AdventstijdTheologie

Dag 17: De Adventstheologie van J.H. Gunning jr.

Met Kerst gedenken we dat Jezus als mens naar de aarde kwam. Theologen hebben door de eeuwen heen veel geschreven over het doel van Jezus’ komst naar deze wereld. Vandaag op Theoblogie de gedachtes van de theoloog J.H. Gunning jr. over de openbaring van een nieuw leven.

 

Ook nu hebben wij, evenals in de hervormingstijd, niets anders te doen ter juiste uitdrukking des geloofs, dan alweer zoveel mogelijk alle filosofie van het geloof af te zonderen opdat de Schriftwaarheid onbelemmerd straalt. Maar zoals wij boven zagen dat in de hervormingstijd vooral een dualistische filosofie te vermijden was, zo is het thans meer een pantheïstische.

In de middeleeuwen beheerste de kerk het ganse leven, en haar strakke scheiding tussen het geestelijke en het wereldlijke drukte zich in dualistische filosofie uit, d.i. in een die het goddelijke geheel boven en buiten het menselijke stelde. Thans is het anders. Wel bestaat en werkt nog de roomse kerk met kracht. Maar voor ons heeft toch de oude vijand een andere gedaante aangenomen. De volken zijn, vooral door de invloed der hervorming en de gang des tijds in de drie laatste eeuwen, mondig geworden of gevoelen het zich althans. Alle betrekkingen des mensen tot de wereld hebben zich uitgebreid. Wat is daarvan voor de gemeente en haar belijdenis het gevolg?

Jezus heeft noch een nieuwe godsdienst, noch een kerk gesticht. Hij kwam alleen een nieuw leven in zijn eigen persoon op aarde brengen. Een nieuw leven dat zich, ja, allereerst, in de kerkelijke vorm moest openbaren om zich der wereld aanvankelijk in te planten: maar dat toch eigenlijk niets minder wil dan het gehele menselijke aanzijn met al zijn toestanden en betrekkingen doordringen en heiligen. Het wil zich het gehele leven der mensen, zoals dit naar alle zijden uitgebreid is, toe-eigenen, en zo de volheid van levenskiemen doen uitbotten, welke daarin liggen en alleen door de zonde verhinderd worden zich te ontplooien. Zo moet het geloof dan ook in de vormen waarin het zich uitdrukt, onophoudelijk veranderen, opdat het alle levensbestanddelen op elk gebied der wereld zich toe-eigent om er in de loop der tijden het kleed uit te weven in hetwelk het zich aan ons bewustzijn voorstelt. Met brede belangstelling in de wereld heeft het zich ontvankelijk te houden voor de stemmen van wetenschap, kunst, ontwikkeling des geestes op elk gebied van het moderne leven. Onze van revolutie doorploegde tijd hebben wij aldus in het geloof te aanvaarden, om daarin het geloof aan de vleeswording, d.i. de roeping tot heiligheid, werkelijk te maken. (…)

Is onze taak dus, ook door het gevaar van min of meer pantheïstisch dóór te vloeien, eigenaardig zwaar, er is ook voor ons geen krachtiger noch heerlijker steun dan in het besef van onze eeuwige verkiezing. Van God in eeuwige vrijmachtige genade gekend, door al onze levensleidingen geordineerd, te zijner tijd geroepen, gerechtvaardigd en levend gemaakt, zien wij ons nu reeds in ons hoofd verheerlijkt.

En heeft God ons in eeuwige liefde aldus gekend en tot zijn heerlijkheid bestemd, zo mist van stonden aan deze aardse, onvernieuwde bodem des levens, op wie wij nog staan en werken, zijn vastheid. Hij wordt openbaar als veel te eng voor de oneindige perspectieven die zich voor de geloofsblik openen. Zoals zich de ziel haar lichaam schept, zo vormt zich de verwachting der gemeente naar ’s Heren belofte de gewisse hoop van een ‘onbeweeglijk koninkrijk’[1] als orgaan van haar volle ontplooiing, als haar eigenlijke rustpunt en doel.

En dit verwachten is heiliging. “Wie deze hoop op Hem heeft, reinigt zich zoals Hij rein is.”[2] Niet dat hij een reiniging aan die hoop toevoegt, maar die hoop is zelf een reiniging. Zij leidt ons tot het kruis. Zoals Israël en de discipelen aan hun aardse messiasverwachting sterven moesten, zo ook wij. Ook wij verwachten, zoals zij, allen van nature het geluk zonder [82] afsterving aan onszelf, zonder kruis. Christus leert ons dat af door ons op zijn toekomst te doen hopen; want deze is (zo ze niet een ijdel en zondig verbeeldingsspel is) niet anders te zien en te naderen dan dóór het kruis heen.

Zo loopt het leven uit in het gebed. Het gebed is eigenlijk niet anders dan de menselijke daad waarin zich de verkiezing Gods afspiegelt, of wel haar keerzijde, haar beantwoording. In het gebed toont zich het volkomenst hoe de goddelijke daad de menselijke wekt. Bidden is: zich volkomen door God bepaald weten, en aan het door deze bepaaldheid verloste, van elke invloed der wereld bevrijde, leven zijn natuurlijke gang laten. Die natuurlijke gang is aanbidding. De mens die gelooft dat hij van God verkoren is, valt op zijn aangezicht en vangt een eeuwig gebed aan. De prediking der verkiezing is een Jordaan van genade. De gerechtvaardigde en behouden zondaar die uit deze wateren opklimt, geschiedt op verre afstand hetzelfde als wat de Zoon geschiedde. Als hij gedoopt is en bidt (Luc. 3:21) worden ook hem de hemelen geopend, en hij hoort: Ook gij zijt om des Middelaars wil mijn geliefde zoon, in u heb Ik mijn welbehagen. En in gemeenschap met de grote schare die in dezelfde ervaring het leven dóórgaat, draagt ook hij dit gebed en dit hemelse gezicht door de verzoeking, de levensstrijd, het kruis, de opstanding, de hemelvaart heen tot aan het onvergankelijk priesterschap vóór de troon.

[1]     Hebr. 12:28.
[2]     1 Joh. 3:3.

Uit:  J.H. Gunning Jr., Van Calvijn tot Rousseau (Rotterdam: Otto Petri, 1881). Verzameld Werk 3, 464vv.