Geen categorieOverige

Christus Clown, bid voor ons

Christus ClownCarnaval draait sociale patronen om: gewone arbeiders zijn de baas en de rijken en machtigen moeten hun positie voor korte tijd afstaan. Zo’n omkering van de sociale verhoudingen komen we ook in het Nieuwe Testament vaak tegen. De net zwangere Maria gaat bij haar nicht Elisabet op bezoek, die zwanger is van Johannes de Doper. Het Lucasevangelie verhaalt dat zodra Elisabet Maria’s stem hoort, Johannes opspringt in haar schoot. Gegrepen door de Geest roept Elisabet uit: ‘De meest gezegende ben je van alle vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot! Wie ben ik dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt?’ (Luc. 1,42-43). Maria op haar beurt antwoordt met een jubellied,het beroemde Magnificat (46-54), met daarin enkele politiek geladen regels:

Mijn ziel prijst en looft de Heer,
mijn hart juicht om God, mijn redder:
(…)
heersers stoot hij van hun troon
en wie gering is geeft hij aanzien.
Wie honger heeft overlaadt hij met gaven,
maar rijken stuurt hij weg met lege handen.

Maria bezingt in haar visioen een betere wereld, de wereld van het koninkrijk Gods, zoals haar Zoon het later zou verkondigen. En dat koninkrijk is niet van deze wereld. Nee, in Jezus’ rijk worden de normale sociale omstandigheden eens flink omgegooid. God zal de heersers van hun troon stoten en de verschoppelingen zet hij ervoor in de plaats. Wie heel veel bezit, zal alles verliezen, terwijl de hongerlijders en uitkeringstrekkers zich te goed kunnen doen aan een rijk bedeelde tafel. Gods koninkrijk dat door Jezus wordt aangekondigd, lijkt verdacht veel op een heiliger versie van ons carnaval. Alles
wordt anders, alles wordt nieuw!Jezus zal later ook religieuze taboes doorbreken. Hij eet met zondaars, tollenaars en hoeren. Hij ‘werkt’ op de sabbat. Hij laat zich ‘de Zoon van God’ noemen, en zich aanraken door zondaars, zieken en onreine mensen. In Jezus’ rijk gelden andere regels en mores dan in onze wereld. Tijdens zijn beroemde Bergrede zegt Hij (Luc. 6,20-23):

Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van
God.
Gelukkig jullie die honger hebben, want je zult verzadigd worden.
Gelukkig wie nu huilt, want je zult lachen.
Gelukkig zijn jullie wanneer de mensen jullie omwille van de Mensenzoon
haten en buitensluiten en beschimpen en je naam door
het slijk halen.
Wees verheugd als die dag komt en spring op van blijdschap, want
jullie zullen rijkelijk beloond worden in de hemel.

Niet de rijken zullen Gods koninkrijk krijgen, maar juist de armen; niet de haves maar de have-nots. Jezus handelt hier als een nar, als een clown die alles omdraait, die alle menselijke perspectieven op losse schroeven zet, en die de status quo aanvalt. In zijn boek Het narrenfeest (1997) schetst de Amerikaanse theoloog Harvey Callagher Cox (*1929) een beeld van Christus als nar, als clown. Het bijbels portret van Christus bevat elementen … die gemakkelijk aan clownssymbolen kunnen doen denken. Net als de nar tart Christus de gewoonten en bespot hij gekroonde hoofden. Net als de rondtrekkende troubadour heeft hij geen plaats om zijn hoofd neer te leggen. Net als de clown in de circusparade steekt hij de draak met de bestaande autoriteit door met Koninklijke praal de stad binnen te rijden, terwijl Hij geen aardse macht heeft. Net als de minstreel frequenteert hij feestelijke gelegenheden en maaltijden. Uiteindelijk wordt hij door zijn vijanden in een bespottelijke karikatuur van een koningsmantel gehuld. Te midden van gniffelaars en schimpers wordt hij gekruisigd met een teken boven zijn hoofd dat zijn lachwekkende positie hekelt.

De Nederlandse theoloog Gerard de Haas laat zich in vergelijkbare bewoordingen uit. In De vaderen zijn niet meer (1978) vermoedt deze theoloog dat de doornenkroon die de soldaten Jezus opzetten, Hem tot een ‘koningsclown’ hebben gemaakt. Cox wijst ook op de bekende afbeelding (graffiti) van de gekruisigde Jezus in de catacomben van Rome. Jezus hangt aan het kruis, getooid met een ezelskop. Veel experts menen dat het om het bespotten van de kruisdood gaat. Cox meent echter dat de vroege christenen een dieper gevoel hadden voor de komische absurditeit van hun positie: ‘Wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor Joden aanstootgevend en voor heidenen dwaas’, aldus Paulus (1 Kor. 1,23).

Volgens De Haas moet de vroege Jezusbeweging dan ook vooral gezien worden als een tegenbeweging: tegen het gezag en de toenmalige status quo. Dat veranderde dramatisch toen het christendom een staatsgodsdienst werd, en – zogezegd – van een oppositiepartij een regeringspartij werd. Dat tegengeluid steekt af en toe nog wel de kop op, aldus Cox en De Haas. In de Middeleeuwen kwam het narrenfeest op, dat te vergelijken is met ons carnaval, maar gevierd
werd op 1 januari. De lagere geestelijken beschilderden hun gezicht, paradeerden door de straten met de gewaden van de hogere clerus en bespotten de plechtstatige liturgie van de katholieke kerk. Gewone burgers zetten gekke maskers op en zongen schunnige liedjes. Soms vereerden zij de ezel (uit de Romeinse catacomben) als de ‘Heer van de wanorde’.

Deze ‘narrenjezus’ komt niet zo vaak aan bod, omdat Christus Clown het kerkelijk taboe doorbreekt van de verheven, eeuwige, ‘goddelijke’ Christus. In de film The Godspell (1973) wordt het Jezusverhaal naar het New York van de jaren zeventig van de vorige eeuw gebracht. Er wordt in gezongen en gedanst. In vele opzichten lijkt deze film op Jesus Christ Superstar, die in hetzelfde jaar uitkwam. Godspell heeft echter nooit de cultstatus verkregen van Webbers musical. Volgens theoloog en filmkenner Freek Bakker is Godspell echter in theologisch opzicht zeer interessant. In Jezus in beeld (2011) geeft hij uitgebreid
zijn commentaar op de film. Johannes de Doper, voor de gelegenheid met een felgekleurde handkar, trekt door de straten van New York. Eenmaal aangekomen in Central Park bij de Betheseda Fontein doopt hij acht volgelingen:
blanken en zwarten, mannen en vrouwen. Vanaf dat moment zien ze eruit als clowns, omdat ze in een speelse wereld leven. Als Jezus later ook gedoopt wordt, verandert ook Hij in een clown, compleet met geschminkte ogen en in een strak zittend pakje met de letter ‘s’ erop (van ‘superman’). Ook de clown van Godspell moet sterven, maar de boodschap is duidelijk: wie in Jezus gelooft, lacht de zorgen van zich af en danst door de wereld als een nieuw geboren kind van
God. Die lach is zowel een uiting van vertrouwen en transformatie, als een aanklacht tegen alles wat onrechtvaardig is in onze wereld. Humor doorbreekt taboes, stelt lastige vragen en roept op tot vreugde en bevrijding. ‘We are Easter-people’, placht Moeder Teresa haar zusters in de straten van Calcutta voor te houden. ‘We zijn blije mensen’, wilde ze daarmee zeggen. Christus Clown, bid voor ons.

Frank Bosman

Christus Clown is een voorpublicatie uit het pas verschenen boek God houdt wel van een geintje. Een kleine theologie van de humor.