Kerkelijk jaar

Dag 27 – Johannes

Ik kijk naar Hem en mijn hart breekt.
Daar staat Hij voor de hogepriester en het Sanhedrin. Zie zijn schouders, strak en beheerst, zijn mond een smalle streep. Zie zijn ogen, waakzaam en droevig tegelijk. Hij is op zijn hoede, maar Hij is niet uit op ontsnapping. Hij zal niets ter verdediging aanvoeren, geen woord, geen gebaar. Hij laat het gebeuren. Hij heeft geen verzet, geen verweer. Alsof het onontkoombaar is, zo staat Hij daar.
Ik zie hoe Hij moeilijk slikt en zijn ogen even omhoog laat dwalen. Hij zoekt U, God, alsof Hij hoopt op een blik van verstandhouding. Weet Hij de uitkomst van dit tribunaal? Was het Hem aldoor bekend waar het eindigen zou? O, God, hoe kan het kwade het winnen van het goede? Waar bent U toch? Bent U doof? Blind?
Hier staat Hij, Jezus, de allerbeste mens die ik ken, Hij van wie wij geloven dat Hij de Messias is! Nooit heeft Hij kwaad gedaan, nooit de verkeerde keuze gemaakt. En nu neemt het kwaad Hem te grazen. Ik kan het niet tegenhouden. Maar waar is uw macht? Waarom houdt U het niet tegen?
Spreek, Heer, en de ogen van onze oversten zullen opengaan. Leg met uw gezag hun spot en verachting aan banden. Gun hun een blik in hun eigen kleine jaloerse hart! Houd hen een spiegel voor, zodat ze schrikken van de karikatuur van deze rechtspraak. Zeg hen dat ze de vergissing van hun leven begaan!
Ik sta met machteloos gebalde vuisten. Ik kan alleen maar radeloos toekijken. Hoe zou ik iets kunnen betekenen, ik heb mijn handen vol aan mijn eigen keuzes, mijn eigen gevecht. Ben ik zo-even niet weggerend, uit angst, uit lijfsbehoud? Ik heb Hem alleen gelaten, terwijl ik niet zonder Hem kan. Wat blijft er van mij over? Hoe moet ik verder? Wat ben ik waard? Ik schiet tekort, steeds opnieuw.
En Hij? Hij krijgt de rekening en betaalt.

Bron: Joke Verweerd, Opluisteren. Verhalen, gedichten en gebeden voor christelijke feesten