AdventstijdKinderenRelaties

Dag 18: Een kerstverhaal

Kerstfeest vieren met de gemeente, de zondagsschool, de kinderclub, de jeugdvereniging, de mannen- of vrouwenvereniging of de seniorenclub: gedurende de hele maand december zijn er de ieder jaar terugkerende kerstvieringen. Een vast onderdeel van al deze kerstvieringen is een kerstvertelling. Altijd is het weer moeilijk om een verhaal te vinden dat aanspreekt, boeit, precies lang genoeg is en geschikt om voor te lezen. Hieronder een voorbeeld van een mooi kerstverhaal, geschikt voor alle leeftijden.

 

Kerst in Somalië

Verveeld schopte Salim tegen een steentje dat toevallig voor zijn voeten lag. Een stofwolkje dwarrelde op. Hij krabde op zijn hoofd. Er zat een korst onder zijn haar op de plaats waar hij al wekenlang jeuk had. Hoe lang zwierf hij nu al door deze stad? In een land waar hij niet thuishoorde en waarvan hij de taal niet sprak? Drie maanden? Of waren het er al vier? Hij wist het niet. Iedere dag was uitzichtloos hetzelfde.

Hij ging op de rand van het muurtje zitten, net zoals alle dagen daarvoor, en veegde het zweet van zijn voorhoofd. Vreselijk, die hitte. In Nederland was het ook wel eens zo warm geweest, maar na een paar dagen was dat meestal wel voorbij. Hier in Afrika leek het nooit op te houden. En die stank, ook daar raakte hij maar niet aan gewend. Alsof hij de hele tijd met zijn hoofd boven een afvalbak met rottende spullen hing. En afval lag er genoeg op straat. Een vuilniswagen had hij hier nog nooit gezien.

Het was behoorlijk druk. Auto’s reden vlak langs een groepje vrouwen die grote manden op hun hoofden in evenwicht hielden. Ze waren op weg naar de markt even verderop. Ook dat was anders dan in Nederland, zoals bijna alles anders was.

Salim zuchtte diep en liet zijn hoofd hangen. Onder zijn voeten schoot een reptiel door. Het diertje verborg zich in een spleet van het muurtje. Zou het giftig zijn? Hij trok zijn benen op. Net iets te ver, want daardoor scheurde zijn broek, precies tussen zijn benen. Ook dat nog! Zijn kleren waren totaal versleten; hij had ze niet uitgehad sinds hij uit Nederland was vertrokken. Af en toe vond hij wat troebel water, net genoeg om zijn handen en gezicht te wassen. Zijn T-shirt, dat ooit wit was geweest, was nu donkergrijs en zat onder de vlekken en zwarte strepen. Zijn ogen dwaalden langs de straat en bleven rusten op een stalletje waar kleren te koop hingen, nog geen twintig meter van hem vandaan. De eigenaar zat ernaast op een stoel te slapen. Als hij vlug was, dan kon hij ongemerkt een broek pakken…

Maar voordat hij zijn gedachten in daden kon omzetten, schrok hij op van het getoeter van een kleine vrachtwagen. Een kip stoof er luid kakelend vlak voorlangs en belandde bijna bij Salim op schoot.

‘Goed gedaan, kleine. Kijk maar uit, voordat ze je platrijden. Dan is er geen soep meer van je te maken.’ Met een handbeweging joeg hij het dier naar een veiliger plek. Door de gedachte aan eten voelde hij zijn lege maag weer. Wanneer had hij eigenlijk voor het laatst iets gegeten? Gisteren had hij niet veel kunnen vinden. Andere jongens waren hem voor geweest. Er waren veel jongens die, net als hij, op straat leefden. Maar geen van hen sprak Nederlands en hij verstond geen woord van wat zij zeiden. Hij had wel eens geprobeerd om contact met ze te krijgen, maar ze hadden naar hem geschreeuwd en hem met stokken bedreigd. Hij was en bleef helemaal alleen in de grote bedreigende stad.

In het begin vond hij het vreselijk om in het afval van anderen te graaien. Maar met een lege maag went alles snel. Een paar maanden geleden was hij nog thuis in Nederland en gaf tante Farhiya hem iedere dag te eten. Nu wist hij wat honger was.

Zijn ogen begonnen te prikken en vulden zich langzaam met tranen. Hij miste Nederland, zijn huis en zijn eigen bed. Zelfs zijn tante, hoewel ze lang niet altijd aardig was. Zeker het laatste jaar had ze erg lelijk tegen hem gedaan. Het meest miste hij zijn vrienden. Zouden Bas, Anouar en Mark nog wel eens aan hém denken?

Zijn gedachten gingen terug naar die warme zomerdag, toen opeens die vreemde man aan de deur had gestaan. In een paar minuten had hij Salims hele leven overhoop gegooid door te beweren dat hij zijn oom uit Somalië was en dat zijn moeder nog leefde. Hij was gekomen om Salim mee te nemen naar zijn geboorteland. Daar zou hij bij zijn moeder op bezoek gaan en dan zouden ze samen naar Nederland teruggaan, had hij beloofd.

Het was allemaal te mooi om waar te zijn, maar hij had het geloofd. Twee dagen later zat hij al in het vliegtuig naar Somalië. Vanuit de hoofdstad Mogadishu zouden ze met een bus naar het dorp van zijn moeder gaan. Maar zover was hij nooit gekomen. In de drukte van de stad was hij zijn ‘oom’ kwijtgeraakt. Zo plotseling als hij in zijn leven was verschenen, zo plotseling verdween hij ook weer. Salim had dagenlang gezocht. Uiteindelijk had hij het opgegeven. Vanaf dat moment was hij door de stad gaan zwerven en leefde hij van dag tot dag van wat de straat hem bood. En dat was niet veel.

‘Zullen we nog even over de markt lopen?’
Salim schrok op. Had hij iemand Nederlands horen spreken? Hij knipperde met zijn ogen tegen de felle zon. Vlak voor hem liepen een man en een vrouw. Ze waren blank. Zijn hart begon sneller te kloppen.
‘Meneer? Mevrouw?’ Salim liet zich snel van het muurtje zakken. ‘Komt u uit Nederland?’
‘Ja,’ antwoordde de man aarzelend.
‘Jij ook?’ vroeg de vrouw.
Salim knikte en sloeg zijn ogen neer. Wat moesten deze nette mensen van hem denken? Hij zag eruit als een schooier.

‘Ben je hier alleen?’ De vrouw legde een hand op zijn schouder. Salim deed een stap achteruit.
‘Je hoeft niet bang te zijn,’ zei ze. ‘Misschien kunnen wij je helpen. Zeg het maar.’
Hij had zijn verhaal al vaak verteld. Op de ambassade. Maar daar werd hij iedere keer met een vage belofte weer weggestuurd. Hij keek de vrouw schuin aan. Ze keek vriendelijk terug. Waarom ook niet, besloot hij.

‘Jongen toch,’ zuchtte de vrouw, ‘wat vreselijk voor je.’ Ze waren alle drie op het muurtje gaan zitten. Salim in het midden. Hij had het rustig willen vertellen, zonder tranen, zoals dat paste bij een jongen van dertien. Maar hij had ze niet tegen kunnen houden. Met zijn T-shirt veegde hij over zijn gezicht. Dat hij daardoor nog viezer werd, kon hem niet schelen. De man haalde een blikje cola en een broodje tevoorschijn. ‘Hier, dit zal je goed doen. We praten zo dadelijk wel verder.’

Het was het heerlijkste broodje dat hij ooit had gegeten, en hij genoot van het gevoel van de koude cola, die prikkelend door zijn keel naar zijn maag gleed. De man en de vrouw stonden een paar meter verderop met elkaar te praten. Salim probeerde iets van het gesprek op te vangen, maar dat lukte niet. Gespannen wachtte hij af.

‘Wat zou je ervan vinden, wanneer je met Annemieke en mij mee naar ons hotel zou gaan?’ stelde de man voor. ‘Ik heet trouwens Fred. En jij?’
‘Salim,’ antwoordde hij zacht.
‘Dan kun je je eens lekker wassen, Salim,’ zei Annemieke. ‘Daarna gaan we eten en vannacht slaap je weer eens in een gewoon bed. Lijkt je dat wat?’

Salim zette grote ogen op. Zouden ze dat echt menen? De afgelopen maanden had hij daar alleen maar van kunnen dromen. Kon hij zomaar met deze mensen meegaan? Hij kende ze niet eens. Hij had nog spijt van de vorige keer dat hij met een onbekende mee was gegaan. Nu had hij niets meer te verliezen. Een bad, eten en een echt bed, het klonk te aantrekkelijk om nee te zeggen. Hij knikte en stond op.

Onderweg naar het hotel vertelde Fred dat Annemieke en hij pas een paar dagen in Mogadishu waren. Ze zouden een paar maanden in Somalië blijven om zendingswerk op te zetten. Dat moest heel voorzichtig, want de regering wilde het niet. Salim luisterde maar met een half oor. Voor hem was maar één ding belangrijk: zouden deze mensen hem kunnen helpen, zodat hij weer terug naar Nederland kon?

Salim genoot. Hij lag languit in bad en had het zojuist voor de tweede keer vol laten lopen met halfwarm water. Het eerste bad was nodig geweest om al het vuil van zijn lichaam te schrobben. Toen hij klaar was, droogde hij zich af met een grote witte handdoek, die naar de Nederlandse lente rook. Hij snoof de geur een paar keer diep op. Zijn hele borst leek zich ermee te vullen. Wat voelde hij zich opeens rijk! Op de stoel had Annemieke schone kleren voor hem klaargelegd. De korte kakibroek kwam tot ver over zijn knieën en het shirt was zo ruim, dat hij er wel twee keer in zou passen. Maar alles was beter dan de smerige kleren die hij maandenlang had gedragen. Hij propte het shirt in zijn broek en trok de riem strak aan. Deze mensen waren echt vriendelijk. Salim vroeg zich af waarom.

De mensen in het hotel keken vreemd op toen Salim tussen Fred en Annemieke de eetzaal binnenkwam. Hij beet zenuwachtig op zijn lippen en trok zijn shirt nog eens recht. Het hotel zag er oud, maar schoon uit. Aan het plafond hingen van die enorme lampen die je wel eens in oude films zag. Het waren er drie, en iedere lamp bestond uit een piramide van kleinere lampen. Jammer genoeg was minstens de helft kapot, anders was het vast een mooi gezicht geweest. De stoelen waren van hout; die van hem wipte doordat een van de pootjes te kort was.

De ober zette een groot bord met dampende rijst, kippenpootjes, groenten en een gelige saus voor hem neer. Zijn maag schreeuwde en hij viel onmiddellijk op het eten aan. Hij had al drie happen naar binnen gepropt, toen Annemieke zei: ‘Wij willen graag bidden voor het eten.’

‘Het spijt me,’ zei Salim met volle mond. Een paar rijstkorrels vielen terug op zijn bord. Hij was alle beleefdheid op straat verloren. Zijn wangen gloeiden van schaamte, maar Fred en Annemieke zagen het gelukkig niet, die hadden hun ogen gesloten. Bij Salim thuis hadden ze nooit iets aan geloof gedaan. Ze waren moslim, maar ze gingen nooit naar de moskee. Hij wist bijna zeker dat deze mensen christenen waren. Hij had wel eens horen zeggen dat christenen met hun God kunnen praten. Zou dat echt waar zijn?

De volgende ochtend vroeg stapte Salim met een somber voorgevoel achter Fred aan de Nederlandse ambassade binnen. Fred had hem gisteravond overgehaald om het toch nog een keer te proberen. Misschien zouden ze een volwassene wel geloven…

Hij keek verbaasd rond. In de grote ontvangsthal stond een enorme kerstboom vol met glimmende ballen en kleine fonkelende lampjes. Deze deden het wel allemaal. Aan de muren hing kerstversiering en uit een hoek van de hal klonk bekende kerstmuziek.

‘Is het al december?’ vroeg hij ongelovig. Dan was hij al vijf maanden in Somalië!
‘Over een week is het Kerst,’ antwoordde Fred. ‘Het feest van de geboorte van Jezus.’
Dat wist Salim ook wel. Hij wist ook dat Jezus iets te maken had met de God van de christenen. Een onverwachte tinteling trok door zijn lichaam. Waar kwam dat nou opeens vandaan?

Een uur later zat hij uitgeput in een stoel. Zijn hoofd bonkte, het leek wel of iemand met een grote naald achter zijn rechteroog zat te prikken, zo’n pijn deed het. Meneer Venderbos, een lange, magere man met een hoekige neus zat tegenover hem aan een groot bureau. Hij keek hem met koude ogen aan.

‘Ik ben bang dat we niet veel voor je kunnen doen,’ begon hij langzaam.
‘Waarom hebt u die jongen dan alles opnieuw laten vertellen?’ Fred sloeg met zijn vlakke hand op tafel en keek echt kwaad.
‘Het komt nog wel eens voor dat verhalen worden verzonnen,’ antwoordde meneer Venderbos rustig. ‘Door een verhaal meerdere keren te laten vertellen, komen we daar wel achter.’ Hij bladerde door de map die voor hem lag. ‘Na het laatste bezoek van Salim, op 3 november, hebben we gebeld met het adres in Nederland waar hij zou hebben gewoond.’

Salim keek hoopvol op. Dan wisten ze dus dat hij de waarheid had gesproken! Hij zag het ronde gezicht van tante Farhiya weer voor zich: de mond waarin twee gouden tanden blonken, de kleine priemende ogen en de grote bos kroeshaar. De afgelopen maanden had hij veel over haar nagedacht. Liefde had ze hem nooit gegeven. Was dat alleen omdat ze maar een tante was en niet zijn eigen moeder? Of was er meer aan de hand? Eigenlijk wilde hij niet eens naar haar terug. Maar hij moest wel. Meer familie had hij niet.

Meneer Venderbos keek hem recht aan. ‘De vrouw die daar woont, zegt dat ze jou niet kent.’
Salim kon zijn oren niet geloven. ‘Heette ze Farhiya?’
‘Jazeker,’ antwoordde meneer Venderbos. Zijn ogen waren nog steeds koud.
‘Maar dat kan helemaal niet!’ schreeuwde Salim. ‘Ze ís mijn tante. Ik heb er bijna mijn hele leven gewoond!’ Hij klemde zijn kaken op elkaar. Tranen drupten op zijn benen. Fred sloeg zijn arm om hem heen.
‘Zoals ik al zei: op dit moment kunnen we niets voor je doen,’ zei meneer Venderbos. Salim geloofde er niets van. Zijn lichaam schokte van de half ingehouden snikken. Wanhopig keek hij naar Fred.

‘Hoe heet de school waar je naartoe ging?’ vroeg Fred. ‘Noem eens een paar van je vrienden.’
Nog geen tien minuten later hadden ze de school op internet gevonden. Salim ging op het puntje van zijn stoel zitten toen meneer Venderbos het nummer intoetste. Hij trilde van de zenuwen.
‘Spreek ik met de heer Dijkman?’
Salim kon niet horen wat er aan de andere kant werd gezegd, maar meneer Venderbos knikte langzaam. Fred stak zijn duim naar hem op en lachte breed.
‘Je mag even met meneer Dijkman praten.’ Salim kreeg de telefoon in zijn handen gedrukt. Hij moest twee keer slikken voor hij iets kon zeggen. Zijn hart bonkte wild.
‘Hallo, meester,’ zei hij met trillende stem.
‘Ben jij dat, Salim?’ hoorde hij de vertrouwde stem van zijn meester. Het was net of hij in de kamer naast hem stond. Kippenvel op zijn rug en armen!

‘Ja, meester. Ja, ik ben het!’ Hij kon wel juichen! Opnieuw sprongen er tranen in zijn ogen. Nu van blijdschap.
‘Jongen, wat ben ik blij je te horen! We waren zo ongerust toen je na de vakantie niet meer op school kwam. We zijn bij je thuis geweest. We hebben zelfs de politie ingeschakeld, maar er was geen spoor van je te bekennen. Hoe gaat het met je? Waar ben je?’
‘In Somalië, meester. Ik ben hier met een oom gekomen, maar die ben ik kwijtgeraakt, en nu…’ Een flinke brok in zijn keel maakte dat hij niet verder kon praten.

‘Wat vreselijk. Maar gelukkig ben je nu terecht.’ De stem van meneer Dijkman klonk wat zachter nu, Salim drukte de telefoon stevig tegen zijn oor om geen woord te missen. Wat was het heerlijk om met zijn meester te praten. In gedachten zag hij het schoolplein voor zich, de hoge bomen eromheen en het grote bakstenen schoolgebouw. Was hij maar daar…

Salim mocht een kwartier met zijn meester praten. Over zijn vrienden die hem ontzettend misten, over school, eigenlijk over van alles. Daarna besprak meneer Venderbos nog een paar dingen met de meester.
‘Een teken van hoop,’ zei meneer Venderbos nadat hij de telefoon had neergelegd.
Salims hart maakte een sprongetje.
‘Maar we zijn er nog lang niet. We hebben meer nodig dan de verklaring van je meester.’
Salims hart kromp weer ineen. Hij begreep wat de ambassademeneer bedoelde. Waarom had tante Farhiya gezegd dat ze hem niet kende? Was ze dan niet echt zijn tante?
‘Ik beloof je dat we meer bewijzen zullen vinden. Al kost het maanden,’ zei Fred. Hij drukte Salim stevig tegen zich aan. ‘En tot die tijd zorgen wij dat je ergens onderdak zult hebben.’

Het lukte Salim niet om te glimlachen.

Het was kerstavond. Salim zat met Fred en Annemieke op een bank in de hotelkamer. Fred was de hele week druk geweest. Samen met mensen van de ambassade was hij erachter gekomen dat Farhiya niet echt Salims tante was. Waarom ze hem als baby naar Nederland hadden gehaald, begreep Salim niet helemaal. Het had iets te maken met het geld dat ze van de overheid kregen omdat ze voor hem zorgden. Ze gaven bijna niets aan hem uit en hielden geld over. Maar na de zomervakantie zou hij naar de middelbare school gaan en werd hij te duur voor ze. Daarom had die zogenaamde oom hem naar Somalië gebracht.

‘Pure kinderhandel,’ vond Fred. ‘De kans is groot dat die schoft op de terugweg naar Nederland weer een klein kind heeft meegenomen.’

Salim was ontzettend boos en verdrietig tegelijk. Waarom hadden ze hem misbruikt? Leefden zijn echte ouders nog? Zouden ze ooit voldoende bewijzen kunnen verzamelen om hem terug naar Nederland te laten gaan? En waar moest hij dan wonen? De vragen stapelden zich op, en antwoorden kwamen niet.

Op tafel stonden een paar kaarsen te branden, ze verspreidden een zacht licht. Annemieke had zojuist uit de Bijbel over de geboorte van Jezus gelezen. Wat had Fred ook alweer gezegd? God en tegelijk een mens? Salim schudde zijn hoofd. Dat begreep hij niet. Jezus was ook voor hem gekomen, legde Annemieke uit. Volgens haar was het Jezus die ervoor had gezorgd dat zij hem op straat hadden gevonden. Hij was er helemaal warm van geworden en diep vanbinnen wilde hij wel geloven dat het waar was. Zou Jezus er dan ook voor kunnen zorgen dat hij eindelijk weer naar Nederland zou kunnen gaan?

‘Zullen we bidden?’ stelde Fred voor. Annemieke kwam dicht tegen Salim aan zitten en nam zijn handen in die van haar. Ze gaf hem een knipoog voor ze haar ogen dichtdeed. Aarzelend sloot Salim ook zijn ogen.
‘Lieve Vader in de hemel,’ begon Fred. ‘Wij danken u voor het feest van Kerst. Dat we mogen vieren dat Jezus voor iedereen op aarde is gekomen.’

Salims buik begon te kriebelen. Het leek net of Jezus opeens naast hem was komen zitten.

Toen Fred klaar was met bidden, hield Salim zijn ogen nog even dicht. Allerlei gedachten schoten door zijn hoofd. Toch voelde hij zich vreemd rustig. Hij wist opeens heel zeker dat alles goed zou komen. Hij had mensen gevonden die hem zouden helpen om terug naar Nederland te gaan, mensen die echt om hem gaven. Hij opende zijn ogen en lachte.

Bron: Rob Visser, Langverwacht