Geen categorieOverige

Dag 9 – Christus gaat naar de hof

PSALM 1

Christus gaat naar de hof

1. Omhoog, mijn ziel, nu uit het stof.
Mijn stem, verhef je tot Gods lof.
Mijn geest, mijn tong, begeef mij niet:
van ’s Heren lijden zingt dit lied.

2. Sint Paulus heeft ons onderricht;
hij wees ons onze dure plicht:
verkondig steeds de bittere dood
die Christus stierf om onze nood.

3. Gij telde mijn verlossing meer
dan ’t eigen leven, lieve Heer.
Zou ‘k dan niet willen dat men weet
van alles wat Gij voor mij deedt?

4. Nu pas grijpt het berouw mij aan.
Ach, ‘k ben Hem weinig toegedaan.
Hij is gepijnigd om mijn schuld.
Ik ben daar zelden van vervuld.

5. Zie Jezus’ offer toch, mijn ziel.
’t Heeft mij, die tot de dood toe viel,
verzoend bij God teruggebracht.
O blijdschap als ik dit betracht!

6. Wat is er betere medicijn
voor ’t lijdend hart dan Christus’ pijn?
Wat houdt mij verder van het kwaad
dan ’t bloedig beeld dat voor mij staat?

7. Waar wordt Gods liefde openbaar?
Waar is ’t bewijs zo zonneklaar
van heil dat Hij mij heeft bereid
als hier, waar nu de Christus lijdt?

8. Schenk de adem van uw Geest, o Heer.
Dat alles worde, uw Naam ter eer,
gezegd, geschreven en verbeeld,
en zo aan anderen meegedeeld.

9. Jezus heeft in de laatste nacht
zijn Vader lof en dank gebracht.
Met zijn discipelen, aan ’t slot
der maaltijd, zong Hij de eer van God.

10. Gods Zoon, die heerst in majesteit,
Hij die ons in de waarheid leidt,
nam zelf zijn voedsel dankend aan
ten tijde van zijn aards bestaan.

11. Mijn ziel, je bent maar arm en naakt.
’t Is God, die zorgt en geeft en waakt,
van wie je dagelijks brood ontvangt.
Is het niet billijk dat je Hem dankt?

12. Is dít de grootste schande niet:
als de heer zijn slaaf een lening biedt,
die hij vol hovaardij aanvaardt?
O dat mij God hiervoor bewaart!

13. De Heer hief eerst een lofzang aan;
pas daarna is Hij weggegaan.
Naar zijn gewoonte wilde Hij
naar de Olijfberg, daar dichtbij.

14. Wat Jezus ons heeft voorgeleefd,
– dat je altijd God de ere geeft –
bedenk dat toch voordat je gaat,
en bid eer je je huis verlaat.

15. Over de Kedron voerde het pad
dat Christus daar te lopen had.
Die naam betekent: zwarte beek,
naar mij uit goede boeken bleek.

16. Mijn pad gaat door ellende en leed
op deze  tocht die leven heet.
Ik moet – maar Jezus gaat vooraan –
die donkere weg ten einde gaan.

17. O Heer, ik zie U in de geest
zoals Gij altijd zijt geweest.
Uw voorbeeld is een stralend licht.
Verdwijn toch nooit uit mijn gezicht.

18. Gij wilde geen verwoede strijd,
toen Gij geboeid werdt weggeleid.
Daarom zocht Gij de stilte toen;
liet mensenhanden met U doen.

19. ‘k Leer van de botheid af te zien
waarmee ik eigen voordeel dien,
en steeds weer vrede en rust verstoor.
Gij gaat ons, Heer, zo anders voor.

20. Bedroefd gingt Gij uw weg van smart,
de pijn, de doodsnood in het hart.
Maar ik liep, lachende, verdwaald
in zonden, – die Gíj hebt betaald.

21. De wandeling naar de hof beeldt af
wat leven is: een tocht naar ’t graf.
’t Gerieflijk pad der zonde leidt
naar duister en rampzaligheid.

22. O dat ons pad door diep berouw
van tranen nat was als van dauw.
’t Voert door de dood, tot aan het eind
het hemels licht ons klaar omschijnt.

23. De Heer heeft onderweg zijn kring
gewaarschuwd voor wat komen ging.
Struikelen zouden ze die nacht.
Petrus weersprak Hem toen met kracht.

24. Ook ik zou struikelen nadien –
de Heiland heeft het wel voorzien.
Maar Hij weet hoe Hij stillen moet
de pijn die mij mijn vallen doet.

25. Dit is wat Petrus heeft verklaard:
“ Al zou ook iedereen op aard
zich aan U ergeren, ík niet.
Vóór ik U, Here, toch verliet!”

26. Ons hopen is maar duisternis
als eigen kracht de oorsprong is.
Zonder Gods heil is ’t leven broos,
onzeker, zwak en hulpeloos.

27. Leer mij, o Heer, dat ik een schat
moet dragen in een glazen vat.
Wat zal ik zonder uw vermaan?
Gij kunt ons zwakke vlees verstaan.

Amen.

Bron: Hallgrimur Petursson, Passiepsalmen. Historie van het lijden en sterven van onze Heer Jezus Christus