Dr. Sake Stoppels is universitair docent Praktische Theologie aan de Faculteit Godgeleerdheid van de Vrije Universiteit en beleidsmedewerker binnen de Dienstenorganisatie van de Protestantse Kerk in Nederland. Hij gaf deze lezing tijdens de presentatie van het handboek Diaconaal doen doordacht.

Ik begin uiteraard met een hartelijke felicitaties aan de redactie van dit nieuwe handboek. De trilogie is voltooid. Er liggen nu 1.193 pagina’s stevige diaconale lectuur te wachten op onze aandacht. Ik ben er blij mee, want er is binnen onze kerken en ook binnen de bredere samenleving alle reden voor diaconale bezinning en aandacht. Het is ook goed dat dit derde deel dicht bij de praktijk blijft en 10 concrete initiatieven centraal stelt. Diaconale reflectie begint immers niet boven het maaiveld, maar er op.

In mijn bijdrage vanmorgen stel ik drie thema’s aan de orde: helpt het boek ons verder in de diaconiewetenschap?, Mattheus als stoorzender, en de ontschotting die nog een stap verder kan.

Helpt het boek ons verder?

Mij is de vraag gesteld of dit derde handboek ons verder brengt in de diaconiewetenschap. Mijn antwoord is zowel ja als nee. Eerst maar dat ja.

Ik ben blij met een grondstelling in het boek: diaconie is niet slechts uitvloeisel van geloof, maar ook een bron ervan. Of in woorden uit het boek zelf: “Diaconie wordt niet slechts bepaald vanuit de geloofsleer, maar geeft zelf ook toegang tot het geheim van Gods liefde en barmhartigheid. Wie de taaiheid en de vraag naar recht van armen ontmoet, krijgt kennis aan de kracht van de Geest.”(p.24) Ik vind dat een even heilzame als noodzakelijke correctie op een theologisch denken dat vooral van boven naar beneden denkt en primair vanuit de leer vertrekt. “Quod non est in doctrina non est in ecclesia”, schreef Paul Philippi al in 1963 en zo is het inderdaad vaak geweest: wat niet belangrijk is in de dogmatiek, doet er in de kerk uiteindelijk ook niet toe. Dit boek zet daar een dikke streep doorheen. Diaconie als vindplaats van theologie, diaconie ook als bron van geloofservaringen en van wat Fulbert Steffensky al weer lang geleden ‘vuile spiritualiteit’ noemde, spiritualiteit van de straat en de steeg en de slop. ‘Schone spiritualiteit’ moet het vooral hebben van wierook en kaarslicht, maar diaconale spiritualiteit leeft van de ontmoeting over gangbare grenzen heen.

Het sterke van het boek is ook dat het bestaande en vaak zeer herkenbare praktijken theologisch en sociaal-maatschappelijk doorlicht. (p.24). Diaconie wordt vaak gezien als iets voor doeners, maar daarmee doen we haar tekort. Juist omdat diaconie zich vrijwel altijd voltrekt in situaties van ongelijkheid zul je stevig bedacht moeten zijn op al de valkuilen die daarmee gepaard gaan. Daarom is kritische reflectie zondermeer geboden. En daarom ben ik ook blij met de grondige theologische en sociaal-maatschappelijke evaluaties van de tien praktijkverhalen. Ze helpen ons om diaconale presentie gezond te houden. Ik ben ook verheugd over de aandacht die er is voor duurzaamheid. Het is een thema dat hoog op de maatschappelijke agenda staat, maar dat binnen de kerken vreemd genoeg soms nog steeds niet echt in beeld is. Er zijn zeker nog meer gronden voor mijn ja te noemen, maar u komt ze wel tegen als u zelf het boek ter hand neemt. Neem en lees, zou ik zeggen.

Dan toch ook een nee

Ik lees dat het boek zich richt “op studenten theologie en sociale wetenschappen aan hbo-opleidingen en universiteiten, op hen die als vrijwilliger of als beroepskracht diaconaal werk verrichten en op een brede kring van geïnteresseerden in de diaconale dimensie van ons geloof.” (17) Mijn kritische vraag vanmorgen is of het boek zich echt heeft laten leiden door de doelgroep en dan denk ik met name aan studenten WO en HBO. In didactische zin is dat, denk ik, toch te weinig gebeurd. Het is misschien te weinig een echt leerboek. Het zou beter op de onderwijsbehoefte hebben aangesloten als er van meet aan een didacticus aan had meegedaan. Het boek is zondermeer leerzaam, vandaar mijn volmondig ja dat voorop gaat, maar een heldere structurering juist vanuit de behoefte van studenten om diaconaal te leren, ontbreekt. Het klinkt misschien wat onaardig bij een boekpresentatie, maar ik zeg dit ook omdat in de wereld van het theologisch en sociaal-wetenschappelijk onderwijs diaconiewetenschap een ondergeschoven kindje is. Ik merk het aan mijn eigen faculteit aan de Vrije Universiteit. Daar heb ik tot vorig jaar met enig kunst- en vliegwerk nog ruimte weten te maken voor het diaconaat binnen de Ba-module ‘publieke theologie’. Dat was ergens al op het randje, want aandacht voor het diaconaat was misschien al wel te kerkelijk voor de Ba-fase. Nu is dat echter voorbij omdat men vanuit marketingmotieven koos voor het thema ‘De Bijbel in de publieke ruimte’. Exit diaconie. Dat betekent dat in de joint Bachelor aan de VU en de Amsterdamse vestiging van de PThU geen enkele aandacht meer is voor iets als diaconiewetenschap. De predikantsopleiding moet nu in haar eentje de diaconale kar trekken. En hoe kun je de minimale tijd die in de onderwijsprogramma’s wordt uitgetrokken voor diaconale en diaconiewetenschappelijke vragen maximaal benutten? Precies 1.193 pagina’s diaconiewetenschap passen in geen enkel theologisch curriculum. Gelet op deze voortdurende reductie van de aandacht voor diaconiewetenschap lanceer ik direct maar het voorstel om nog een vierde deel aan de drie delen toe te voegen. Dat moet dan een beknopte digitale compilatie zijn van diaconale thema’s en vragen uit de drie handboeken die direct raken aan de praktijk van het diaconale werk. Ik verwijs daarvoor terug naar het overzicht van principiële diaconale vragen in paragraaf 2.9 in het eerste deel uit 2004. In geactualiseerde vorm zou dit een uitgangspunt kunnen zijn voor een beknopte theologische en sociaal-wetenschappelijke reflectie op diaconale basisthema’s. Heel simpel, gewoon een bondig overzicht van basale principiële diaconale vragen en discussies die de diaconale praktijk altijd weer oproept. Ik denk dan niet alleen aan de huidige studenten WO en HBO, maar ook aan huidige voorgangers die vaak maar bitter weinig interesse hebben in het diaconaat.

Onderzoek van de Protestantse Kerk in 2014 onder de eigen voorgangers liet een pijnlijk beeld zien rond hun bevlogenheid op verschillende werkterreinen binnen hun predikantschap.

‘Over welk deel van uw werk bent u het meest bevlogen?’:
  • Voorgaan in de zondagse eredienst (83%)
  • Pastoraal werk (59%)
  • Voorgaan bij casualia (45%)
  • Geestelijke toerusting van gemeente (42%)
  • Contacten in de samenleving onderhouden (20%)
  • Jongerenwerk (19%)
  • Missionair werk (15%)
  • Diaconaal werk (8%)

Het diaconaat bungelde met 8% ‘bevlogenen’ helemaal onderaan. Het meest bevlogen waren de predikanten over het voorgaan in de eredienst. Niet minder dan 83% van de respondenten was hierover enthousiast. Een belangrijke uitdaging van vandaag is: hoe kun je er voor zorgen dat diaconaat van de laatste plaats afkomt?

Mattheus 25 als stoorzender

Afgaande op het register van bijbelplaatsen die in het boek worden genoemd, is de referentie aan de Bijbel niet heel groot. Alle bijbelplaatsen passen op één pagina. Koploper is Mattheus 25:31-46 en dat hoeft natuurlijk ook niet te verbazen. Het boeiende is dat dit verhaal over de scheiding van de schapen en de bokken een lans breekt voor wat je zou kunnen noemen het naïeve doen, het niet weten. “Maar Heer, wanneer hebben we u gekleed, gevoed, bezocht, verzorgd…?” Ik heb als predikant wel eens over deze tekst gepreekt en toen dacht ik: dat kan helemaal niet, je kunt helemaal niet preken over deze tekst, want de kracht hier is juist wat je zou kunnen noemen ‘zalige onwetendheid’. Laat mensen maar in die onvruchtbare onwetendheid. Ik heb de kerkgangers aan het einde van de preek dan min of meer bevolen de preek gauw weer te vergeten. Diaconie moet het deels hebben van een zekere argeloosheid, onnozelheid zo uw wilt, het moet het hebben van een hart dat ‘onwetend’ klopt voor anderen. Daarmee zit er iets dubbels in diaconale reflectie. Die reflectie moet, is broodnodig, maar tegelijk moet ze juist ook niet. Je moet diaconale boeken lezen, maar je moet het ook nalaten. Dat is ergens de diaconale paradox. Het boek constateert op meerdere plekken dat er in de praktijk vaak geen sprake is van diaconale reflectie, van iets als theologische diepgang achter de diaconale praxis. Hoe ernstig is dat, bekeken vanuit Mattheus 25? Ik weet het antwoord niet, maar vind het wel een intrigerend dilemma. Misschien iets om nog wat verder over na te denken in de rest van deze ochtend.

Kan de ontschotting nog een stap verder?

Het nieuwe handboek bepleit een ontschotting als het gaat om de verschillende loci van de theologie en de diverse velden van het kerkelijk handelen. Ik vind dat een belangrijk pleidooi, maar ik vind ook dat het gevoerde pleidooi onvoldoende wordt omgezet in de gehanteerde benadering. Je zou kunnen zeggen: het boek had iets meer kunnen lijken op wat het beoogt. Daarom kom ik met een voorstel voor een nieuw raster waarbinnen de diaconiewetenschap en het concrete diaconale handelen geïntegreerd zou kunnen worden opgenomen. Ik doe dit mede vanuit mijn betrokkenheid bij de wereld van het pionieren waar integrale missie en een holistische aanpak echt een plek hebben gekregen. Jullie noemen op pagina 248 van het boek de noodzaak voor een theologische doordenking van de denkbare spanning tussen de diaconale en de missionaire roeping van de kerk. Ik herken die spanning, maar zie ook dat onder de jongere generaties op dit punt vaak meer ontspannenheid bestaat dan onder de 50+ generaties. Wat ik hier behulpzaam vind, zijn de zogenaamde Five marks of mission. Deze vijfdeling is ontstaan binnen de Anglicaanse traditie. Met deze ‘marks’ heeft men de breedte van de missionaire betrokkenheid van de christelijk gemeente op de samenleving willen markeren. Het gaat om de volgende vijf uitingen of facetten:

  • To proclaim the Good News of the Kingdom (Tell);
  • To teach, baptize and nurture new believers (Teach);
  • To respond to human need by loving service (Tend);
  • To seek to transform unjust structures of society, to challenge violence of every kind and to pursue peace and reconciliation (Transform);
  • To strive to safeguard the integrity of creation and sustain and renew the life of the earth (Treasure).

Zie http://www.anglicancommunion.org/identity/marks-of-mission.aspx (26-01-2018)

Ik vind dit een behulpzaam, vruchtbaar en beloftevol schema en wel om een aantal redenen.

Allereerst belet het ons ‘missionair’ en ‘diaconaal’ op een onvruchtbare wijze tegenover elkaar te plaatsen. Vanuit de Missio Dei is de christelijke gemeente geroepen missionair te zijn en zich te laten (uit)zenden in de samenleving. Deze (uit)zending is veelkleurig en manifesteert zich op verschillende manieren, elk met hun eigen integriteit. De vijf ‘marks’ markeren deze veelkleurigheid. Diaconaat – zowel gericht op individuele noden (tend) als op maatschappelijke transformatie (transform) als op duurzaamheid (treasure) – en evangelisatie zijn beide uitingen van de zelfde missionaire roeping van de kerk in de samenleving.

In de tweede plaats kan het gemeenten en parochies helpen zicht te krijgen op de eigen accenten binnen de missionaire gerichtheid. De vijf kunnen als raster dienen om te zien op welke vlakken gemeenten en parochies invulling geven aan hun missionaire roeping. Zo vormen de vijf ‘marks’ als het ware een röntgenapparaat waarmee gemeente en parochie dieper zicht krijgen op wie ze zijn en wat ze doen. Accenten worden duidelijk, mogelijke eenzijdigheden en lacunes ook. Daarmee wordt het ook een beleidsinstrument: wat doen we eigenlijk en wat zouden we willen doen?

Een derde reden om met de vijf marks te gaan werken, is dat het ook helpt om over de grenzen van de eigen gemeente heen te kijken. Immers, niet alle vijf hoeven binnen de kaders van de eigen gemeente te worden gedaan om toch ten volle gehonoreerd te worden. Veel gemeenteleden zijn ook buiten de eigen geloofsgemeenschap actief en de vijf marks scheppen de ruimte om dit engagement ook volop te zien en te honoreren. Zo komen allerlei seculiere en religieuze organisaties in beeld die bij een binnengemeentelijke concentratie vaak niet worden gezien. We kunnen bijvoorbeeld denken aan de inzet van gemeenteleden voor Amnesty International, Vluchtelingenwerk en Milieudefensie, maar ook aan organisaties als Youth for Christ en de christelijke milieubeweging A Rocha. De vijf marks voorkomen dus ecclesiocentrisme, ze helpen ons breed rond te kijken en te zien en te waarderen wat elders gebeurt. Gelukkig gebeurt dat in het boek ook volop en dat is van belang, juist in onze tijd van kerkelijke krimp. De Marcuskerk in Utrecht Hoograven, centraal in één van de 10 praktijkverhalen uit het boek, is inmiddels gesloten en dat is een pijnlijke onderstreping van hoe hard het gaat met de kerkelijke krimp. Nog voordat het boek uit is, is de kerk al dicht. Hoe kunnen we gelovigen stimuleren en helpen hun diaconale roeping ook binnen seculiere groepen en bewegingen invulling te geven? Misschien denken we nog steeds te kerkelijk als het om dit soort zaken gaat.

Ik sluit af.

Nogmaals gefeliciteerd met de afronding van dit grote en belangrijke diaconale project. Ik vertrouw er op dat Diaconaal doen doordacht – net als de twee eerdere – zijn weg wel zal vinden en bij zal dragen aan het welzijn van met name die mensen die in de hoek zitten waar de klappen vallen.

Sake Stoppels

N.a.v. Diaconaal doen doordacht / Hub Crijns (red.) / Uitgeverij Kok / als hardcover en e-book

Meer boeken over diaconaat:

One thought on “Brengt Diaconaal doen doordacht ons verder in de diaconiewetenschap?”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *