Kerkelijk jaar

Dag 33 – Vrijdag na zondag Judica

Jeremia 17 vss 13-18 en Johannes 11 vss 47-54

De bron van levend water, gisteren kwam die zegswijze ter sprake, vandaag vinden we haar opgetekend in de eerste lezing, Jeremia 17 vs 13. Het is voor het eerst, dat de profeet ons onder ogen komt wiens naam spreekwoordelijk geworden is voor klachten over onontkoombaar onheil. Het is vandaag voor het eerst, dat er ‘gejeremieerd’ wordt. Morgen gaat dat door, volgende week wordt het hervat. Het is volgende week de goede week of stille week en dan vertoont het oude brevier nog sporen van een gewoonte, lang geleden in zwang, om de Heer op zijn reis door het lijden heen te begeleiden met lezingen uit Jeremia, zijn profetieën, zijn klaagliederen. Ja, terwijl wekenlang dat brevier is teruggetreden achter de voorschriften van het missaal, krijgt het die laatste week weer een eigen gezicht, en dat is het gezicht van Jeremia, de gemartelde, miskende profeet.
Wij weten, dat van Abraham gelezen werd toen de vastentijd inging en dat die traditie van lezingen over de aartsvaders als het ware ondergronds ging. Hier en daar verried een enkel citaat nog die oude stroom, die vroegere lectio continua. Isaäk wordt even zichtbaar, als op zondag Reminiscere, de tweede van de vasten, uit Genesis 27 gelezen wordt in het brevier. Meteen zijn Jakob en Ezau daarmee binnen ons gezichtsveld, het is de geschiedenis van de zegen in Isaäks ouderdom, het geding van die twee broers. Dat verhaal staat in het missaal op de zaterdag na die zondag, daar hebben we het ook alle aandacht gegeven. Op zondag Oculi komt weer die oude onderstroom even naar boven, het brevier geeft dan te lezen Genesis 37, van Jozef en de broers, Jozef en Juda vooral. Maar ook dát leesstuk is in het door ons geraadpleegde missaal aanwezig, op de vrijdag aan die zondag voorafgaand. De latere samenstellers die het missaal hebben geordend, hebben die aartsvaderverhalen dus niet verwaarloosd; wat ze verwaarloosden, of liever: in hun catechetische ijver vervingen door andere accenten, was de voortgaande lezing van de tora, zoals die oorspronkelijk moet zijn beoefend: eerst Abraham, dan Isaäk en Jakob, dan Jozef en daarna Mozes.
Want als een wegwijzer duikt op de vierde zondag, het is dan zondag Laetare, in het brevier een lezing over Mozes op, een lezing uit het boek Exodus (wij beginnen dan het Pascha al te naderen). De week vóór die vierde zondag bewaart in aloude brevierteksten, responsies en antifonen, de naam Jozef. Opvallend vaak keert die naam terug. Maar de week ná die vierde zondag, de week tussen Laetare en Judica, noemt herhaalde malen de naam Mozes. Zo blijft de herinnering aan die apostolische traditie van tora-lezing toch bewaard. En dan voegt zich op zondag Judica, passiezondag, begin van de twee lijdensweken in de ware zin van het woord, bij Mozes de naam van die profeet, van Jeremia. Hij beheerst in dat domein van verwijzingen en parallellen de lijdenstijd, in toenemende mate wordt zijn naam vermeld. Maar hij is dan ook meer dan enig ander uit het Oude Testament gezien als een gestalte van het miskende, het lijdende woord. Isaäk in zijn offer verwijst naar de overgave van de Zoon. David in zijn omzwervingen geldt als degene die de vervolgde Gezalfde uitbeeldt en stem geeft. Maar Jeremia, de eenzame rechtvaardige, is de profeet die ten onder gaat aan de last die hij draagt. Er is veel geschreven over het drievoudig ambt van de Christus. Talloze preken zijn gehouden, waarin vaak op geforceerde wijze die indeling werd aangebracht: de priester, de koning, de profeet. Maar is het gezocht, om hier een drieslag te herkennen? Het offer van Isaäk, de miskenning van David, de afkeer van Jeremia’s profetie? Mij dunkt, dat wij hier werkelijk iets van dat ‘munus triplex’ mogen onderscheiden. En dat is dan in de oudste traditie. Jeremia’s profetie. Het is niet alleen wat hij zegt, het is ook wat hij doet en vooral wat hem wordt aangedaan. Wij kennen het boek Jeremia over het algemeen slecht. Ook wij, nu, gelovig en wel, hebben van Jeremia nog een afkeer! Jesaja wordt geplunderd, troost nemen wij graag in ontvangst. Maar de man die meer dan wie ook de martelgang van de Messias moest gaan en zijn lijdensweg banen, wordt niet gehoord. De oude kerk was daar anders in. Jeremia krijgt royaal plaats in het brevier, dat wijst op aandacht van oudsher voor zijn ‘jeremiade’. Als gezegd, vandaag en morgen komt zijn boek open te liggen, volgens de leesorde die wij nu eenmaal volgen. Maar ik sprak te ras, toen ik zei, dat nu voor het eerst die ‘ongeluksprofeet’ aan de beurt komt. Er is al twee keer eerder in de loop van de veertig dagen gelezen uit Jeremia. Dat was allereerst op donderdag na zondag Reminiscere (Jeremia 17 vss 5-10, waarvan vooral het negende vers buiten zijn zinsverband voortleeft in menige gemeente waar men de oproep tot schuldbelijdenis ritueel doet weerklinken!). En dat was vervolgens weer op een donderdag, een week nadien, donderdag na zondag Oculi, merkwaardig genoeg de twintigste van die veertig vastendagen, precies op de helft dus! Toen is gelezen Jeremia 7 vss 1-7, het stuk waarin de kreet voorkomt (uit de mond der vromen opgetekend en als leus ontmaskerd): de tempel des Heren, de tempel des Heren! Dat zweren bij het heilige huis is meineed, als er geen recht gedaan wordt. De liturgie maakt niet recht wat krom is, zij gaat zelf scheef, als ze niet meteen diakonaal wordt toegepast. Zolang er nog één mens honger heeft in Rome, mag de paus geen mis opdragen, – dat is niet de alternatieve slogan van een hedendaagse actiegroep, het is een citaat van Gregorius de Grote. Ook daarin was die man groot. De lezing uit Jeremia, diens klacht en aanklacht, wordt vandaag en morgen gecombineerd met lezing uit het evangelie van Johannes. Beide malen komt daarin Lazarus ter sprake als kroongetuige van de opstanding en daarom ‘steen ten val en steen des aanstoots’: Lazarus is evenals Jeremia een messiasfiguur in dit verband van zinnebeelden. Hij is, net als de profeet, een typos. Alleen met begrip voor typologie kunnen we die stukken lezen, zowel Oude, áloude, als Nieuwe, vérnieuwde, Testament. Het zou te simpel zijn, om Jeremia dan te zien als het type van de passieman en Lazarus als het type van de paasmens. Kruis en verrijzenis zijn niet als twee helften van een schelp te scheiden, ze zijn (zeker in het verhaal van Johannes) veel meer één. Ook Lazarus, wiens naam met de opstanding verbonden is, draagt de last van de verwerping. Zij zochten hem te doden, staat er (12 vs 10), evenals er staat, dat ze na Lazarus’ opwekking besloten, Jezus te doden (11 vs 53).

Bron: Stille omgang. Notities in het dagelijks verkeer met de Schriften