Kerkelijk jaar

Dag 37 – Psalm 22

1 Voor de koorleider. Op de wijs van De hinde van de dageraad. Een psalm van David.
2 Mijn God, mijn God,
waarom hebt u mij verlaten?
U blijft ver weg en redt mij niet,
ook al schreeuw ik het uit.
3 ‘Mijn God!’ roep ik
overdag, en u antwoordt niet,
’s nachts, en ik vind geen rust.
4 U bent de Heilige,
die op Israëls lofzangen troont.
5 Op u hebben onze voorouders vertrouwd;
zij hebben vertrouwd en u verloste hen,
6 tot u geroepen en zij ontkwamen,
op u vertrouwd en zij werden niet beschaamd.
7 Maar ik ben een worm en geen mens,
door iedereen versmaad, bij het volk veracht.
8 Allen die mij zien, bespotten mij,
ze schudden meewarig het hoofd:
9 ‘Wend je tot de Heer! Laat hij je verlossen,
laat hij je bevrijden, hij houdt toch van je?’
10 U hebt mij uit de buik van mijn moeder gehaald,
mij aan haar borsten toevertrouwd,
11 bij mijn geboorte vingen uw handen mij op,
van de moederschoot af bent u mijn God.
12 Blijf dan niet ver van mij,
want de nood is nabij
en er is niemand die helpt.
13 Een troep stieren staat om mij heen,
buffels van Basan omsingelen mij,
14 roofzuchtige, brullende leeuwen
sperren hun muil naar mij open.
15 Als water ben ik uitgegoten,
mijn gebeente valt uiteen,
mijn hart is als was,
het smelt in mijn lijf.
16 Mijn kracht is droog als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte,
u legt mij neer in het stof van de dood.
17 Honden staan om mij heen,
een woeste bende sluit mij in,
zij hebben mijn handen en voeten doorboord.
18 Ik kan al mijn beenderen tellen.
Zij kijken vol leedvermaak toe,
19 verdelen mijn kleren onder elkaar
en werpen het lot om mijn mantel.
20 Heer, houd u niet ver van mij,
mijn sterkte, snel mij te hulp.
21 Bevrijd mijn ziel van het zwaard,
mijn leven uit de greep van die honden.
22 Red mij uit de muil van de leeuw,
bescherm mij tegen de horens van de wilde stier.
U geeft mij antwoord.
23 Ik zal uw naam bekendmaken,
u loven in de kring van mijn volk.
24 Loof hem, allen die de Heer vrezen,
breng hem eer, kinderen van Jakob,
wees beducht voor hem, volk van Israël.
25 Hij veracht de zwakke niet,
verafschuwt niet wie wordt vernederd,
hij wendt zijn blik niet van hem af,
maar hoort zijn hulpgeroep.
26 Van u komt mijn lofzang in de kring van het volk,
mijn geloften los ik in bij wie u vrezen.
27 De vernederden zullen eten en worden verzadigd.
Zij die hem zoeken, brengen lof aan de Heer.
Voor altijd mogen jullie leven!
28 Overal, tot aan de einden der aarde,
zal men de Heer gedenken en zich tot hem wenden.
Voor u zullen zich buigen
alle stammen en volken.
29 Want het koningschap is aan de Heer,
hij heerst over de volken.
30 Wie op aarde in overvloed leven,
zullen aanzitten en zich voor hem buigen.
Ook zullen voor hem knielen
wie in het graf zijn neergedaald,
wie hun leven niet konden behouden.
31 Een nieuw geslacht zal hem dienen
en aan de kinderen vertellen van de Heer;
32 aan het volk dat nog geboren moet worden
zal het van zijn gerechtigheid verhalen:
hij is een God van daden.

Een paar overwegingen bij Psalm 22:2a: Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?

De kreet van Jezus aan het kruis. Van God verlaten. Waarom? Hier is het een schreeuw van David. Met hem hebben vele gelovigen het uitgeschreeuwd. Nu nog roepen gelovigen het in hun nood. Het gaat verder dan: Waarom helpt U niet? Waarom redt U niet? Waarom geneest U mij niet? Het is een missen van God Zelf.
Waarom hebt U mij verlaten? Pijnlijk missen deze kinderen van God de ervaring van zijn nabijheid, van zijn liefde in hun leven. Maar niemand voelde zich zó door God verlaten als Jezus. Wij ervaren God misschien niet meer, maar Hij ís er wel. God laat mij zijn liefde niet ervaren. Maar Hij houdt nog steeds van mij. God is er altijd bij omdat het op Golgota anders was: daar was God niet! Jezus was écht door God verlaten.
Lezen: Matteüs 27:45-46

Verlaten. Heeft God Jezus echt verlaten? Dat kan toch niet, willen sommige bijbeluitleggers ons doen geloven.
Zo is de Vader toch niet?! Laten we eerlijk zijn: ook in ons geloofsleven kan dit een moeilijke vraag zijn. Toch is er dan maar één ding wat je kunt doen: je moeite bij God brengen én blijven vasthouden aan wat de Bijbel zegt.
Paulus schrijft, dat Jezus vervloekt was (Gal. 3:13)! En vervloekt betekent: aan een paal hangen tussen hemel
en aarde. Weggetrapt van de aarde; niet welkom in de hemel. Echt verlaten dus! Jezus werd tot vloek voor óns.
Al zouden wij verlaten worden door alle mensen, God verlaat ons nooit. Voor ons gaat de hemel nooit op slot!
Lezen: Deuteronomium 21:22-23; Galaten 3:13

Verlaten. Zonder een ander is leven sowieso al geen leven. Leven is samen-leven. Eenzaam leven is daarom lijden aan het leven. Aan een eenzaam leven gaat soms verlating vooraf. Dan is het lijden nog groter. De ander – met wie je het leven deelde, die van je hield, op wie je aankon –, die ander heeft je laten vallen als een baksteen. Je staat alleen, je voelt je bedrogen. In die verlatenheid kun je je ook door God verlaten voelen. Zeker als er nog meer tegenzit in het leven. Jezus werd ook door iedereen verlaten. Zelfs door z’n vrienden.
En alles zat tegen. Hij eindigde aan het kruis. En daar verliet zijn Vader Hem. Als ik me nu van God verlaten voel, mag ik erop vertrouwen dat Jezus met mij meevoelt. Hij weet als geen ander wat het is om verlaten te zijn.
Lezen: Psalm 55:13-15; 88:15-19

Mijn God. Heel bijzonder dat gelovigen deze woorden mogen uitspreken. Intiem verbonden met God. Dat gold in elk geval voor David, die als Messiaanse koning nauw verbonden was met God. Maar niemand heeft een intiemere relatie met God gehad dan Jezus. Vader en Zoon hebben elkaar volmaakt lief. U bent toch ‘mijn God’, en U verlaat mij?! Waarom? En dan niet één keer, maar twee keer: mijn God, mijn God. En straks nog een keer: mijn God. Wat een opening van het gebed. Wat een vastklemmen aan God in de nood. Wat een klemmend beroep op God in de nood.
Lezen: Johannes 20:17

Bron: Roelof Vellinga, Houd U niet ver van mij. Veertigdagentijd met Psalm 22