, vreugde en vrede.