AdventstijdHomiletiekTheologie

Dag 7: Preekschets bij de Tweede Adventszondag

In de Adventstijd wordt er veel gepreekt over bekende Bijbelgedeelten. Vandaag een preekschets bij een wat minder bekend Bijbelgedeelte: een preekschets van ds. D. de Jong over Sefanja 2 vers 14b en 15a.

Tweede adventszondag

Sefanja 2:14b, 15a

Een stem zal door het venster zingen,
puin zal op de drempel liggen,
want het cederwerk is blootgelegd.
Dit is de uitgelaten stad,
die zo onbezorgd woonde,
die in haar hart zei: Ik
en verder niemand. (hsv)

Schriftlezing: Sefanja 2:4-15

Het eigene van de zondag

In het kerkelijk jaar heet de tweede adventszondag Populus Sion, naar het introïtusgezang voor de mis op deze zondag: ‘Volk van Sion, de Heer zal komen om de volken te redden en de Heer zal de luister van zijn stem laten horen tot vreugde van uw hart.

Het eigene van de zondag ligt dan ook in de betekenis van advent voor de wereld. Opmerkelijk genoeg is het introïtusgezang Populus Sion samengesteld uit Jesaja’s volkenprofetie tegen Assyrië’ (Jes. 30:19-33). De liturgische traditie reikt dan ook goede redenen aan voor een preek over Sefanja’s profetie tegen Assyrië.

Uitleg

Over Sefanja 2 wordt nauwelijks gepreekt. Ik zeg ‘nauwelijks’, omdat ik in elk geval geen enkele preek over deze profetie gevonden heb. Toch kan in een serie over het boekje van deze kleine profeet de overdenking van deze volkenprofetie niet ontbreken. Want ook al sprak de profeet tot het volk van God, hij sprak niet alleen óver het volk van God. De God van Israël is immers geen stamgod, maar een wereldgod. Zijn macht houdt niet op bij de grenzen van Israël, maar reikt tot aan de einden van de aarde. Bij bijna alle schriftprofeten komen we zulke profetieën dan ook tegen.

Maar hun volkenprofetieën hebben wel elk hun eigen spits. De vergelijking van Sefanja’s profetie over Ninevé met die van Nahum kan dat duidelijk maken. Nahums onheilsprofetie over Assyrië is een heilsprofetie voor Juda, zoals blijkt uit de woorden die via Jesaja 52:7 en Romeinen 10:15 grote bekendheid gekregen hebben: ‘Zie, op de bergen de voeten van de vreugdebode die heil verkondigt. Vier, o Juda, uw feesten, betaal uw geloften! Want voortaan zal de snoodaard niet meer door u heentrekken, hij is geheel en al uitgeroeid’ (Nahum 2:1 (1:15), nbg). Bij Sefanja betekent het onheil voor Nineve echter geen heil voor Jeruzalem. De lijn die hij trekt van het oordeel over Jeruzalem in hoofdstuk 1 naar het oordeel over Nineve in hoofdstuk 2 vertoont meer overeenkomst met de lijnen die in het Nieuwe Testament getrokken worden door Paulus (‘Verdrukking en benauwdheid [zal komen] over ieder levend mens, die het kwadebewerkt, eerst de Jood en ook de Griek’, Rom. 2:9, nbg) en Petrus (‘Want het is nu de tijd, dat het oordeel begint bij het huis Gods; als het bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods?’, 1 Petr. 4:17, nbg).

Sefanja geeft een houtskooltekening van het verwoeste Nineve die beklemmend aandoet en blijkens soortgelijke tekeningen bij Jesaja en Jeremia repertoire gehouden heeft. ‘Vooral bij cultuurcentra als Babel en Nineve is de contrastwerking tussen het bedrijvige stadsleven van vroeger en de doodse verlatenheid van nu zeer sterk’ (Deden).

De vertaling van Sefanja 2:14b stelt ons voor problemen. Er lijkt veel voor te zeggen de derde regel, die in de Herziene Statenvertaling wordt weergegeven met: ‘want het cederwerk is blootgelegd’, te beschouwen als een glosse. Het is dan ook merkwaardig dat Van der Woude de eerste beide regels zó emendeert dat ze sporen met die glosse. Het gevolg van die conjectuur is dat er uit het venster puin steekt in plaats van dat er een stem uit klinkt. Het – letterlijk – meest sprekende beeld ontstaat echter wanneer voor horeb (puin) met de Septuaginta en de Vulgata oreb (raaf) gelezen wordt. Dat levert de volgende vertaling op: ‘Een stem zingt door het venster, een raaf zit op de drempel’. Het is echter niet nodig de tekst in deze vorm aan de gemeente voor te lezen. Wel verdient het aanbeveling om in elk geval bij de lezing van de tekst de (Herziene) Statenvertaling of de Naardense Bijbel te gebruiken.

Het spotlied van Sefanja 2:15 wordt dus vertolkt door een stem die zingt door het venster en een raaf die zit op de drempel: ‘Dit is de uitgelaten stad, die zo onbezorgd woonde, die in haar hart zei: Ik en verder niemand.’ Volgens Jesaja komt dit woord: ‘Ik en verder niemand’, alleen de heer toe. Anders dan in de mond van de Ninevieten is het in zijn mond echter een woord waaruit niet alleen autonomie, maar ook verbondenheid spreekt (vgl. Jes. 45:6, 14 en 46:9). In Sefanja 3:9-13 blijkt dat het gaat om verbondenheid, niet alleen met het volk, maar ook met de volken. ‘En er is geen onderscheid tussen Joden en andere volken, want ze hebben allen dezelfde Heer. Hij geeft zijn rijke gaven aan allen die hem aanroepen’ (Rom. 10:12).

Het spotlied van Sefanja 2:15 roept dan ook het loflied van Gezang 209:2 op:

De loze woorden zijn verstomd,
de wereld die op adem komt
zingt met de vogels in de lucht
dat nu de nacht is weggevlucht,
halleluja!

 

Aanwijzingen voor de prediking

Sefanja’s onheilsprofetie over de wereld is geen heilsprofetie voor de kerk. De prediker moet zich dan ook niet laten verleiden tot apocalyptische visioenen over een goddeloze wereld die in vlammen op gaat. Bij Sefanja volgt het oordeel over de wereld uit het oordeel over een kerk die zich heeft aangepast aan de cultuur van de wereld. Het is beter met Paulus de hand op de mond te leggen: ‘Of denkt u soms dat u, die zelf doet wat u in anderen veroordeelt, de straf van God kunt ontlopen?’ (Rom. 2:3).

De machocultuur van Nineve wordt door Sefanja treffend gekarakteriseerd in het spotlied van vers 15: ‘Ik, en ik alleen!’ Een tegencultuur zal gevestigd worden door Hem die zegt: ‘Vorsten oefenen heerschappij uit over de aan hen onderworpen volken, en wie macht heeft laat zich weldoener noemen. Laat dat bij jullie niet zo zijn! De belangrijkste van jullie moet de minste worden en de leider de dienaar. Want wie is belangrijker, degene die aanligt om te eten of degene die bedient? Is het niet degene die aanligt? Maar ik ben in jullie midden als iemand die dient’ (Luc. 22:25-27). Jezus is de weg gegaan die door Sefanja vragenderwijs is aangeduid in hoofdstuk 2 vers 3: ‘zoek rechtvaardigheid, zoek nederigheid: misschien blijven jullie dan gespaard op de dag van de toorn van de heer’. Slechts op de weg van de navolging van Christus is er voor wereld én kerk redding te vinden. Zo, en zo alleen. Bij Hem, en Hem alleen.

Bijzondere aandacht verdient de rol die de schepping bij Sefanja vervult als mond van God. Zij ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn (Rom. 8:19), maar heeft hen in Nineve niet voor het voetlicht zien komen. Het is tekenend dat een cultuur waarin de sterksten overleven, overleefd wordt door – wat wij zouden noemen – ongedierte. De verhouding van mens en dier doet hier denken aan Psalm 104, waarin de mens getekend wordt als een randbewoner (Ps. 104:22, 23), die uiteindelijk over de rand geschoven wordt (Ps. 104:35) als hij, anders dan de dieren, niet wacht op God, tot die hem voedsel geeft op zijn tijd (Ps. 104:27).

 

Liturgische aanwijzingen

Epistellezing: Romeinen 2:1-11. Evangelielezing: Johannes 1:1-13. Liederen: Psalm 33:4, 8; 102:3, 9, 10; Gezang 9:2, 5, 7, 10; 150; 280.

Geraadpleegde literatuur

Deden, De Kleine Profeten. De boeken van het Oude Testament, uit de grondtekst verklaard en uitgelegd, Roermond/Maaseik, 1953 (naast de bij de eerste adventszondag vermelde commentaren).

Bron: Preekwijzer