Geen categorieOverige

China, Nazi-Duitsland en de ethiek van Bonhoeffer – door G.C. den Hertog

Op 15 mei j.l. schreef Ger Groot een column in het dagblad Trouw met de prikkelende titel: ‘Wat China presteert doet aan Nazi-Duitsland denken’. Hij opent zijn verhaal als volgt:

‘Wie China-reizigers hoort praten over het dynamische land dat ze zojuist hebben bezocht, zou een vreemd gevoel van déjà-vu kunnen krijgen. Diep onder de indruk zijn ze van de reusachtige openbare werken, de steden die in een handomdraai uit de grond worden gestampt en het nieuwe élan dat opborrelt uit een bevolking vol energie’.

Vergeleken daarbij maakt de ‘oude Europese wereld’ slechts een ‘schamele indruk’. Groot roept de begintijd van Nazi-Duitsland in herinnering. Wat zich nu in China voltrekt lijkt daar ‘als twee druppels water’ op.

‘Grootse werken, ongekende welvaart, een hernieuwd zelfvertrouwen van een vernederde natie. Ook toen kwamen reizigers uit dit wonderland terug vol ontzag – terloops toegevend dat het regime ook nare trekjes had.’

De parallel die Groot trekt is op het eerste gezicht misschien een beetje gezocht. Niettemin, al zijn voor ons de beelden van die tijd echt ‘uit de oude doos’, in die tijd liepen de nationaalsocialisten voorop in het benutten van nieuwe technische mogelijkheden. Daarbij valt onder meer te denken aan het gebruik van de media, de radio en de film – Leni Riefenstahls Triumph des Willens over de Parteitag van Nürnberg in 1935 –, en aan het reizen met vliegtuig tijdens verkiezingscampagnes, waarmee Hitler de indruk gaf alomtegenwoordig te zijn. Vergeleken bij de nationaalsocialisten bleven de andere politieke partijen in dit opzicht ver achter.

Bezoekers van Nazi-Duitsland kwamen dan ook niet zelden onder de indruk thuis. Zeker, er gebeurden rare en afkeurenswaardige dingen, maar dat nam niet weg dat ze zich niet of nauwelijks konden onttrekken aan de haast euforische stemming die in het land heerste en die richting 1939 alleen maar opliep en dat de balans in de richting van de bewondering uitsloeg.
Er valt een heleboel te zeggen van hoe succes ‘werkt’, hoe het mensen aantrekt, maar ook afgunst oproept. Voor dit moment beperk ik me tot het effect van succes op de morele beoordeling van een bepaalde overheid en de manier waarop je dat in de ethiek oppakt, omdat Bonhoeffer die vraag thematiseert. Al dan niet succes hebben speelt een rol in de beoordeling van een land: een primitief-uti¬listische ‘doel heiligt middelen’-ethiek kan ons vandaag mild stemmen met betrekking tot China. Zo van: Het is waar, de beperking van de rechten van de eigen burgers is een betreurenswaardig minpunt en de stelselmatige vervuiling van het milieu zorgwekkend, maar de economische groei en ontwikkeling zijn ronduit fascinerend en het komt allemaal vast goed met China.
Groot schrijft zijn column niet om China-reizigers de maat te nemen en te kapittelen, maar om de lezers er de ogen voor te openen dat iets dergelijks in de jaren dertig het geval geweest moet zijn. Achteraf heeft iedereen het allemaal van meet af aan doorzien en min of meer ‘in het verzet gezeten’, maar dat heeft toen in werkelijkheid toch wat anders gelegen.

‘Onthutsend is (…) de ontdekking hoe vanzelfsprekend het ook in de jaren dertig geweest moet zijn ademloos op te zien tegen nazi-Duitsland.’

Juni 1940: Hitler op het hoogtepunt van zijn successen

Het thema ‘succes’ in de zin waarin Groot erover schrijft is een thema dat Bonhoeffer heeft opgepakt en dat aan de oorsprong van zijn Ethik staat. Die fascinatie door het succes was in het Duitsland van eind jaren dertig van de vorige eeuw hevig. Ze zwelt alleen maar aan, wanneer Hitler in de jaren 1938 tot 1940 het ene militaire succes na het andere behaalt, met als apotheose de bliksemsnelle bezetting van grote delen van West- en Noord-Europa. Op 17 juni 1940, als Denemarken, Noorwegen, België, Luxemburg en Nederland bezet zijn en Frankrijk heeft gecapituleerd, lijkt het alsof Hitlers mogelijkheden om – zoals we vandaag wel zeggen – ‘succes af te dwingen’ onuitputtelijk zijn.
Wat deed het met de mensen? Ik citeer nu niet een nationaalsocialist, maar een Duitse protestantse theoloog, die op de Belijdenissynodes van Barmen en Dahlem als afgevaardigde aanwezig was: Rudolf Hermann. Hij noteert in juni 1940 in zijn dagboek:

‘Zojuist komt de mededeling dat Parijs gecapituleerd heeft en dat de Duitsers er zojuist binnen gemarcheerd zijn. Het werd net aan me doorgegeven. Dat is toch een fantastisch succes!’ (1).

Het citaat van Rudolf Hermann spreekt voor zichzelf. In het woord ‘fantastisch’ (‘fabelhaft’ in het Duits) klinkt onmiskenbaar een mate van euforie door. De schande van Versailles 1918 wordt rechtgezet. Het sluit aan bij een heel diep sentiment in het Duitsland van destijds. Vergeet niet – Duitsland heeft een traditie van patriottisme en militarisme.

Hitlers successen als vraag voor Bonhoeffer
Bethge vertelt dat Bonhoeffer en hij op de 17e juni 1940 op een terras zaten in Memel, het uiterste noord-oosten van Duitsland, toen door de luidsprekers bekend werd gemaakt dat Frankrijk had gecapituleerd. Onmiddellijk daarna werden het Duitse volkslied ‘Deutschland, Deutschland, über alles’ en ‘Die Fahne hoch’ ten gehore gebracht. De mensen op het terras stonden op, brachten met gestrekte arm de Hitlergroet en zongen mee, met onder hen – tot verbijstering van Bethge – ook Bonhoeffer. Later zei Bonhoeffer tegen hem: ‘We zullen ons nu voor heel andere dingen in gevaar moeten laten brengen, maar niet voor deze groet!’ (2).
Het is geen uitglijder van Bonhoeffer, maar het past in een denkproces dat al enkele jaren aan de gang was.
Op de dag dat Bonhoeffer uit Amerika terugkeerde in het Predigerseminar, zei hij:

‘“Wanneer we overwinnen, is er hier geen cultuur (dat was het eerste woord, onvergetelijk!) en geen kerk meer.” Hij hield stil. Iedereen wachtte. Toen vervolgde hij: ‘Jullie moeten nu kiezen. Ik weet wat ik gekozen heb. We stonden daar, geïntimideerd en zwijgend’ (3).

Kort tevoren had Bonhoeffer tijdens zijn verblijf in Amerika aan Reinhold Niebuhr schrijft – zonder dat hij rekening hoefde te houden met de censuur:

‘Christenen in Duitsland zien zich voor het gruwelijke alternatief van ófwel de nederlaag van hun volk wensen opdat de christelijke beschaving mag overleven, ófwel de overwinning van hun volk wensen met als keerzijde de ondergang van onze beschaving. Ik weet welke van deze beide alternatieven ik moet kiezen; maar ik kan die keuze niet met absolute zekerheid maken’ (4).

Bonhoeffer wist toen al van de samenzweringsplannen die gesmeed werden en was zelf de vrijblijvendheid voorbij. In de nieuwe situatie van zomer 1940 konden de successen van Hitler – tegen de adviezen van zijn generaals in, met verwijzing naar de Voorzienigheid! – niet meer genegeerd worden. De werkelijkheid van het Derde Rijk was urgent geworden en vroeg dringend om theologisch-ethische doordenking.

Nu, precies in deze tijd kan Bonhoeffer aan zijn ethiek beginnen. Hij was het al eerder van plan, maar de Sammelvikariate in Pommern namen hem teveel in beslag. Als de Tweede Wereldoorlog echt losbarst zijn er geen studenten meer over en kan Bonhoeffer gaan schrijven. Maar het moet dus een ethiek zijn die antwoord geeft op de theologische uitdaging van het succes.

Daar ligt het verschil met hetgeen Ger Groot aanduidt in zijn column. Ten aanzien van China gaat het om fascinatie door de booming business, een economische groei van tegen de tien procent. Die voormalige studenten van Bonhoeffer – daar speelt iets anders. Verreweg de meesten van hen zijn grootgebracht in een nationalistische manier van denken. Ze hebben de verleiding van het geweld leren kennen en er kleeft inmiddels ook bloed aan hun handen, al moet de inval in de Sovjet-Unie nog plaatsvinden – met de Einsatzgruppen die joden uitmoorden.

Bonhoeffers omgang met succes in zijn fundamenteel-ethische bezinning
In theologisch opzicht moet Bonhoeffer iets met het succes. Het was hem duidelijk dat hij niet met een deontologische ethiek kon volstaan en zich verschansen in een eigen moreel gelijk. Dan plaats je jezelf naast de werkelijkheid van de Nazi-maatschappij, met alles wat die inhield. Een utilistische ethiek biedt evenmin soulaas. De criteria van de Nazi-staat voor wat waardevol en nuttig mag heten zijn zo normatief-inhoudelijk en compromisloos dat iedere poging te redden wat er te redden valt gedoemd is in cynisme te eindigen.
Maar hoe dan wel? De eerste tekst die Bonhoeffer met het oog op zijn nieuwe project ‘Ethiek’ schrijft geeft hij de titel ‘Christus, de werkelijkheid en het goede mee’. Hij zet in met duidelijk te maken dat ethiek een vrijwel onmogelijke onderneming is.

‘Iedereen, die ook maar enig zicht wil krijgen op het probleem van de christelijke ethiek, krijgt te maken met een ongehoorde uitdaging. Hij moet de beide vragen, die hem er juist toe brengen zich met het probleem van de ethiek bezig te houden, “hoe word ik goed” en “hoe doe ik iets goeds” al bij voorbaat opgeven als niet relevant. In plaats daarvan moet een heel andere vraag worden gesteld, die van de twee genoemde vragen totaal verschilt – de vraag naar de wil van God. Deze uitdaging is daarom zo ingrijpend, omdat die een beslissing over de laatste werkelijkheid en daarmee een geloofsbeslissing vooronderstelt. Waar het ethische probleem eigenlijk samenvalt met de vraag naar het eigen goed zijn en naar het doen van het goede, is de beslissing voor het “ik” en de wereld als de laatste werkelijkheid al gevallen.
Alle ethische bezinning heeft dan als beoogd doel, dat Ik goed ben en dat de wereld – door mijn handelen – goed wordt. Als het er echter zo voorstaat, dat deze werkelijkheid van het “ik” en de wereld zelf deel uitmaken van een heel andere laatste werkelijkheid, namelijk de werkelijkheid van God, de Schepper, Verzoener en Verlosser, dan komt het probleem van de ethiek meteen in een heel ander licht te staan. Het allerbelangrijkste is dan niet meer dat ik goed word of dat de toestand van de wereld er door mij beter op wordt, maar dat de werkelijkheid van God overal zichtbaar wordt als de laatste werkelijkheid. Dat God het goede blijkt te zijn – met als reëel risico dat ik zelf en de wereld daarbij als niet goed, maar integendeel als door en door kwaad uit de bus komen – dat wordt dan pas mijn vertrekpunt voor alle bezig zijn met ethiek, wanneer ik geloof in God als de laatste werkelijkheid. Wij nemen alle dingen immers vertekend waar, zo lang ze niet in God gezien en gekend worden. Alle zogenaamde gegevenheden, alle wetten en normen zijn abstracties, zo lang niet aan God als laatste werkelijkheid wordt geloofd. Dat evenwel God zelf de laatste werkelijkheid is, is opnieuw niet een idee, met behulp waarvan de gegeven wereld in een hoger licht gesteld moet worden, is dus niet de religieuze kroon op een profaan wereldbeeld, maar het is het gelovige ja tegen het getuigenis dat God van zichzelf geeft, tegen zijn openbaring. Zou het zich bij God alleen om een religieus idee handelen, dan zou niet in te zien zijn, waarom niet achter deze vermeende “laatste” werkelijkheid ook nog een allerlaatste werkelijkheid van de godsverduistering, van de dood van God zou bestaan. Alleen voor zover de laatste werkelijkheid openbaring, dat wil zeggen getuigenis van de levende God over zichzelf is, is ze wat ze claimt te zijn. Als dat zo is, bepaalt onze relatie tot deze werkelijkheid heel het leven. Het erkennen daarvan is niet alleen een geleidelijk voortschrijden naar de ontdekking van innerlijke diepere werkelijkheden, maar is het punt waarom het draait bij elk begrijpen van de werkelijkheid. De laatste werkelijkheid blijkt hier tegelijk de eerste werkelijkheid te zijn, God als de eerste en de laatste, als de alfa en de omega. Al het waarnemen en begrijpen van de dingen en wetten zonder Hem wordt een abstractie, waarbij oorsprong en doel uit het oog worden verloren. Al het vragen naar het eigen goed zijn, respectievelijk het goed zijn van de wereld, wordt onmogelijk zonder van tevoren de vraag naar het goed zijn van God te hebben gesteld, want wat zou een goed zijn van de mens of van de wereld zonder God voor betekenis hebben? Omdat God evenwel als laatste werkelijkheid geen ander is als degene, die zichzelf verklaart, betuigt, openbaart, dus als God in Jezus Christus, kan de vraag naar het goede alleen in Christus haar antwoord vinden.’

Dit is een nieuwe benadering van de ethiek, een stap bóven Nachfolge – waar de Ethik in zekere zin het vervolg op is – uit. Net als daar is de inzet bij Christus, maar van Hem uit gaat het niet eerst naar wat goed mag heten, maar naar de werkelijkheid zoals ze zich manifesteert – en daarna pas komt het goede aan de orde. Die volgorde is principieel. Bonhoeffer neemt zijn vertrekpunt in de werkelijkheid van de menswording van Christus. Deze wereld is niet god-loos, maar door God aange¬nomen. Dat houdt niet in dat we de wereld door een roze bril zien en ‘dus’ afdoen aan het weerbarstige van de concrete realiteit van de Nazi-dictatuur. Nee, ze wordt in al haar soms destructie¬ve, God- en mensvijandige karakter ernstig genomen, maar in het geloof dat om Christus’ wil een spoor van ‘wegbereiding en intocht’ gezocht en begaan kan worden.
In dit hoofdstuk spreekt Bonhoeffer ook over ‘De succesrijke’, en het is in 1940 geen vraag wie hij hier op het oog heeft…

‘Ecce homo – ziet de door God geoordeelde mens! De gestalte van bitter verdriet en pijn. Zo ziet de verzoener der wereld er uit. De schuld van de mensen is op Hem neer gekomen, zij drukt Hem naar beneden in schande en dood onder het gericht van God. Zo kostbaar wordt de verzoening met de wereld voor God. Alleen doordat God het gericht aan zichzelf voltrekt, kan het vrede worden tussen Hem en de wereld en tussen mens en mens. Het geheimenis echter van dit gericht, van dit lijden en sterven, is de liefde van God voor de wereld, voor de mens. Wat Christus overkwam, dat overkomt in Hem alle mensen. Alleen als een door God geoordeelde kan de mens voor God leven, alleen de gekruisigde mens is in vrede met God. In de gestalte van de gekruisigde herkent en vindt de mens zichzelf. Door God aangenomen, in het kruis geoordeeld en verzoend, dat is de werkelijkheid van de mensheid.
De gestalte van de geoordeelde en gekruisigde blijft voor een wereld, waarin het succes de maat en de rechtvaardiging van alle dingen is, vreemd en in het beste geval meelijwekkend. De wereld wil en moet door het succes overwonnen worden. Niet ideeën of gezindheden, maar de daden beslissen. Het succes alleen rechtvaardigt onrecht dat gedaan is. De schuld wordt een litteken in het succes. Het is zinloos de succesrijke zijn ondeugden te verwijten. Men blijft daarmee steken in het verleden en ondertussen schrijdt de succesvolle voort van daad tot daad, wint de toekomst en maakt het verleden onherroepelijk. De succesrijke schept een feitelijke toestand, die niet meer ongedaan gemaakt kan worden. Wat hij kapot maakt, is niet te herstellen, wat hij opbouwt, heeft minstens in de volgende generatie nog recht van bestaan. Geen aanklacht kan de schuld, die de succesrijke achterlaat, weer goed maken. De aanklacht verstomt in de loop der tijd, het succes blijft en bepaalt de geschiedenis. De rechters over de geschiedenis spelen naast deze figuren een treurige rol. De geschiedenis walst over ze heen. Geen aardse macht kan het wagen de stelling, dat het doel de middelen heiligt, zo vrijmoedig en vanzelfsprekend voor zich op te eisen, als de geschiedenis dat doet.
Bij wat we gezegd hebben gaat het om feiten, nog niet om waardeoordelen. Er zijn drie verschillende manieren waarop mensen en tijden met deze feiten om kunnen gaan.
Waar de gestalte van de succesvolle bijzonder zichtbaar op de voorgrond treedt, daar valt de meerderheid ten prooi aan de vergoddelijking van het succes. Ze wordt blind voor recht en onrecht, waarheid en leugen, fatsoen en onbeschoftheid. Ze ziet alleen nog de daad, het succes. Het ethische en intellectuele oordeelsvermogen stompt af vanwege de glans van de succesvolle en het verlangen op de een of andere manier deel te krijgen aan dit succes. Er ontbreekt zelfs het inzicht, dat er schuld in het succes ligt opgesloten, omdat juist die schuld helemaal niet meer gezien wordt. Het succes is het goede pur sang. Deze houding is alleen in een toestand van bedwelmd zijn echt en vergeeflijk. Na eenmaal ingetreden ontnuchtering wordt ze duur betaald met een diepe innerlijke leugenachtigheid en bewust zelfbedrog. Het komt dan tot een innerlijk verderf, dat maar heel moeilijk te genezen is.
De stelling, dat het succes het goede is, staat tegenover die andere, die de voorwaarden voor een blijvend succes in ogenschouw neemt, namelijk dat alleen het goede succesvol is. Hier wordt het oordeelsvermogen ten opzichte van het succes gegarandeerd, hier blijft recht recht en onrecht onrecht. Hier knijpt men niet op het beslissende ogenblik een oogje toe, om het pas nadat de daad is geschied weer te openen. Ook wordt hier een wetmatigheid van de wereld bewust of onbewust erkend, die inhoudt dat op de langere termijn recht, waarheid en orde het langer uithouden dan geweld, leugen en willekeur. Toch brengt deze optimistische these ons op een dwaalweg: ofwel de historische feiten moeten vervalst worden, om het gebrek aan succes van het kwade te bewijzen, waarbij men weer heel snel zal aankomen bij de omgekeerde stelling, dat het succes het goede is, ofwel men lijdt met zijn optimisme schipbreuk ten overstaan van de feiten en eindigt met een verkettering van alle historische successen.
Dat alle succes uit den boze is, is dan het eeuwige lamento van de aanklagers van de geschiedenis. In onvruchtbare en farizeïsche kritiek op wat er gebeurd is, komt men zelf nooit toe aan het heden, aan handelen, aan succes en ziet juist daarin weer de bevestiging van de slechtheid van de succesvolle. Zonder het te willen maakt men ook hier het succes tot de – zij het dan negatieve – maatstaf van alle dingen, en het is geen wezenlijk verschil, of het succes de positieve of de negatieve maatstaf van alle dingen is.
De gestalte van de gekruisigde stelt al het op succes georiënteerde denken buiten werking; want het is een ontkenning van het gericht. De triomf van de succesvolle kan de wereld niet aan, en uiteindelijk kan de bittere haat van de mislukten tegen de succesrijken dat evenmin. Jezus is zeker geen pleitbezorger van de succesrijken in de geschiedenis, maar hij is ook niet de aanvoerder van de opstand van de mislukte existenties tegen de succesrijken. Het gaat bij Hem niet om succes of gebrek aan succes, maar om het gewillig aanvaarden van het gericht van God. Alleen in het gericht is er verzoening met God en onder de mensen. Tegenover al het om succes en mislukking cirkelende denken stelt Christus de door God geoordeelde mens, zowel de succesvolle als de succesloze. Omdat God uit louter liefde de mens voor zijn aangezicht wil laten bestaan, daarom oordeelt hij ze. Het is een gericht van de genade, dat God in Christus over de mensen brengt. Tegenover de succesrijke wijst God in het kruis van Christus op de heiliging van de pijn, de nederigheid, de mislukking, de armoede, de eenzaamheid, de vertwijfeling. Niet als zou dat alles een waarde in zichzelf hebben, maar het ontvangt zijn heiliging door de liefde van God, die dat alles als oordeel op zich neemt. Het ja van God tegen het kruis is het oordeel over de succesvolle. De succesloze moet evenwel erkennen, dat het niet zijn gebrek aan succes, niet zijn positie als paria als zodanig is, maar alleen het aannemen van het oordeel der goddelijke liefde dat hem voor God laat bestaan. Dat dan juist het kruis van Christus, dus zijn mislukken aan de wereld, weer tot een historisch succes leidt, is een geheimenis van het goddelijk beleid over de wereld, waarvan geen regel gemaakt kan worden, maar dat zich hier en daar in het lijden van zijn gemeente herhaalt.
Alleen in het kruis van Christus, en dat betekent als geoordeelde, komt de mensheid tot haar ware gestalte.’

We treffen hier de ogenschijnlijk alleen openstaande mogelijkheden aan, die van het protest en die van de aanpassing. Maar er is een andere weg, die van het kruis, van de aanvaarding van het gericht van God. En die weg kán ook nu de geschiedenis veranderen en ‘succes’ hebben, als God het geeft.
In een enkele maanden vóór zijn arrestatie – december 1942 – geschreven terugblik ‘Nach zehn Jahren’, bestemd voor naaste familie en mede-samenzweerders, gaat Bonhoeffer ook in op de vraag van het succes, in een paragraaf onder het kopje ‘Over het succes’:

‘Het is dan wel niet waar, dat het succes ook de boze daad en de verwerpelijke middelen rechtvaardigt, maar net zomin is het mogelijk het succes als iets ethisch geheel neutraals te beschouwen. Het is toch zo, dat het historische succes de bodem bereidt, waarop voortaan alleen geleefd kan worden, en het blijft zeer dubieus, of het in ethisch opzicht van meer verantwoordelijkheidszin getuigt, wanneer men als een Don Quichote tegen een nieuwe tijd te velde trekt of in erkenning van de eigen nederlaag en uiteindelijk in vrijwillige medewerking een nieuwe tijd dient. Het succes maakt uiteindelijk de geschiedenis, en over de hoofden van de mannen die geschiedenis maken heen schept Hij, die de geschiedenis leidt steeds weer uit het kwade het goede. Het is een denkfout van een onhistorisch en daarmee onverantwoordelijk denkende Prinzipienreiter, als men de ethische betekenis van het succes eenvoudig negeert, en het is goed, dat we nu eens gedwongen worden ons serieus met het ethische probleem van het succes bezig te houden. Zolang het goede succes heeft, kunnen we ons de luxe veroorloven, het succes voor ethisch irrelevant te houden. Wanneer echter een keer kwade middelen succes boeken, ontstaat het probleem. In zo’n situatie ondervinden wij, dat noch theoretisch kritiseren en eigen gelijk zoeken vanuit een toeschouwerpositie, dat is: de weigering de feiten onder ogen te zien, noch opportunisme, dus de capitulatie en het opgeven van jezelf ten overstaan van het succes, recht doet aan onze opdracht. We mogen geen beledigde critici noch opportunisten zijn, maar we moeten medeverantwoordelijkheid willen dragen voor de taak om de geschiedenis te vormen – van situatie tot situatie, als overwinnaars of verliezers. Wie zich door niets, wat gebeurt, de medeverantwoordelijkheid voor de gang van de geschiedenis laat afnemen, omdat hij weet dat God hem die heeft opgelegd, zal – boven onvruchtbare kritiek en even onvruchtbaar opportunisme uit – een vruchtbare relatie met de gebeurtenissen op het veld van de geschiedenis vinden. Oog in oog met een onontwijkbare nederlaag zinspelen op een heldhaftig ondergaan is in de grond van de zaak heel onheldhaftig, omdat men namelijk de toekomst niet onder ogen durft te zien. De beslissende vraag van de menselijke verantwoordelijkheid is niet, hoe ik mij als een held uit alles kan terugtrekken, maar hoe een nieuwe generatie verder moet leven. Alleen uit deze vraag van de verantwoordelijkheid voor de gang van de geschiedenis kunnen vruchtbare – zij het ook tijdelijk zeer deemoedig makende – oplossingen voortkomen. Kortom, het is veel gemakkelijker een zaak principieel vol te houden dan in concrete verantwoording. De jonge generatie zal altijd intuïtief met de grootst mogelijke zekerheid aanvoelen, of men alleen uit principe dan wel in concrete verantwoordelijkheid handelt. Het gaat daarbij immers om haar eigen toekomst.’

Het is een van de laatste teksten die Bonhoeffer nog in betrekkelijke vrijheid kan schrijven. Uit het feit dat deze tekst voor zijn naaste familie en zijn mede-samenzweerders was bestemd kunnen we afleiden dat het een vorm van verantwoording en balans is van de weg die hij zelf is gegaan, ook in ethisch opzicht. Het is veelzeggend dat hij hier de vraag van het succes weer opneemt en dezelfde lijnen trekt en accenten plaatst als in 1940. Het gaat om een weg boven kritische distantie enerzijds en capitulatie voor de feiten anderzijds uit. Alleen dan kan er ‘een vruchtbare relatie met de gebeurtenissen op het veld van de geschiedenis’ zijn. Bonhoeffer gebruikt hier opvallend genoeg het woord ‘vruchtbaar’ en doet dat even verderop nog eens, toch niet het meest voor de hand liggende woord in de situatie van Duitsland rond de jaarwisseling 1942/1943! Hij gebruikt het echter stellig bewust. God legt ons verantwoordelijkheid op voor de geschiedenis en daarom dienen we ons te laten leiden door de vraag ‘hoe een nieuwe generatie verder moet leven’, dat wil zeggen na het einde van het Nazi-tijdperk en alles wat dat heeft aangericht. Die weg staat onder een belofte en is daarom begaanbaar: ‘Hij, die de geschiedenis leidt schept steeds weer uit het kwade het goede’! Daarom heeft het zin de weg voor Christus te bereiden en in dat perspectief ethiek te beoefenen – en zo de Nazi-successen niet het láátste woord te geven.

Noten
1. Geciteerd in: H. Assel, ‘“Der du die Zeit in Händen hast”. Theologische und zeitgeschichtliche Anmerkungen’, in: Der du die Zeit in Händen hast. Briefwechsel zwischen Rudolf Hermann und Jochen Klepper 1925-1942,unter Mitarbeit von Arnold Wiebel herausgegeben und kommentiert von Heinrich Assel, Beiträge zur evangelischen Theologie Bd. 113, Münch¬en 1992, 165.
2. Vgl. E. Bethge, Dietrich Bonhoeffer. Theologe – Christ – Zeitgenosse. Eine Biografie, Gütersloh 20059, 765.
3. Helmut Traub, ‘Meine Kontakte mit Dietrich Bonhoeffer. Ein Vortrag’ [1986], ], in: Hans-Georg Ulrichs (Hg.), Helmut Traub. ‘Unerschrocken zur Zeit oder zur Unzeit’. Beobachtungen eines Predigers, Zeugen und Lehrers zur kirchlichen Zeitgeschichte. Mit Beiträg¬en von Gerhard Sauter und Hinrich Stoevesandt, Wuppertal 1997, 151v.
4. D. Bonhoeffer, Illegale Theologenausbildung. Sammelvikariate 1937-1940, Herausgegeben von Dirk Schulz, DBW Bd. 15, Gütersloh 1998, 210.

Deze tekst gebruikte prof.dr. G.C. den Hertog voor een workshop tijdens de Nacht van de Theologie over de ethiek van Bonhoeffer. Samen met Wilken Veen verzorgde Den Hertog dit jaar de verschijning van Dietrich Bonhoeffer, Aanzetten voor een ethiek. De teksten die werden uitgesproken tijdens de presentatie van het boek vindt u hier.