AdventstijdPastoraatRelaties

Dag 21: Gemis op gedenkdagen

Feestdagen zijn vaak ook de gedenkdagen van het jaar. Het zijn juist ook de dagen waarin het gemis van het verlies van een geliefde weer extra schrijnend kan zijn. Margriet van der Kooi schrijft hierover in haar boek Verdriet is een werkwoord. Een leesfragment over gedenkdagen en omgaan met gemis.

Verder kunnen, voortgang

 

Het komt niet alleen van de lente in de lucht. Ik weet het zeker.
Het komt omdat ik van dag tot dag meer levend word
ondanks diepe inzinkingen soms, dat ik mijn bloed voel tintelen…
Ik wil de vreugde zien.

Joke Forceville-van Rossum[1]

 

Ineens kunnen er dagen zijn dat hart en hoofd en lijf meer bij elkaar komen. Dat is iets heel anders dan weer ‘de oude worden’. De rouwarbeid maakt ons tot andere mensen. Misschien zijn we sterker geworden, als we onszelf beter hebben leren kennen, als we hebben kunnen ‘antwoorden op leed’. Als er voorzichtig ruimte kwam om niet steeds en alleen vastgehouden te zijn door het gemis, maar om te ontvangen wat er ook is − dingen die er eerder al waren, nieuwe dingen. Een vrouw zei: ‘Ik reed op een winterochtend naar de stad en zag als voor het eerst weer hoe stralend wit de sneeuw op het land lag, hoe de winterzon erover streek en ik voelde ineens dankbaarheid en vitaliteit in me binnenstromen tegelijk met dat licht. Ik dacht aan een oud woord dat ik blijkbaar ergens heb opgeslagen: “O Schoonheid, zo oud en zo nieuw.” Er begon een lied in mij te zingen, ik deed mee, een beetje bibberig, en deze tranen waren ook nieuw. Ik denk dat ik huilde van ontroering dat ik weer voorzichtig opsta. Maar ik sta op en ik ga weer. Ik heb bijna zin om er achteraan te zeggen: “Zo waarlijk helpe mij God almachtig.”’

Niet de oude, wel een beetje nieuw.

Meteen doemen er vragen op: hoe kan dat nu? Wil ik dat wel? Dezelfde vrouw zei: ‘Het voelt niet loyaal, alsof ik hem verraad, vergeet. En de dag erop was het gemis er weer in alle hevigheid. Maar dat gevoel van die winterochtend overkwam me sindsdien vaker. Ik ben er blij om.’

‘Dagen van voort-bestaan’ noemt Joke Forceville het, na de ‘dagen van na-bestaan’. De pijn van gemis blijft schrijnen, schrijft ze. En: ik wil de vreugde zien. Voor haar heeft dat er ook mee te maken dat er nog iets uitstaat, de verwachting dat alles goedgemaakt zal worden. Niet dat ‘het komt wel goed’ waarmee we elkaar zonder reden optimistisch en vaak veel te vroeg geruststellen. Ze is geen hemelstaarder, maar hoopt erop dat Gods eeuwigheid niet alleen voor straks is, maar het hier en nu al kwaliteit geeft.

Als die dagen niet komen, als het gemis niet verandert, als paniek en somberheid de boventoon blijven voeren is er reden hulp te gaan zoeken. Ga liever op mond-tot-mondreclame af dan op internetsites: daar is te veel kaf onder het koren. Iedereen die zin heeft, mag zich als levensbegeleider aanbieden. Een goede huisarts, pastor of maatschappelijk werker kan helpen zoeken.

Ook die tijd is een deel van de rouwarbeid: er moeten vormen gevonden worden om de voortgang te borgen. Gedenkdagen zijn dagen om ons de gebeurtenissen in ons leven die belangrijk zijn, waar een verhaal bij hoort, in herinnering te blijven brengen. We schudden die herinneringen niet van ons af: die horen bij ons, onvervreemdbaar. De geboortedag van een dierbare dode zal nooit meer als verjaardag gevierd worden, maar wel als dag waarop hij geboren is. We blijven zeggen dat we dankbaar zijn dat hij ooit geboren is, dat we hem hebben leren kennen, dat hij een plaats in ons leven kreeg.

Net als zijn sterfdatum is dat een andere dag dan de andere. We kunnen erover nadenken hoe we zulke dagen gedenken willen. Doe iets dat met hem te maken heeft: maak een gerecht waar hij van hield, lees aan tafel een lied dat hem dierbaar was of een gedicht. Zet een foto in het blikveld met bloemen waar zij van hield, brand er een kaarsje of paaskaars bij, luister met aandacht naar een muziekstuk waar hij van hield.

Feestdagen en zondagen zijn moeilijk omdat ze beschouwd worden als dagen van gezelligheid en samenzijn, en ook omdat ze bedoeld zijn als gedenkdagen. De belangrijke ondertoon van veel van de feestdagen is dat er iets herdacht wordt. Dat gaat niet alleen over feestelijkheid. Vaak hoort in het Verhaal waar het feest naar verwijst ook pijn. Kerst is niet alleen het feest van gezellig samenzijn, maar verwijst naar geboortepijn en naar de bestemming van het Kerstkind. De vastentijd en Pasen zijn in hun aard gedenkdagen die herinneren aan gemis en het overkomen daarvan. Zelfs op de zondag reist er een verhaal mee van wanhoop en hoop. De Verhalen die daarbij horen, kunnen op zulke dagen gelezen worden als verhalen van hoop, niet alleen voor gestorvenen, maar ook voor rouwenden.

Als je niet ingebed bent in een traditie die zulke gedenkdagen koestert, zijn er misschien andere dingen te bedenken. Je kunt zoeken naar wat vroeger de belangrijke dagen vulde en daar elementen van hoog houden. Je kunt in een enveloppe of doos bijzondere brieven en documenten of cd’s bewaren waarvan je weet dat het je goeddoet om die te herlezen of te bekijken en te beluisteren. Je kunt een aparte doos of map met brieven aanleggen van mensen die je dingen schreven die je troostten en die daarom het bewaren en herlezen waard zijn.

‘Na het eerste jaar was ik eraan toe om haar kleren op te ruimen,’ zei een man. ‘Men had erop aangedrongen dat ik dat meteen zou doen, maar daar heb ik gelukkig weerstand aan geboden. Ik heb alles naar een goed doel gebracht, behalve haar rode jasje. Dat hangt aan de kapstok; ik zie het als ik uitga en als ik thuiskom. En dan denk ik: Tot ziens, lieve schat. Morgen zie ik je weer.’

‘Voortaan zal ik de wereld door tranen heen waarnemen. Ik zal daardoor dingen zien die ik eerder niet zag,’ schreef een vader. ‘Ik heb een nieuw besef van de tegenwoordigheid van de dood. Ineens word ik gewaar hoeveel dood er om me heen is: de schrijvers van de boeken die ik lees, de componisten van de muziek die ik hoor, de architect van het huis waarin ik woon.’

Maar hij houdt vol: ‘Mijn zintuigen staan meer open voor schoonheid, ik denk dat ik dichter bij het leed van anderen kom. Ik heb veel geleerd. Maar ik zou dat alles onmiddellijk inleveren als ik daardoor mijn kind weer terug had.’ Hij maakt verlies niet mooier dan het is. Daar is óók moed voor nodig.

 

Op een zonnige middag komt onverwachts de vader van Jos onze tuin binnen wandelen. Ik ben bezig met de laatste correcties voor dit boek en zo komt het dat we erover in gesprek raken.
‘Wat mij erg geholpen heeft, is het beeld van “De Nachtwacht”,’ vertelt Douwe. ‘Je weet dat Rembrandt dat schilderij maakte voor de feestzaal van de schutterij. Later werd het verplaatst naar het stadhuis op de Dam, maar het was te groot. Er werd gewoon van alle zijden een stuk afgesneden om het passend te maken. Het doek dat nu in het Rijksmuseum hangt, is een flink stuk kleiner dan het oorspronkelijke schilderij, maar het is nog steeds prachtig. Zo is voor ons het verlies van Jos geworden. We zijn met duizend draadjes met hem verweven. Zijn dood heeft ons hele weefsel aangetast en veel draadjes zijn afgehecht, maar hij hoort altijd bij ons leven. Dat leven is nog steeds prachtig en ook ontbreekt er een stuk. Dat zal altijd zo blijven, tot onze dood. Het is allebei waar: we missen Jos, elke dag, en we leven met vreugde, elke dag.’

Zo hebben zij het gedaan, deze ouders: ik heb het gezien. En ik heb gezien dat zij een bron van wijsheid en vrolijkheid zijn voor velen. Toch en toch.

 

Ik wil de vreugde zien, schreef Joke Forceville. Ze begon na haar dagboek van na-bestaan een dagboek van voort-bestaan. De boeken horen bij elkaar, maar de delen zijn onderscheiden.
Het eerste boek sluiten, een ander boek openen. Beide onder handbereik.

[1] Joke Forceville-van Rossum, Dagen van na-bestaan. Dagboek van een rouwproces. Amsterdam: Ambo, 1978, p. 71 en 79.