Adventstijd

Dag 14 – Hoe kerst zowel rijkdom als armoede is

Rijkdom en armoe van Kerst

In de Sint Jan van Den Bosch bevindt zich een eeuwenoude en wereldberoemde Mariakapel. In de schemerige kapel hangt een adembenemende sfeer. Het vermaarde Mariabeeld waar alles om draait, heeft een zacht, hemels gezicht. Ze draagt het kind Jezus op haar linker arm. Verder draagt zij een indrukwekkende gouden kroon en een even indrukwekkende mantel. De mantel wordt met enige regelmaat gewisseld, een dame kan nu eenmaal niet altijd hetzelfde dragen. De kapel heeft iets van een sprookjesachtige schatkamer; van het eenvoudige meisje uit Galilea of de opstandige zangeres van het Magnificat (Lucas 1:48-55) is niet veel te merken. Honderden kaarsjes branden aan de voeten van Maria. Aan de muren hangen de dankbetuigingen van mensen die in de loop der eeuwen de ervaring hebben gehad dat Maria hen geholpen heeft. Op de banken voor het beeld zitten de hele dag door mensen, ouderen én jongeren, die hopen en bidden dat Maria ook hen bij zal staan in het leven. De rooms-katholieke kerk heeft het niet makkelijk in onze tijd, maar in de Mariakapel van de Sint Jan in Den Bosch is daar weinig van te merken. Maria glorieert er als vanouds. Een protestant zal niet snel buigen voor een Mariabeeld, maar je moet wel uit heel hard calvinistisch hout gesneden zijn, wil je toch niet een heel klein beetje door je knieën gaan.

 

Jaren geleden, ik was nog student, fietste ik door Amsterdam. Uit een vuilnisbak stak een gipsen beeldje. Ik stapte af en viste het beeldje uit de afvalbak. Het beeld had geen hoofd meer, maar onder zijn voeten stond te lezen dat het om de heilige Jozef ging, en trouwens ook dat ‘Namaak verboden’ was. Als een barmhartige Samaritaan heb ik me over het geschonden beeldje ontfermd. Ik heb het meegenomen, schoongemaakt en op een boekenplank geplaatst. Inmiddels ben ik vijf huizen verder, maar Jozef is altijd meeverhuisd. Hij staat nu op de vensterbank naast mijn bureau. Dat het beeldje zijn hoofd heeft verloren, maakt het alleen maar dierbaarder voor mij. Ik zie er een afbeelding in van de kerk van onze tijd: de gemeente van Christus is gehavend, wordt bij het oud vuil gezet. Ergens in mij zegt een stem dat dat niet goed is, en dat ik daar niet aan mee moet doen.

 

Zowel de glorieuze Maria in de Sint Jan als de gehavende Jozef op mijn vensterbank raken mij. Zij staan voor de twee polen van het evangelie. Zij symboliseren voor mij hemel en aarde, glorie en armzaligheid, kracht en kwetsbaarheid, rijkdom en armoe – al die tegenstellingen die in de geboorte van Christus op de een of andere wonderlijke manier samenvallen.

 

Nergens vind ik die tegenstellingen zo mooi verwoord als in het gebed waarmee lied 478, dat ontroerende kerstlied, afsluit:

 

O Heer Jesu, God en mensen,

die aanvaard hebt deze staat,

geef mij wat ik door u wense,

geef mij door uw kindsheid raad.

Sterk mij door uw tere handen,       

maak mij door uw kleinheid groot,

maak mij vrij door uwe banden,

maak mij rijk door uwe nood,

maak mij blijde door uw lijden,

maak mij levend door uw dood.

 

We zijn benieuwd naar uw reactie. Reageer nu via Facebook.

 

Frans Willem Verbaas, Heusden