AdventstijdHomiletiek

Dag 20: Advent met Maleachi

Een bekende adventstekst uit het Oude Testament is de tekst uit Maleachi 3 vers 1: Zie, Ik zend mijn bode, die voor mijn aangezicht de weg bereiden zal; plotseling zal tot zijn tempel komen de Here, die gij zoekt, namelijk de Engel des verbonds, die gij begeert. Zie, Hij komt, zegt de Here der heerscharen. (NBG) In de bijdrage van vandaag een uitleg bij deze tekst en de context ervan uit Tekst voor Tekst, een beknopte verklaring van alle Bijbelboeken.

Eerste aankondiging van de Dag des HEREN 2:17-3:5

Hier begint een nieuw gedeelte. Israel klaagt erover, dat de reeds zo vaak beloofde komst des HEREN uitblijft en dat het de goddelozen goed gaat, zie ook Maleachi 3:13. Als antwoord op dit ongeduldig vragen van het volk van het Verbond, belooft de HERE, dat Hij welhaast ten gerichte komt (3:1). ‘Zie, Ik zend mijn bode’: de komst des HEREN wordt beschreven als die van een Koning tot zijn paleis. Vóóraf gaat de heraut, de bode (Hebr.: maleachi), die de weg moet banen. Deze gedachte komt ook voor in Jes. 40:3 en is misschien door Maleachi daaraan ontleend. Evenals in 4 vers 5 bedoelt de profeet met deze bode: Elia. Vervuld is dit woord blijkens het Nieuwe Testament in het optreden van Johannes de Doper, zie Mat. 11:10; Mar. 1:2; Luc. 7:27; Joh. 1:21. Met De Engel des verbonds wordt de Messias bedoeld, de komende Christus; zie over Hem, Gen. 16:7 e.a. Die gij zoekt (vs 1) drukt het verlangen uit naar de Dag des HEREN, welke het volk beschouwde als een Dag van louter heil. Op die grote Dag zal de HERE zitten (als rechter), terwijl Hij als een goudsmid (een veel voorkomend beeld, vgl. Jes. 1:25; 1 Petr. 1:7) het zilver smelt en reinigt. Loog is een scherpe zeepsoort, dat de vuilheid wegvreet. De zonen van Levi (vs 3) zijn de priesters, zie op 2:4. In de Dag van het gericht zal de HERE optreden als een snelle aanklager (letterlijk getuige, vgl. 2:14) tegen de volgende groepen van zondaars: tovenaars, echtbrekers, meinedigen die het loon van een dagloner drukken (zie Lev. 19:13) weduwe en wees verdrukken (zie Ex. 22:22 v) de vreemdeling terzijde dringen (zie Ex. 22:21; 23:12). Deze in vers 5 genoemde categorieën worden samengevat in allen die Mij niet vrezen.

Oproep tot bekering, 3:6-12

Met de vroegere profeten heeft Maleachi gemeen, dat hij de oproep tot bekering tot zijn volk richt. Het volk klaagt, dat de oogst mislukt tengevolge van droogte en een sprinkhanenplaag (vs 11): de afvreter, vgl. Joël 1:4, 6). Ze hebben dit echter aan zichzelf te wijten, omdat ze niet trouw de tienden betaalden. Zie over de tienden oa. Lev. 27:30. In vers 8 is ook sprake van de heffing; dit woord ziet op de vrijwillige gaven, welke men gaf voor het heiligdom, zie Ex. 25:2; Lev. 22:12; Num. 5:9. Wanneer men deze gaven weer brengen zou naar de voorraadkamer’(vs 10, dit is de opslagplaats in de tempel, bestemd voor de priesters èn voor de offers, zie 2 Kron. 31: 11 v; Neh. 10:38; 13:12), dan zou de zegen des HEREN niet uitblijven en zou God de vensters van de hemel openen, een overvloedige regen doen neerstromen, vgl. Gen. 7:11; 2 Kon. 7:2.

Dan zullen (vs 12) alle volken hen gelukkig prijzen en Israel zal een begeerlijk land zijn (Zacharia 8 vers 13)

Tweede aankondiging van de Dag des HEREN 3:13-4:3

Opnieuw (zie 2:7) de klacht over het uitblijven van Gods komst ten gerichte. Het volk zegt het zelfs met vermetele (vs 13; Hebr.: sterke) woorden. Ze vragen zich af, wat het voor zin heeft in rouw te gaan voor het aangezicht van de HERE Sebaot (vs 14). Bedoeld als teken van verootmoediging en uiting van boete, vgl. 2:13. Zie ook Psalm 35:13; 38:7; Joël 1:13. En dat, terwijl de overmoedigen (vs 15) voorspoed hebben! We treffen hier dezelfde gedachtegang aan als in Psalm 73:3.

Dan (namelijk wanneer God gekomen is ten gerichte, vgl. Micha 3:4) spreken zij die de HERE vrezen: er zijn gelukkig nog mensen, die God vrezen en Hem dienen! God schreef een gedenkboek (vs 16) voor zijn aangezicht; de voorstelling van een boek bij God behoort bij de apocalyptische literatuur, zie Ex. 32:32; Psalm 139:16; Jes. 4:3;65:6; Ez. 13:9; Op. 20:12. Het beeld sluit aan bij het gebruik van oosterse koningen aantekeningen te laten houden van de voornaamste gebeurtenissen aan het hof, vgl. Ester 6:1; Dan. 7:10; Hand. 10:4. De gelovigen zijn Gods eigendom (vs 17). Welk een troost en bemoediging voor hen! Vgl. Ex. 19:5; Deut. 7:6; Ps. 135:4; Heid. Cat. zondag 1. Ik zal hen sparen: met hen medelijden hebben, zie Joël 2:18, zoals iemand (= de vader) zijn zoon spaart; vgl. 1:6; Luc. 15:29.

In Mal. 4:1 wordt gesproken over de dag. Bedoeld is de Dag des HEREN (hebr.: jom Jahwe), zie 3:17; 4:5. Brandend als een oven: een beeld van het alles verterend vuur van Gods heiligheid, dat op die Dag al wat zondig is zal wegdoen, zie Ps. 21:10; Jes. 10:16 v; Sef. 1:18; 3:8; Hebr. 12:29. De goddelozen worden geheel verteerd, zoals dat met ‘stoppels’ het geval is, vgl. Jes. 5:24, 47:14; Ob.:18; Nah. 1:10; Zach. 12:6, welke hun wortel noch tak zal overlaten; zie Job 18:16; Amos 2:9.

Daartegenover wordt de positie beschreven van hen, die de naam des HEREN vrezen. Voor hen zal de zon der gerechtigheid opgaan. Deze benaming wordt ook aan Christus gegeven, maar het beeld is hier algemener bedoeld: de zon als bron van licht en symbool van heil en voorspoed, vgl. Ps. 97:11 en gerechtigheid staat hier voor heil, zoals meermalen in het O.T.: Ps. 132:9; Jes. 40-66; vgl. Luc. 1:78. Onder haar vleugelen is genezing: in het wapen van Assyrië en in dat van Perzië kwam een gevleugelde zonneschijf voor; zie ook Ps. 17:8.

Tekst voor Tekst, de Heilige Schrift kort verklaard en toegelicht (dr. ir. J. van Graaf e.a.)