Kerkelijk jaar

Dag 28 – Ik ken Hem niet

Lezen: Marcus 14:66-72

En meteen kraaide de haan voor de tweede keer (vs. 72).

Wat als ik daar op die binnenplaats van het huis van de hogepriester had gestaan? Ik denk het me in. Ik strek mijn trillende handen uit naar het vuur. Ik ril, ik heb het koud, ik ben op van de zenuwen. Ik heb Jezus gevolgd, jazeker, dat had ik immers beloofd? ‘Al zou iedereen U in de steek laten, ik niet, ik nooit!’ Hier ben ik, mijn Jezus, ik houd van U.
Boven, in de rechtszaal, wordt Jezus ondervraagd door het hoogste Joodse rechtscollege. ‘Bent U de Zoon van God, de messias?’
‘Ja,’ zegt Jezus, ‘Ik ben het.’
Beneden ziet een schoonmaakster mijn gezicht en ze zegt: ‘Jij hoort toch ook bij Hem?’
‘Nee,’ zeg ik, ‘ik niet, ik ken Hem niet eens.’ En als anderen erbij komen staan, herhaal ik het, tot driemaal toe.
Hoeveel is er voor een volgeling van Jezus voor nodig om Hem te verloochenen en ter wille van eigen veiligheid zich te verschuilen in de massa? Hoeveel is er voor nodig om niet onszelf, maar Jezus te verloochenen? Voor Petrus? Voor mij?
Kijk, daar vliegt een haan op een mesthoop, hij schudt zijn veren en kraait. Maar het blijft donker, de morgen is nog ver.
‘Ik hoor niet bij Jezus, ik ken Hem niet.’
Maar weer kraait de haan, voor de tweede keer. Jezus en Petrus horen het allebei, op hetzelfde moment. Petrus vlucht het donker in en Jezus draagt straks zijn kruis naar Golgota. De morgen is in aantocht! De haan kraait een lied tegen het vallen van de nacht (Barnard). En zo vaak ik een haan zie die op een kerktoren het licht van de zon opvangt, weet ik het weer: Jezus bouwt zijn koninkrijk niet op helden. Niet op Petrus, niet op mij. Hij bouwt het op zijn liefde.

De haan kraait dat de dag begint,
het licht het duister overwint.
(LvdK, 371)

Bron: Dien de Haan, Lees maar, er staat meer dan er staat