Geen categorieOverige

Dag 13 – Afscheid

Afscheid

Glooiend, zo zegt men, is een landschap
maar ik beleefde zo het afscheid.
Een glooiend afscheid, want
het was niet abrupt
maar steeds een beetje
steeds een beetje meer
steeds een beetje minder.

De afstand steeds groter,
toch weer contact
en ondanks het weten,
zo zeker weten
dat je niet terugkomt,
is het dan nog niet klaar.
Ik hoor je nog, daar
ben je nog.

Huilend je laatste groet
en geen memorabele woorden
geen citaat waardig
slechts een eenvoudig
en niks verhullend
dag.
Maar dat woordje
sprak me aan
raakte me als een vuistslag.
Dag
dag lief
liefste
dag.

Stof
Stil, in zichzelf gekeerd, ligt ze op bed, mijn moeder. Ik zit naast haar en kijk naar haar lichaam. Ooit was ik daar, negen maanden lang, en hebben zij en ik gevochten om van elkaar te scheiden. Toen was ze een sterke, vitale vrouw. Op foto’s ziet ze er met haar prachtige lange haren en regelmatig gevormde gezicht uit als een filmster van de jaren vijftig. Nu, zo veel jaren later als ik oud ben, heeft ze het bijna opgegeven. Haar lichaam veelt nog nauwelijks voedsel. Mager en klein ligt ze daar onder haar dunne dekbed, de getuite bekers met drinken bij de hand.

Ze slaat haar ogen op en kijkt me aan. De verrassing die ik in haar ogen lees, verraadt hoe ver weg ze was en hoe ze zich niet bewust was dat ik al die tijd naast haar zat. Ik vraag voorzichtig waar ze was. Haar antwoord klinkt me bekend in de oren: ‘Vroeger, waar we woonden tijdens de oorlog. Je weet toch dat we toen vaak verhuisd zijn?’ ‘Ja moeder, dat weet ik. En ook hoe u dat vond.’ En ze begint gewoontegetrouw te praten over haar vader en moeder, haar zussen en broers. Ze heeft haast nooit anders gedaan. Altijd bezig met anderen, soms liefdevol, soms oordelend. En ik stel mij voor hoe zij, meisje dat ze toen nog was, door de spleetjes van haar ogen keek naar de stofjes die in het zonlicht dansten en ’s avonds in bed tuurde naar de patronen in het behang van haar slaapkamer. Ze moet eenzaam zijn geweest, zonder het te voelen. En zoals zo veel in de oorlog opgegroeide kinderen klampt ze zich nog steeds vast aan een flinkheid die geen lastige gevoelens toelaat.

‘Dag lieverd,’ zegt ze als ik afscheid neem en wegga. Ik sluit de deur van haar kamer en besef als altijd de laatste maanden, dat dit voor het laatst kan zijn…

De dag waarop de wachter trillend voor het huis staat,
de soldaten kromgebogen voortgaan,
de maalsters langzaamaan verdwijnen,
de vrouwen uit het venster staren en een schaduw lijken.
Wanneer de deuren naar de straat worden gesloten,
de molen geen geluid meer maakt,
het fluiten van de vogels ijl van toon wordt,
wanneer hun lied versterft. (Prediker 12:3-4)

Wat zegt u doorgaans wanneer u afscheid neemt?

Bron: Astrid Hart en Aart Mak, Zielenroerselen en speldenprikken