Kerkelijk jaar

Dag 34 – Maria langs de Via Dolorosa

Ik wacht. Het is druk. De mensen verdringen elkaar, iedereen wil vooraan staan.
Wat beweegt mensen om te gaan kijken naar het lot van veroordeelden, naar mensen die krimpend van pijn hun laatste adem uitblazen? Wat willen ze zien?
Ik zou er alles voor over hebben om hier niet te hoeven staan. Om me heen zijn de vrouwen die mij steunen, de vriendinnen die naast me staan. Ik voel hun medeleven in de arm om mijn schouder, de hand tegen mijn rug. Ze begrijpen dat ik hier moet zijn.
Thuiszitten zou nog erger zijn. Het weten dat ik het geluid van voetstappen dichterbij zou horen komen, de haastige tred van iemand die nieuws heeft. Slecht nieuws. De aanzegger. Hoe zou ik de deur kunnen opendoen? Ik zou verlamd aan tafel zitten.
In mijn hoofd zou het gaan gonzen van vragen waarop ik geen antwoord wil horen: Hoe was het? Hoe stonden zijn ogen? Heeft Hij nog iets gezegd? Hoe lang duurde…
Hij is mijn kind!
Ik ben zijn moeder.
Hoe zou ik het nieuws kunnen buitensluiten? De beelden zouden door het raam klimmen, door een spleet in de muur kruipen.
Op de tafel voor mij zou de voorstelling beginnen. Gruwelijk tafereel. Het zou mij nog zwaarder treffen dan de werkelijkheid. Ik ben beducht voor mijn voorstellingsvermogen. Sinds zijn geboorte werden mijn dagen bepaald door wat zou kunnen gebeuren.
Ik moet bij Hem zijn.
Er is iets wat mij overeind houdt. Noem het hoop.
Wie kent niet het gevecht tussen radeloosheid en hoop? Tot nog toe was er altijd een ongeloofl ijk moment van ommekeer. Dat ligt in zijn vermogen: Hij kan de wereld doen draaien en alles op zijn kop zetten. Die keer toen Hij van de rotsen geduwd zou worden! Hij was in de val gelopen en verreweg de zwakste. Maar toen draaide Hij zich om, ging rechtop staan en leek te groeien, hun handen vielen slap. Er was niemand meer die Hem tegenhield. Hij keek zijn belagers aan en men maakte ruimte. Hij kon zo naar beneden lopen, alsof ze Hem niet met man en macht omhoog hadden gesleurd! Vrij baan voor een vrij mens, onaantastbaar, van een andere orde.
Er zijn meer van die momenten geweest. Ze hebben Hem willen stenigen, maar de stenen vielen uit hun handen. Altijd was er die ommekeer. Hij stond boven de situatie, waardig en integer, zonder spoor van arrogantie. Als Hij wil, kan Hij alles, dat weet ik zeker.
Het vermoeden dat het nu anders afl oopt, groeit in mij tot zekerheid. De angst grijpt me naar de keel. Ik ben nog nooit zo bang geweest.
Ik moest wel komen en tussen het volk staan, langs de weg die Hij gaan moet. Juist deze keer moet ik erbij zijn.
In de verte klinkt gejoel. Daar zijn ze!
Mijn lichaam verkrampt in het gevecht van niet willen kijken en toch moeten zien.
Ik wil me terugtrekken achter de muur van mensen, weg uit de massa, maar ik dring me naar voren. Hij moet weten dat ik hier ben.
Hij is mijn zoon. Duw me niet opzij, ga niet voor me staan!
Zie Je me? Ik ben er.
Ik ben gekomen voor Jou!
Hij kijkt op, zijn ogen zoeken, Hij weet dat ik hier sta. Dit ogenblik is als het moment dat ik Hem voor het eerst in mijn armen hield.
Hij huilde nog niet, zijn ogen vol vreemde wijsheid keken mij aan, bij het fl akkerende licht van de olielamp. De geur van stro en de rustige geluiden van slapende dieren om ons heen, alles viel weg. Hij zag mij en ik Hem. Een moment was de hemel om ons heen.
Het wonder brak aan stukken toen ik fl uisterde: ‘Mijn jongen!’ Een halve waarheid, ik wist het. Mijn jongen, Hij ging huilen.
Er trekt een rilling door zijn gehavende lijf en zijn ogen lopen vol. Ik verdrink in die ogen.
Nog een keer zeg ik het, geluidloos en met bevende mond: ‘Mijn jongen.’
De halve waarheid.
De hele waarheid kent Hij, ís Hij. En ik kan daar niet bij.
Ik ben zijn moeder en verlies Hem vandaag.
Het gaat mijn begrip te boven.
Misschien heb ik het nooit begrepen.

Bron: Joke Verweerd, Wakker worden in het licht. Gedachten en gedichten rond Pasen