Kerkelijk jaar

Dag 32 – Uit de kinderbijbel: Jezus is stil

In de nacht gaat Jezus met zijn leerlingen naar een tuin, Getsemane. Jezus heeft gezegd dat Hij gaat sterven, maar zijn leerlingen willen dat niet horen.
In de tuin zegt Jezus: ‘Blijven jullie maar hier.’
Jezus loopt door en knielt neer om te bidden. Hij is zo bang. Hij moet sterven, morgen al. Hij zal bloeden, en pijn hebben, en straf krijgen die Hij niet verdiend heeft. Zweetdruppels lopen langs Jezus’ gezicht als Hij eraan denkt.
Dan komt er een engel bij Jezus, die Hem troost en helpt. Jezus staat op en gaat weer terug naar de leerlingen. Ze liggen te slapen in de donkere tuin.
Ineens komen er mannen met stokken aan. Judas, zijn vroegere vriend, geeft Jezus een kus, en dan pakken soldaten Jezus vast. Hij wordt meegesleept naar een groot huis, waar belangrijke mannen zijn. Er zijn ook leugenaars die liegen over Jezus. Jezus zegt niks terug. De belangrijkste man is de hogepriester. Die vraagt nu aan Jezus:
‘Bent U de zoon van God?’
‘Ja,’ zegt Jezus.
De hogepriester scheurt zijn kleren alsof hij papier in stukken scheurt. Hij wil laten zien hoe erg hij het vindt wat Jezus zegt. ‘U vloekt tegen God,’ zegt hij. ‘U zegt dat U Gods zoon bent, maar U bent een mens, U staat hier toch gewoon voor me.’
Maar Jezus is wél de zoon van God. Hij heeft bij God in de hemel gewoond.
Iemand begint Jezus te slaan, en iemand anders spuugt Hem in het gezicht.

De mannen zeggen tegen elkaar: ‘Jezus moet dood. Zo snel mogelijk.’
Het is bijna paasfeest, en op een feestdag mag je niet iemand doodmaken. Ze brengen Jezus naar Pilatus, de stadhouder. Laat die maar hardop zeggen dat Jezus dood moet.
Op het plein voor het paleis van Pilatus komen steeds meer mensen staan. Ze willen weten wat er met Jezus gaat gebeuren.

Pilatus ziet Jezus staan met vastgebonden handen. Jezus schreeuwt niet, Hij scheldt niet. Hij staat daar zo stil. Is dít een rover of een dief? denkt Pilatus. Is dít een moordenaar?
Pilatus vraagt aan Jezus: ‘Bent U de koning van de Joden?’
‘Ja,’ zegt Jezus. Maar daarna zegt Hij niks meer, ook niet als de mensen Hem overal de schuld van geven.
Pilatus is er verbaasd over. Hij zegt tegen de mensen op het plein: ‘Deze man heeft niks gedaan.’ Hij wil Jezus vrijlaten, maar nu beginnen alle mensen heel hard te schreeuwen:‘Weg met Jezus! Aan het kruis met Hem!’
Pilatus is bang voor al die woedende mensen die zo hard roepen. Nou ja, dan moet het maar, denkt Pilatus. Hij stuurt Jezus naar de soldaten. De soldaten gaan koninkje spelen met Jezus. Ze trekken Hem een rode mantel aan en zetten Hem een kroon op, die ze hebben gemaakt van prikkeltakken. Ze lachen en slaan met een tak op de prikkelkroon, zodat het Jezus veel pijn doet. Zijn hoofd bloedt. Maar Hij zegt niks.


Jezus wordt weggebracht naar een strafplek, de berg Golgota. Het is een eind lopen buiten de stad. Daar wordt Hij aan een stuk hout vastgespijkerd. Hij heeft niets verkeerds gedaan. Hij heeft alleen maar goede dingen gedaan: mensen over God vertellen, zieke mensen beter maken.
Nu gaat Jezus aan het houten kruis sterven. Hij krijgt straf die Hij niet verdiend heeft.
Weet je wie dat wél had verdiend? Wij… Wij mensen doen verkeerde dingen.Wij doen God vaak verdriet. Maar Jezus zegt: geef Mij de straf maar, in plaats van de mensen. Daarom zei Hij niks. Jezus houdt van ons. Omdat Hij sterft, mogen wij leven – voor altijd bij God. Er is weer blijheid gekomen.

Bron: Het Groot Kinderbijbelliedjesleesboek