Kerkelijk jaar

Dag 35 – ‘Houd mij niet vast…’

De paaskaars elke zondag laten branden?

Aan het begin van een nieuw kerkelijk jaar worden er in diverse kerken adventskaarsen ontstoken. Deze kaarsen markeren de tijd van Advent. Na de Advent branden deze adventskaarsen niet meer. Met de paaskaars zou je eenzelfde helderheid verwachten, namelijk dat deze brandt gedurende de paastijd (van Paasnacht tot en met Pinksteren) en daarna niet meer. Dat is inderdaad traditie in rooms- en oudkatholieke kerken. In protestantse kerken zien we echter een nieuw gebruik ontstaan. Daar brandt de paaskaars niet alleen in de paastijd, maar gedurende het hele jaar, om vervolgens op Goede Vrijdag gedoofd te worden. Mirella Klomp (1)  plaatste in haar artikel over het doven van de paaskaars op Goede Vrijdag kritische kanttekeningen bij dit laatste gebruik, dat in korte tijd vrij algemeen is geworden in protestantse kerken. Haar voorstel om de paaskaars na de viering op Palmzondag ‘op te bergen’ zet echter geen zoden aan de dijk; het laat nog steeds een belangrijk aspect van de paaskaars onderbelicht: namelijk dat wijzelf het licht van de paaskaars overnemen.

De paaskaars is zoals de naam al aangeeft vanouds verbonden met het Paasfeest.
Aan de wieg van de paaskaars heeft de sabbatlamp gestaan, waarmee in de joodse traditie de sabbat werd begroet. In navolging hiervan ontstond in de christelijke traditie het zogenaamde ‘lucernarium’ waarbij aan het begin van de vespers het licht binnen werd gedragen en gezegend. Uit deze traditie is nog specifieker de lichtritus aan het begin van de Paasnacht geboren.
Met het herontdekken van de Paasnacht heeft ook de paaskaars haar intrede gedaan in protestantse kerken. Fred Kalis heeft in zijn werkboekje (2) dat begin jaren 80 verscheen de ontwikkeling geschetst dat kaarsen weer mochten! Protestantse kerkgangers zijn inmiddels op diverse plaatsen in Nederland gewend geraakt aan een diaken, die in de Paasnacht zingend de paaskaars de kerk binnendraagt. Die kaars met oude papieren heeft het christenen van protestantse signatuur mogelijk gemaakt om, net als de joodse vrouw op de avond van de sabbat, in de Paasnacht God te loven om het licht dat Hij heeft geschapen (de nacht werd als een dag, zie Psalm 139) en de vuurkolom waarin Hij voor zijn volk is uitgetrokken.

Symboliek van de paaskaars
Omdat we in deze nacht de opstanding van Christus vieren is de paaskaars het symbool geworden van de opgestane Heer. Het licht wordt meegedeeld aan de kaarsen van de aanwezige kerkgangers om de triomf van het licht over de duisternis uit te beelden. Tegelijk herinnert het aan de opdracht van ieder gelovige: licht in de Heer te zijn. In deze nacht waarin de doop – vanouds verlichting genoemd – wordt bediend of herdacht, worden de woorden van Paulus actueel: Want ooit waart ge duisternis, maar nu zijt ge licht, in eenheid met de Heer; wandelt als kinderen van het licht. Efeziërs 5,8
Het licht van de paaskaars heeft van begin af aan in zich dat het verspreid zal worden over de gelovigen.
Christus gaat net zoals de vuurkolom bij de uittocht van het volk Israël de gelovigen voor. In de Paasnacht worden de dopelingen opgeroepen Hem te volgen en in de voetsporen van de Heer te wandelen. Dat impliceert een uittreden uit de duisternis en een intreden in het licht. Ik ben het licht der wereld, wie mij volgt zal niet wandelen in het duister, nee, die zal het licht des levens hebben. Johannes 8,12.
Deze oproep wordt verbeeld in het binnenbrengen van de nieuwe paaskaars, die later in de dienst ook in het doopwater gedompeld kan worden. Bij de intrede wordt het zogenaamde Exsultet gezongen. Daarin wordt nadrukkelijk verwezen naar de vuurkolom, die het volk Israel voorging bij de uittocht.

In deze nacht wees een stralend licht de weg,
het licht dat alle duisternis verdrijft.
In deze nacht heeft Jezus Christus
de ketenen van de dood verbroken
en is Hij als overwinnaar uit de doden opgestaan (Dienstboek (3) p.135).

Om de vraag te beantwoorden hoe lang de paaskaars vervolgens zal branden is de volgende passage uit deze Lof van het Licht van belang.

Laat dit licht onverminderd schijnen, morgen en alle dagen
in alles wat wij doen,
in heel ons leven.
Laat het zijn als de verrezen Christus,
de morgenster, die, eens verrezen,
nu nimmermeer zal ondergaan.

Het licht van de opgestane Heer kan niet meer ondergaan, is eeuwig licht en dus ondoofbaar.
Dit pleit voor het gebruik van de protestanten om de paaskaars het hele jaar door elke zondag te laten branden. Christus is niet alleen in de paastijd als levende Heer in ons midden te ervaren is, maar elke zondag! Toch is met de paaskaars eeuwenlang en tot op de dag van vandaag het gebruik verbonden geweest deze na de paastijd niet meer te branden, zoals ook de sabbatslamp na de sabbat niet meer brandt.

De paaskaars na Pasen
In katholieke kerken was het vanaf de vierde eeuw tot het Tweede Vaticaans Concilie gebruik de paaskaars na Hemelvaartsdag, de dag dat de Heer werd weggenomen, niet meer te branden. Na het Tweede Vaticaans Concilie heeft de rooms-katholieke kerk besloten deze cesuur in de paastijd niet meer toe te passen. Sindsdien blijft de paaskaars tot en met Pinksteren branden. De oud-katholieken hebben dit in de jaren negentig van de vorige eeuw overgenomen. Pasen, Hemelvaart en Pinksteren vormen zo weer één samenhangend geheel: een vreugdetijd van vijftig dagen. Buiten de paastijd brandt de paaskaars in katholieke kerken niet meer, behalve bij doop en uitvaart. Dat zijn immers momenten die in het bijzonder herinneren aan de uittocht door het water van de Rode Zee.
Voor een katholiek verwijst de brandende paaskaars, prominent opgesteld vooraan bij het altaar naar de vreugdevolle tijd van Pasen. Menig protestant daarentegen zal bij de brandende paaskaars niet specifiek aan die vreugdevolle paastijd denken. De paaskaars brandt daar immers elke zondag als verwijzing naar de opstanding van onze Heer. Ons dienstboek heeft overigens weet van de katholieke traditie wanneer zij vermeldt dat de paaskaars gedurende de paastijd brandt.

Bricolage
De katholieke traditie, die helder en eenduidig is blijkt inmiddels door protestanten terzijde gelegd, op een manier dat het lijkt alsof er helemaal geen traditie bestaat. In de oecumenisch uitgave De Eerste Dag viel in het commentaar bij het begin van de Triduüm te lezen dat ‘veel gemeenten inmiddels een paaskaars hebben die het hele jaar brandt. In veel gevallen zal de indruk gewekt worden dat deze altijd aan is. Zo krijgt de paaskaars de functie van de godslamp in de katholieke kerk. De paaskaars wordt zo het symbool van het altijd aanwezige licht van de opstanding van Christus’ (4).
Waar Kalis in zijn werkboekje nog blijk gaf te weten van een traditie en een werkingsgeschiedenis rond de paaskaars, wordt in bladen als De Eerste Dag en Kind op Zondag regelmatig over de paaskaars geschreven alsof deze vanzelfsprekend het hele jaar elke zondag brandt.
Mirella Klomp merkte in haar artikel op dat de normativiteit van de liturgie punt van discussie is, de editio typica niet simpelweg aan te merken is en ‘bricolage’, knip-en plakwerk van verschillende elementen gemeengoed is geworden. Dit laatste is met betrekking tot de paaskaars in protestantse kerken zeker het geval. Het gevolg hiervan is een fundamentele verschuiving in de betekenis van de paaskaars.

Addertje onder het gras
In eerste instantie zal het misschien onwetendheid zijn geweest, protestanten namen graag iets over van de rijke katholieke traditie, de tijd was rijp voor een beetje licht in het donkere saaie protestantse kerkgebouw. Een mooie paaskaars komt in een sober interieur schitterend over.
Grondige verdieping in de traditie van de paaskaars vond meestal niet plaats. Een eigen interpretatie, namelijk de paaskaars als godslamp is in korte tijd gemeengoed geworden in diverse protestantse gemeenten.
Waar de katholieken sinds de middeleeuwen bij de tabernakel, waarin de gaven van brood en wijn worden bewaard, een lampje hebben branden als teken van eerbied voor de aanwezigheid van de Heer kennen de protestanten dit teken toe aan de altijd brandende paaskaars. In feite wordt zo noch aan de godslamp noch aan de paaskaars recht gedaan. De vraag is of je zonder betekenisverlies een symbool zo naar je eigen behoeften kunt veranderen.
Blijkbaar is de behoefte om de aanwezigheid van Christus te symboliseren zo groot, dat het niet te verdragen is dat de paaskaars na de paastijd niet meer zou branden.
Het addertje onder het gras zit hem in het doven van de paaskaars in de Goede Week. Wanneer de paaskaars het hele jaar blijft branden zal hij toch voor de volgende Paaswake vervangen moeten worden. Een mooi moment lijkt hiervoor gevonden te zijn op Goede Vrijdag. Als Jezus de Geest geeft kan de kaars gedoofd worden.
De gemeente heeft, zo stelde Mirella Klomp in het eerder genoemde artikel, terecht een mooi en ontroerend (dramatisch!) ritueel, maar ook een merkwaardige symboolhandeling voor een geloofsgemeenschap die aan de opstanding van Christus haar bestaansrecht ontleent.
In ‘De weg van de liturgie’ wordt opgemerkt dat als de paaskaars de aanwezigheid van de Heer uitstraalt deze aanwezigheid ‘niet quasi-historiserend ophoudt om dan in de volgende Paasnacht met het ontsteken van de kaars opnieuw te beginnen. Het gevaar van liturgische manipulatie ligt hier op de loer’ (5).  Daarom verzet men zich tegen het doven überhaupt. Het is echter onterecht dat men het doven van de paaskaars op Goede Vrijdag op één lijn stelt met het doven op Pinksteren. Want in het laatste geval doet men wel recht aan de betekenis van de paaskaars en is er eerder sprake van actualisering dan van historisering.

Vreugdevolle paastijd verwaterd
Als het niet langer de brandende paaskaars is die de tijd van Pasen markeert, is er optisch gezien niets meer dat deze vreugdevolle tijd in het kerkelijk jaar onderscheidt van andere tijden. De kleur wit zien we immers ook met Kerst en Epifanie.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat de paastijd in de beleving van menig kerkganger verdwenen lijkt te zijn. Pasen is gereduceerd tot eerste en tweede Paasdag. Daarna richten we ons al gauw weer op de eerste zondag na Pasen, in plaats van de tweede zondag van Pasen. Zo uitgebreid als we bezig zijn met de voorbereiding, de theologische- en muzikale vormgeving van de veertigdagentijd en de Paasmorgen, zo bekaaid komt de paastijd zelf ervan af. Het vieren van een vreugdefeest van vijftig dagen (Pasen, Hemelvaart en Pinksteren als één samenhangend geheel) is meer theorie dan praktijk, met als gevolg dat er een vervlakking van het kerkelijk jaar heeft plaatsgevonden. Terwijl het bijzondere van het kerkelijk jaar is dat elk moment een eigen karakter heeft. Er is een tijd om de Heer te verwachten en een tijd om te vieren dat Hij er is. Er is een tijd om te gedenken dat Hij is gekomen, maar ook om te gedenken dat Hij van ons is heengegaan.
‘De kerk heeft tot taak in haar eredienst de gedachtenis des Heren te vieren en deze levend te houden in de harten der gelovigen. Zij zou deze taak kunnen volbrengen door dezelfde vorm van de viering steeds te herhalen. Maar de innerlijke rijkdom, die in de gedachtenis des Heren ligt opgesloten, heeft ertoe geleid dat men de inhoud in verschillende thema’s ging verdelen, waarin ze dan regelmatig weerkeren. Op deze wijze zijn de liturgische tijdkringen ontstaan’ (6).
De verschillende thema’s worden door elkaar heen gehusseld wanneer we bijvoorbeeld adventskaarsen naast de paaskaars gaan branden. Bovendien laten we met het branden van de paaskaars gedurende het hele jaar de kans liggen de paaskring vorm te geven, door alleen dan de paaskaars te branden. Het niet branden van de paaskaars in de tijd daarna is daarbij niet zonder reden.

Het licht overnemen van de paaskaars
Willem Barnard schreef ooit dat na Pinksteren geen uitroepteken volgt, maar eerder een dubbele punt (7).  Na de paastijd is het aan ons al wat we gehoord en gevierd hebben gestalte te geven in ons leven van alledag. Nu is het aan ons om in navolging van Christus lichtdragers te zijn. De Heer heeft ons weliswaar verlaten, maar ons niet als wezen achtergelaten: Hij zond zijn Geest als tongen van vuur op de hoofden van zijn leerlingen. Wanneer wij in deze tijd de paaskaars brandende laten, is het alsof wij de opgestane Heer vast willen houden. Daarnaast is de identificatie tussen Christus en de paaskaars zo sterk geworden dat we er in plaats van een verrijzeniskaars zelfs een stervenskaars van zijn gaan maken. Maar de paaskaars is er niet om gedoofd te worden waar Christus de Geest geeft, maar waar wij door zijn Geest aangeblazen worden om te leven in zijn Geest. Zijn verhaal moet doorgang vinden in ons leven (8).

Tenslotte
Het punt is misschien wel dat voor protestanten de paaskaars ongeveer het enige is wat ze hebben: er is immers geen godslamp, geen schat aan andere kaarsen. Als er geen paaskaars zou branden, waar moeten dan de lantaarntje van de kinderen aan ontstoken worden, die met het licht naar de kindernevendienst vertrekken?
Als er behoefte is aan een godslamp, die verbonden is met de eucharistische gaven van brood en wijn, is het dan niet zaak de fundamentele vraag te stellen of Christus niet vooral aanwezig is in de bediening van Schrift en Tafel? Juist kaarsen geplaatst bij de lezenaar en/of op de Tafel van de Heer zouden hiernaar kunnen verwijzen. Als we daar de aanwezigheid van de Heer gewaar worden, kan de paaskaars na Pinksteren gedoofd worden, wordt de paastijd in ere hersteld en is het zeer betekenisvol als de paaskaars in doop- en uitvaartdiensten respectievelijk brandt bij de doopvont en bij de kist.
Bovendien beseffen we dan dat het erop aankomt het licht zelf uit te dragen.
De gemeente is dan als het gespeende kind uit Psalm 131, waarover Barnard ooit schreef: ‘Het gaat niet alleen om verzadiging, maar ook om gemis. Een verlangen is vervuld, maar een opdracht is gegeven: voortaan en gaandeweg steeds meer zal er zelfstandigheid gevergd worden, geen moeiteloze afhankelijkheid’ (9).
De paaskaars is dan met woorden van Maria de Groot  als een ‘lamp die in mij te wiegen hangt’ en ‘mild in schijnselen blijft branden’ (10).

Do’s en don’ts bij de paaskaars

Do’s
•    Ontsteken in de Paasnacht.
•    Daarna brandt de paaskaars bij alle vieringen in de paastijd.
•    Voor de zegen aan het einde van de dienst op Pinksteren kan de paaskaars na het uitspreken van een korte tekst eventueel door een kind in de richting van de gemeente uitgeblazen worden. Een andere mogelijkheid is de paaskaars na afloop van de dienst weg te halen.
•    Na Pinksteren brandt de paaskaars alleen nog bij doopdiensten, huwelijksdiensten, uitvaartdiensten en eventueel nog andere bijzondere diensten van een gemeente, bijvoorbeeld bij bevestiging van ambtsdragers.
•    De paaskaars kan buiten de paastijd geplaatst worden op een plek waar deze minder prominent aanwezig is (maar mogelijk wel in de nabijheid van het doopvont) en in principe niet brandt.

Don’ts
•    Het aansteken van de paaskaars aan het begin van de viering (Dienstboek p. 922: Als symbool van Christus die onze gastheer is, wordt de paaskaars altijd ontstoken voordat de kerk wordt opengesteld om de kerkgangers te ontvangen).
•    De paaskaars het hele jaar laten branden, zodat het mogelijk is dat paaskaars, adventskaarsen en de kerstboomverlichting naast elkaar branden. Waar is de protestantse soberheid gebleven?
•    Het doven van de paaskaars in de Stille Week, zodat het verbonden wordt met het lijden en de dood van Christus.

Idelette Otten is predikant in de protestantse gemeente Vleuten. Daarnaast is zij voorzitter van de Liturgische Kring.

1.  M. Klomp. ‘Ik ben met jullie, alle dagen…’, Over het doven van de paaskaars op Goede Vrijdag, in:  Eredienstvaardig, jaargang 27, no.1, februari 2011.
2.  F. Kalis, Er zij licht, werkboekje voor de eredienst no. 2, Schiedam 1988.
3.  Dienstboek, een proeve, Schrift, Maaltijd, Gebed, Zoetermeer 1998.
4.  De Eerste Dag, no.2011/2, commentaar bij 21 en 22 april door Bernadette van Litsenburg.
5.  P. Oskamp en N. Schuman, De weg van de liturgie, Zoetermeer 1998.
6.  J.A.Jungmann, De eredienst van de katholieke kerk, Roermond-Maaseik, 1959.
7.  W.Barnard, Op een stoel staan, Haarlem 1979.
8.  Voorbeeld van een tekst om uit te spreken bij het doven van de Paaskaars is die van Jill Klappe, zie mijn scriptie Uitblazing als aanblazing, over het doven van de paaskaars in de christelijke eredienst, Publicatieserie Stichting oud-katholiek Seminarie, no. 25, Amersfoort 1994.
9.  W. Barnard, Lofzang is geen luxe, Gepeins bij psalmen, Zoetermeer 2005.
10.  Maria de Groot, Lied van de lijdende Gods, gezang 523 Gezangboek van de Oud-katholieke Kerk van Nederland, Hilversum 1990.

Bron: Idelette Otten in Eredienstvaardig, november 2011