GeloofGod

Een blog van Margriet van der Kooi naar aanleiding van haar nieuwe boek Het kleine meisje van de hoop

Geheimen

Het duurde lang voordat de man tevoorschijn kwam. Hij had om mijn komst gevraagd, de verpleegkundige van de afdeling cardiologie vond het een goed idee. `Hij ziet erg tegen de operatie op’ had ze gezegd `hij zei dat hij eerst naar huis wilde. Maar dat is te riskant. Goed dat hij wat van zich kan afpraten.’

Maar het ging helemaal niet om de operatie. Niet dat meteen ter sprake kwam. Hij maakte lange tijd omtrekkende bewegingen. Het leek een beetje in- en uitpraten, over zijn vrouw, zijn hond, de kerk waar hij niet meer kwam, omdat het kerkgebouw waar hij gedoopt en getrouwd was verkocht was omdat het teveel kostte. Het ging over de dokter en het eten. Het leek alsof hij me aan het uitproberen was en ik vroeg me af hoe ik het gesprek kon vlot trekken, want het leek alsof er iets op het spel stond. `Vindt u het prettiger om een andere plek op te zoeken?’ vroeg ik, want als het waar was dat er iets op het spel stond zou het ook kunnen zijn dat hij zich verborgen hield voor andere oren. Je begint een gesprek niet met de vraag of er een andere ruimte gezocht moet worden, alsof je vindt dat het gesprek over grote dingen moet gaan, terwijl je elkaar nog niet eens kent. Het is dus nodig om de moed te hebben om onderweg een gesprek maar te vragen: is dit wel een goede setting voor u voor dit gesprek?

Gelukkig dat ik het vroeg. Hij zei onmiddellijk dat dat goed was. In de familiekamer waar de muren geen oren hebben kwam de eigenlijke reden voor zijn verzoek om gesprek eruit: hij maakte zich grote zorgen voor als hij niet uit de operatie kwam. `Niet dat ik het erg vind als ik dood zou gaan, maar wat gaan ze dan met mijn computer doen’.

`U maakt zich zorgen over wat daarop staat?’ ried ik. Hij knikte bedrukt. `Ik heb pas gehoord dat ze alles wat je op de computer aanklikt kunnen terug vinden. En dat wil ik niet.’

`Vertel maar’ zei ik.

`Ik wil eerst naar huis. Dan kan ik die computer wegmaken. Ik wil niet dat mijn vrouw, of mijn zoon mijn leven openmaakt. Ik heb sites bekeken…dat zouden ze niet begrijpen…heus niet elke dag, maar vaak genoeg…u zal dat wel verkeerd vinden, en God misschien, maar daar kan ik me nu even niet druk over maken. Aan God kan ik het wel uitleggen ook, denk ik. Hij heeft zelf zoveel schoonheid geschapen, Hij zal er zelf ook plezier aan beleefd hebben om mooie mensen te maken. Maar mijn vrouw zal mijn foto niet eens meer op de schoorsteenmantel willen zetten als ze daarachter komt, en mijn zoon die is zo’n precieze man, zo principieel. Daar zit geen vrouwenvlees aan. Wat dat is in ons gezin! Ik vind vrouwen prachtig, zacht, en mooi, maar dat kan ik niet zeggen, dat is meteen vies. Ik ben geen vieze man. Maar als ze erachter komen wat ik heb aangeklikt, ik wist niet dat dat allemaal terug te vinden is. Ik hoorde dat pas van de week. Ik probeer de dokter zover te krijgen dat ik nog even naar huis mag, maar hij zegt dat dat dat onverantwoord zou zijn. Ik zeg natuurlijk niet waarom, zo’n man zal wel denken. Misschien wil hij zo iemand niet eens meer laten opereren. Maar nu lig ik er wakker van. Stel je voor dat ik in die operatie blijf, en dat ze mijn computer openmaken. Ik schaam me dood. Dat ben ik dan al, dus u zal zeggen wat geeft het’.

`Dat zeg ik niet’ zei ik. `het geeft, want u ligt er wakker van. U voelt zich open en bloot te kijk. Dat moet heel onveilig voelen. Wat is er nodig dat u rustig de operatie in kan gaan?’

Hij kekke mismoedig. `Ik weet het niet, ik heb me suf gepiekerd. Ik dacht vannacht; ik trek mijn jas aan en loop naar huis. Ik heb de sleutel in mijn laadje, ik kan dus naar binnen. Mijn vrouw slaapt altijd heel diep, ze zou niet wakker worden als ik die computer pak en in de sloot voor ons huis gooi. Ik dacht; dan loop ik weer terug en stap hier in bed. Niemand hoeft het te merken. Ik was al beneden, maar ik had geen adem meer. Het lukt me niet’.

`Heeft u een vriend of broer…’zei ik. Hij schudde zijn hoofd. `Mijn beste vriend is vorig jaar gestorven. Wij begrepen elkaar. We kenden elkaar al vanaf de lagere school. We waren geen vieze mannen, we waren verliefd op dezelfde meisjes. We hielden van mooie dingen, en van mooie zachte vrouwen. Hij trouwde er zo één. Het was niet vies, echt niet.’

Ik geloofde hem op zijn woord. Wat gevaar. Hij vreesde de waarschuwing van George Orwell1 meer dan God. Big Brother is watching you, het verschrikkelijke systeem waarin niets meer verborgen kan blijven. Aan God kan ik het wel uitleggen, had hij gezegd, aan de mensen niet.

`Ik stel voor dat u een wilsbeschikking schrijft’, zei ik. `Daarin zegt u dat in geval u iets overkomt u uw computer aan mij ter beschikking stelt. Ik beloof u dat ik, mocht u niet uit de operatie komen die computer ophaal en meteen vernietig. Ik heb een vriend die weet hoe dat moet. En ik heb een ambtsgeheim.’

We zijn veiliger bij God, die ons kent zoals we zijn dan bij de mensen. Ik sta in Zijn dienst.

Dit boek is een vervolg op het succesvolle Pelgrims en zwervers van Margriet van der Kooi, een ‘rijk, troostrijk en inspirerend boek, geschreven door een begenadigd auteur. Gezegend de zwerver of pelgrim die zo’n mens op zijn of haar weg ontmoet.’ – Friesch Dagblad. In Het kleine meisje van de hoop doet de auteur opnieuw verslag van bijzondere ontmoetingen en gesprekken en laat ze iets doorklinken van de manier waarop we hierin Gods stem kunnen verstaan.

1 1984 is een boek van de Britse schrijver George Orwell, Het is een beroemde dystopie (tegenovergestelde van utopie), een visie op de westerse wereld anno 1984, waarin de enkeling ten onder gaat in een volkomen kansloze strijd tegen een totalitair bewind. Het is een waarschuwing tegen totalitaire regimes