Geen categorieOverige

Dag 19 – Jezus’ dood was zijn daad

Johannes 19:30b

Na gedane arbeid
‘Hij boog zijn hoofd en gaf de geest.’ Het zijn maar een paar woorden uit het lijdensverhaal van Jezus. Eén korte zin over het moment van zijn sterven. De ‘uiterste seconde’, zo noemde de schrijver Vestdijk dat kantelmoment aan het einde van een mensenleven. Dat kwam voor Jezus toen hij klaar was met zijn werk. Vlak daarvoor gebeurde er nog iets. Jezus had gefluisterd dat hij dorst had. Toen had iemand een spons in een vat azijn gedoopt en die spons op een tak naar de mond van Jezus geheven. Jezus had eraan gezogen. Daarna kon hij zeggen: ‘Het is volbracht!’ Hij zei zelf dat hij klaar was. Pas toen stierf hij. De dood overkwam hem niet en hij werd er niet door verrast. Zijn dood was zijn daad. We weten ook dat stadhouder Pilatus zich verwonderd heeft dat Jezus al gestorven was (Mar. 15:44). Ook daaruit maak je op dat Jezus niet, zoals andere kruiselingen, van uitputting gestorven is. De profeet Jesaja had het zo voorspeld in zijn messiaanse profetieën: ‘Ongebroken en vol vuur zal hij het recht op aarde vestigen’ (Jes. 42:4). En zo is het ook gebeurd: na gedane arbeid is Jezus bewust gestorven.

Heengaan
Kom daar bij ons mensen eens om! Hoevelen worden niet midden in hun werk uit het leven weggeroepen, zonder dat ze de dingen waaraan ze begonnen waren hebben kunnen voltooien. Trouwens, ook voor degenen die wel hun doel hebben bereikt, is de voltooiing van hun werk toch maar betrekkelijk. Wie is eigenlijk klaar in dit leven? Maar de Heer Jezus kon dit zeggen. Wat hij zich had voorgenomen, heeft hij ook helemaal kunnen uitvoeren. Dat wijst erop dat hij boven de dingen stond, zelfs boven zijn eigen leven. Hij wás niet zijn leven, zoals dat bij ons het geval is, maar hij hád zijn leven. Hier was Jezus en daar was zijn leven en hij beschikte daarover. De heiland heeft dit zelf gezegd. Ik denk aan deze passage uit het Johannes-evangelie: ‘De Vader heeft mij lief omdat ik mijn leven geef, om het ook weer terug te nemen. Niemand neemt mijn leven, ik geef het zelf. Ik ben vrij om het te geven en om het weer terug te nemen – dat is de opdracht die ik van mijn Vader heb gekregen’ (Joh. 10:17-18). Jezus’ dood is iets geheel eigens geweest. Een actief heengaan, zoals hij zei: ‘Ik ga weg’ (Joh. 8:21). In de bijbelvertaling van 1951 staat: ‘Ik ga heen.’ Wij gebruiken dat woord ‘heengaan’ ook nog wel voor sterven, maar in Jezus’ mond klinkt het veel actiever en doelbewuster. Als iemand anders dit gezegd had, zou je bijna even aan zelfdoding kunnen denken. Jezus heeft bij de Joden ook wel onder de verdenking van zoiets gestaan, getuige hun vraag: ‘Hij zal toch geen zelfmoord plegen, dat hij zegt dat hij ergens naartoe gaat waar wij niet kunnen komen?’ (Joh. 8:22). Maar Jezus was geen slachtoffer, ook niet van zichzelf. Zijn dood was iets heel aparts. De profeet Jesaja had voorspeld: ‘Hij offerde zijn leven voor hun schuld’ (Jes. 53:10).

Net zo en anders
Dat is meteen het voornaamste wat ik over het sterven van Jezus wil zeggen. Dat het zijn daad was, zijn daad voor ons. Zoals dat van zijn hele leven geldt. Hij is onze bemiddelaar. Ik herinner mij dat ik eens een goede vriend van me opzocht in het rooms-katholieke ziekenhuis in Helpman. Toen ik daar aankwam was mijn vriend geheel onverwachts net gestorven. De directrice van het ziekenhuis, een religieuze, ging met mij mee naar de kamer waar hij opgebaard was. Toen ik daar ontsteld en verslagen bij stond, zei ze: ‘Wat een troost dat onze heiland net zo geweest is.’ Ik zal dat nooit vergeten. Het was waar, de Heer Jezus is echt als mens, als een van ons, gestorven. En toch ook weer heel anders dan wij. Als iemand die baas was over de dood en niet, zoals wij, onderworpen aan de dood. Als iemand die inderdaad macht had zijn leven af te leggen, zoals hij op de morgen van Pasen macht had het weer aan te nemen. Deze majesteit van hem proef ik in het korte bericht van Johannes: ‘Hij boog zijn hoofd en gaf de geest.’ Met opgericht hoofd Ik zat weer eens naar de Johannes Passion van Bach te luisteren en toen trof mij de aria Mein teurer Heiland, lasz dich fragen. Dat gaat dan zo: Mijn lieve heiland, mag ik vragen – u bent nu aan het kruis geslagen, u hebt gezegd: het is volbracht –: Hebt u voor mij de dood ontkracht? En kan ik door uw pijn en sterven het hemelrijk beërven? Klinkt overal het ‘gloria’? Uw stem kan geen geluid uitdragen. U buigt het hoofd, en daarmee zegt u zwijgend: Ja! (Vertaling Hans Werkman)

Dit is heel lief bedacht. Hier wordt een ontroerende uitleg gegeven van wat Jezus deed toen hij stierf: hij boog het hoofd. Het is in dit gedicht opgevat als een ‘ja’ knikken, een bevestigend antwoord op een gestelde vraag. De dichter van deze aria kan zich daarvoor strikt genomen niet op de tekst van het evangelie beroepen. Het is een vrije gedachte. ‘Dat zie ik erin,’ zegt de dichter. En hij zit er niet helemaal naast, want het neerknakkende hoofd van Jezus mag inderdaad in verband worden gebracht met de voltooiing van zijn werk op aarde. Zoals ook wij soms na een zware klus met een zucht van verlichting het hoofd laten zakken: Ziezo, dat is gedaan. Maar het blijft toch inlegkunde om het zich buigende hoofd van Jezus als een gebaar van ‘ja’ op te vatten. Lief, maar met toch te veel fantasie.
Sterker vind ik het volgende. Ik zat eens met een collega over deze tekst te praten. We moesten beiden een preek voorbereiden voor Goede Vrijdag en kozen daarvoor dezelfde tekst. Deze tekst. Toen maakte hij deze fijne opmerking: ‘Uit het feit dat de Heer Jezus bij het sterven zijn hoofd boog, maak je op dat hij met opgericht hoofd aan het kruis gehangen heeft.’ Dat hield pas bij zijn dood op. Met opgericht hoofd, dat herinnert aan iets wat de heiland zei in zijn rede over de laatste dingen, over de zware eindfase van de geschiedenis: ‘Wanneer dat alles staat te gebeuren, richt je dan op en hef je hoofd, want jullie verlossing is nabij!’ (Luc. 21:28). De heiland spoort zijn leerlingen hiermee aan om in het lijden van de eindtijd de moed niet op te geven en het uitzicht op de komende heerlijkheid niet uit het oog te verliezen. En hij zou dan zelf aan het kruis het voorbeeld hebben gegeven door met opgericht hoofd het lijden te ondergaan, tot aan het moment dat ook dit niet meer hoefde. Dat is een mooie gedachte. Het bericht van Johannes over het buigen van het hoofd van Jezus zegt zo ook iets over hoe Jezus het lijden ondergaan heeft.
Omhoog geheven Dat sluit goed aan bij dat wat Johannes daarover in zijn evangelie vertelt. Hij heeft het namelijk over het omhoog geheven en verheerlijkt worden van de Heer Jezus. Als je dat leest denk je: dat gaat zeker over zijn hemelvaart. Maar nee, niet alleen de hemelvaart is bedoeld, maar ook het omhoog geheven worden aan de kruispaal. Denk maar aan wat Jezus zei: ‘Wanneer ik van de aarde omhoog geheven word, zal ik iedereen naar mij toe halen.’ Het commentaar van de evangelieschrijver is dan: ‘Daarmee bedoelde hij de wijze waarop hij zou sterven’ (Joh. 12:32-33). Het is wel heel bijzonder dat de heiland zo over zijn lijden aan het kruis gesproken heeft. Hij noemde het: ‘omhoog geheven worden’. Hij zag zijn kruis en zijn hemelvaart als één weg naar boven, compleet met majesteitelijke verheerlijking. Ook zijn bewuste manier van sterven hoort daarbij. Johannes heeft in zijn evangelie opgeschreven wat hij uit de mond van de heiland gehoord had: ‘De tijd is gekomen dat de Mensenzoon tot majesteit wordt verheven. Waarachtig, ik verzeker u: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht’ (Joh. 12:23 en 24). Het gaat hier in de eerste plaats over zijn dood. Hij neemt zijn dood met majesteit op zich, een dood die vrucht zal dragen. Elke indruk wordt weggenomen dat het lijden van de Heer iets zieligs geweest zou zijn. Het is wel iets verschrikkelijks geweest, maar zielig, nee, dat is absoluut niet het goede woord. Het was niet maar ‘de uiterste seconde’ die hij niet kon ontlopen. Zijn dood was zijn daad. Door al het verschrikkelijke heen heeft de luisterrijke majesteit van God aan het kruis geschitterd. Het was de glans van Gods liefde, van zijn genade. Laten we dit altijd weer bedenken als we ons verdiepen in het lijden van de zaligmaker. We moeten er niet iets treurigs en zieligs van maken, maar we mogen in al het verschrikkelijke het mooie ontdekken. In de vernedering aan het kruis werd Jezus tegelijkertijd verheven tot majesteit. Het is erg dat het moest gebeuren, maar het is heerlijk dat het gebeurd is. Heerlijk en hoog!

Gespreksvragen

  • In zijn gedicht ‘De uiterste seconde’ noemde S. Vestdijk het leven een ‘wedloop met de tijd’. Hoe zou je reageren als een vriend van je het leven zo zou noemen?
  • Aan het begin van dit hoofdstuk staat: ‘Jezus wás niet zijn leven, maar hij hád zijn leven.’ Bespreek deze zin met elkaar.
  • In Johannes 10:18 staat dat Jezus vrij is om zijn leven te geven, en ook dat zijn Vader hem daarvoor de opdracht geeft. Dat lijkt tegenstrijdig. Kun je dit verhelderen? Of zou het juist goed zijn dat je het niet oplost, omdat het geloof ook een mysterie blijft?
  • Voordat Jezus stierf boog hij zijn hoofd. In dit hoofdstuk worden daarop twee visies gegeven, zonder dat de ene uitleg helemaal goedgekeurd wordt en de andere afgekeurd. Er is wel voorkeur. Wat vind je belangrijker: allerlei visies op een tekst verzamelen en daaruit kiezen, of over een tekst in stilte nadenken, er met elkaar over praten en je er vooral met hart en ziel in verdiepen, zodat je dicht bij Jezus bent? Is Galaten in strijd met wat in dit hoofdstuk staat over het omhoog geheven worden aan het kruis? Of is het een andere kant van dezelfde zaak?

Lezen: Johannes 19:17-30
Zingen: ‘Golgota’, ook te zingen op de melodie van Lied 177 uit het Liedboek voor de kerken. Bijpassende liederen uit het Liedboek voor de kerken:
Psalm 22:1, 8
Psalm 118: 1, 8
Lied 182: 1, 6
Lied 355: 6, 7
Lied 449:1-5

Bron: Henk de Jong in Er gaat een Man door Kanaan.Negen ontmoetingen met Jezus