GeloofGeschiedenis

Bijbelteksten als troost en steun – door dr. B. Siertsema


Bijbelteksten komen tot leven als ze worden aangehaald bij grens-ervaringen. Het verblijf in concentratiekampen is zo’n situatie waarin de Bijbel bron van troost kan worden of de onmacht verwoordt, als woorden tekortschieten. Bettine Siertsema gaat na wat verschillende auteurs hierover op papier hebben gezet, tijdens en na hun grens-ervaring.

Dr. B. Siertsema is neerlandica, werkzaam aan de Faculteit Wijsbegeerte van de Vrije Universiteit, en redactielid van Interpretatie, tijdschrift voor bijbelse theologie.

Nood leert bidden, wil het gezegde. Hoe blijvend die les is, staat nog te bezien, maar zeker is dat mensen in noodsituaties graag teruggrijpen op woorden en rituelen die ze kennen uit hun jeugd. Al hebben ze intussen andere wegen ingeslagen, die oude woorden bieden dan toch vaak de steun waar ze naar verlangen als andere zekerheden weggevallen zijn. Hoeveel te meer zal dat het geval zijn voor mensen die geen andere wegen zijn ingeslagen, en voor wie bijbelteksten, psalmen en gezangen tot hun gewone ervaringswereld behoren. Veel predikanten, priesters en gewone gelovigen die tijdens de Tweede Wereldoorlog in gevangenis of concentratiekamp geïnterneerd waren, hebben daarover geschreven. Een bijbeltje, waarvan het bezit streng verboden was, was dan ook een schaars maar zeer gewild artikel. En wanneer dat ontbrak, kon men toen makkelijker dan nu terugvallen op het geheugen.

Wat waren de teksten waar men kracht uit putte? Er blijkt op dat gebied nogal wat verschil te bestaan tussen christelijke en joodse auteurs die over hun kampervaring schrijven. De voorkeur voor respectievelijk het Nieuwe en het Oude Testament wekt natuurlijk geen verbazing, maar ook de context en de manier waarop de teksten ingezet worden, zijn duidelijk anders.

Corrie ten Boom
Om te beginnen zijn het bij de christelijke auteurs vooral de protestanten die met de Bijbel in de weer zijn. Voor de katholieke gevangenen speelde de – al even clandestiene – communie een vergelijkbare rol als bron van kracht en troost. Protestanten hanteren vaak korte steekzinnetjes om zichzelf geestelijk op de been te houden. Een van de meest overvloedige bijbelciteerders is Corrie ten Boom, die werd opgepakt wegens het herbergen van Joodse onderduikers, en gevangen heeft gezeten in Scheveningen, Kamp Vught en Ravensbrück. Ze schreef daarover het boek Gevangene en toch… De bijbelverzen (en de strofen uit gezangen) die zij citeert, hebben alle de strekking dat Gods macht uiteindelijk de overwinning zal behalen, en tevens, met een wat ander accent, dat ‘ik geborgen ben in zijn hand en daarmee onaantastbaar voor kwaad dat van buiten komt.’

Ze citeert opvallend veel uit de Brieven, natuurlijk steeds in de Statenvertaling, die toen de meest gangbare was. Heel toepasselijk voor die omstandigheden is de uitspraak van Paulus:

Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard? (…) Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door hem die ons heeft liefgehad.(Rom.8:35, 37)

Geleidelijk wordt dit door haar omgevormd en verkort tot ‘Jezus is overwinnaar’, dat als een soort mantra gaat functioneren. Ook 1 Petrus 5:7 citeert ze meermalen: ‘Werpt al uw bekommernissen op Hem.’ Verder komen voor: ‘en ik weet, dat degenen die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede.’ (Rom. 8:28), ‘Weest krachtig in de Heer en in de sterkte zijner macht.’ (Ef. 6:10) en ‘zijn kracht die in onze zwakheid volbracht wordt.’ (2 Kor. 12:9).

Van de psalmen citeert ze 121, 118 (‘de Heer is mij tot hulp en sterkte’), 141 en natuurlijk psalm 23. Ondanks de vele verwijzingen naar Jezus (vaak ‘Heiland’ genoemd), zijn de Evangeliën vrijwel afwezig. Wel doelt ze op Jezus in haar citaat van Jesaja in zijn lied van de lijdende knecht: ‘Onze smarten heeft hij gedragen’ (Jes. 53:4). Haar eigen lijden en dat wat ze om zich heen ziet, vergelijkt ze meer dan eens met dat van Jezus aan het kruis, zoals priester-auteurs dat ook regelmatig doen, net als de protestantse Floris Bakels.

J. Overduin
Net als de boeken van Ten Boom mochten de memoires van de gereformeerde ds. J. Overduin, Hel en hemel van Dachau, zich in een groot lezerspubliek verheugen. Ook bij hem zijn de Brieven geliefd. Ook hij citeert 1 Petrus 5:7, maar het zijn met name fragmenten uit Romeinen 8 en 2 Korintiërs 1 die Overduin tot steun zijn, hoofdstukken waaruit hij meermalen citeert, ook in de moeilijkste omstandigheden:

Nog herinner ik me levendig, hoe ik in Dachau op de appèlplaats, uitgeput, meer dood dan levend, te moe om een woord te spreken, bij mijzelf constateerde, dat er nog adem in mijn longen was, en dat het hart nog klopte, en dat ik dan weer blijmoedig als een dankzegging en een gebed in éénen dit woord van Paulus zacht prevelde: ‘Die ons uit zo grote nood verlost heeft, en nog verlost, op Welke wij hopen, dat Hij ons ook nog verlossen zal.’ (Overduin p. 62, gemoderniseerde spelling)

Hoewel ook hij vaak korte steekzinnetjes gebruikt, zoals ‘Dood waar is uw prikkel?’ en ‘Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?’, klinkt de oorspronkelijke context van die leuzen wel mee, ze zijn daar minder uit losgezongen dan bij Corrie ten Boom het geval is. Uit de Evangeliën zijn het een paar bemoedigende uitspraken van Jezus waar hij zich aan optrekt: ‘Ik ben met u tot aan de voleinding der wereld’ (Mat. 28:20) en ‘In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goede moed. Ik heb de wereld overwonnen.’ ( Joh. 16:33). Van de psalmen komt de onberijmde psalm 103 het nadrukkelijkst voor. In extenso citeert hij vers 1-14, en wel op het moment dat er een wending in zijn lot ten goede heeft plaats gevonden, waardoor de omstandigheden meer tot lofprijzing uitnodigen dan daarvoor (Kerst 1942). Maar toch, hij zit nog steeds in het kamp en de uitkomst is volstrekt onzeker, dan frappeert zo’n uitbundige lofpsalm wel. Het is natuurlijk niet verwonderlijk dat de bijbelverzen waarnaar in die omstandigheden de voorkeur uitgaat, vooral een troostend en bemoedigend karakter hebben. Ze worden als het ware direct toepasbaar verklaard op de actuele situatie van de gelovige. Die herkent zich in hetzij de spreker hetzij de aangesprokene. Misschien moet daar ook de reden gezocht worden dat de Brieven zo geliefd zijn, waar immers soms uit blijkt dat ze zelf in een tijd van verdrukking en vervolging geschreven zijn. Floris Bakels ziet datzelfde motief in de voorliefde voor evangelieteksten, daar Jezus zich in de eerste plaats tot de armen en verdrukten richtte. Het te hulp roepen van dergelijke verzen vol geloofsvertrouwen werkt, zoals Overduin al opmerkte, dubbel: het is zowel gebed als bemoediging, en soms zelfs dankzegging.

Een enkele keer gebruikt Overduin een bijbeltekst voor (zelf)vermaning, bijvoorbeeld als hij zich realiseert hoezeer de honger hem en de anderen egoïstisch dreigt te maken: hoe waar blijkt het dan dat ‘het vlees begeert tegen de Geest’ (Gal. 5:17). Meer algemeen geldig, maar met net zo’n vermanende bedoeling, herinnert hij zich Jezus’ woorden ‘wie zijn leven behouden wil, die zal het verliezen’ en de passage uit de Hebreeënbrief die herinnert aan Abrahams bereidheid zijn zoon te offeren. (Hebr. 11:17-18)

Floris Bakels
Bijbelteksten brengen soms ook worsteling en strijd. Dat het gebod tot naastenliefde, de opdracht niet bezorgd te zijn wat gij eten en drinken zult, en het vervolg van de bede om vergeving in het Onze Vader, ‘zoals ook wij vergeven onze schuldenaren’, niet iedereen voor in de mond lagen, zal duidelijk zijn. Oprechte gelovigen hebben er oprecht mee geworsteld.

Floris Bakels, die verder een groot kampioen is van het christelijk (maar vooral niet-kerkgebonden) geloof, vertelt dat het vers over het geloof dat bergen kan verzetten bij hem, eenzaam opgesloten in de gevangenis van Scheveningen, een zeer onheilzaam effect had. Hij kwam na lang tobben tot de conclusie dat hij in het verhoor gewoon de waarheid moest vertellen, en maakte uit allerlei door zichzelf opgemerkte en geïnterpreteerde ‘voortekenen’ berekeningen op welke dag hij vrijgelaten zou worden. In zijn memoires uit 1979, Nacht und Nebel, benoemt hij die geestelijke gesteldheid van zichzelf als godsdienstwaanzin. Op het door hem uitgerekende tijdstip gebeurde er echter niets. Hij voelde zich intens door God verraden en ging helemaal door het lint, met huilen en schreeuwen en op de muren bonken. Hier werkte de bijbeltekst dus averechts.

Hoewel Bakels in het kamp veelvuldig praatte over het geloof en er in zijn memoires ook uitvoerig over schrijft, citeert hij niet heel veel rechtstreeks uit de Bijbel, al verwijst hij er wel vaak naar. Meestal zijn het evangelieteksten. Tweemaal haalt hij de Bijbel aan bij een wonderbaarlijk visioen, waarin hem Gods aanwezigheid wordt geopenbaard (‘Vrees niet. Ik ben het’ en de Jesajatekst over het volk dat in duisternis wandelt). Voor Bakels is Gods aanwezigheid echter niet alleen troostend en steunend: hij citeert ook de Hebreeënbrief (10:31): ‘Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God.’ En daarmee doelt hij niet op de vijand! Christus voelt hij als heel nabij, hij identificeert zich ook vaak met hem, maar God is voor hem vooral vreeswekkend, geen ‘goede wijze Vader’, maar ‘groots, ijzig en onvermurwbaar’.

Mirjam Bolle en Clara Asscher-Pinkhof
Bij joodse auteurs valt op dat hun omgang met de Bijbel meestal in het kader staat van religieuze bijeenkomsten en vieringen. Het gaat ook minder om een enkel veelzeggend vers, dan om een verhaal of profetie in zijn geheel. Mirjam Bolle en Clara Asscher-Pinkhof delen een orthodoxe achtergrond. Mirjam Bolle was zioniste en schreef een dagboek in Westerbork en Bergen-Belsen; de jong weduwe geworden Clara Asscher-Pinkhof schreef haar herinneringen aan Westerbork en Bergen-Belsen als onderdeel van haar autobiografie, De Danseres zonder benen. Beiden maakten deel uit van hetzelfde uitwisselingstransport naar Palestina van begin juli 1944. Maar ze delen nog meer. Ze organiseren, los van elkaar, de viering van seideravond en andere joodse feesten in hun barak en voor de kinderen in de kinderbarak. Mirjam Bolle beschrijft hoe ze in haar voorgangersrol de geschiedenis van de uittocht uit Egypte vertelt, en

dat we de seider moeten vieren alsof we het zelf hadden meegemaakt, wat ons vroeger moeilijk viel, maar op het ogenblik helemaal niet, omdat we werkelijk de slavernij beleven. (…) Maar dat we na deze slavernij dus ook de bevrijding zullen beleven. (232)

Hoe concreet ze zich dat beleven van de bevrijding voorstelt, is niet helemaal duidelijk. Enerzijds verwacht ze elk moment het einde van de oorlog door de inspanningen van de geallieerden, anderzijds kijkt ze met een zeker fatalisme naar de toekomst. De mogelijkheid dat God te haren behoeve zal ingrijpen komt, anders dan bij Ten Boom, Overduin en Bakels, nauwelijks bij haar op.

Clara Asscher betrekt opvallend vaak een bijbelverhaal op zichzelf, zoals de worsteling van Jakob met de engel, de beproeving van Abraham, en Mozes die in zijn woede over de ontrouw van het volk de stenen tafels met de Tien Woorden stukgooit (als het gedrag van haar barakgenoten, over wie ze de leiding heeft, haar te veel wordt). Daarnaast ziet ze ook parallellen tussen de bijbelverhalen en het lot van het Joodse volk in haar eigen tijd: moeders die hun kinderen verbergen en weggeven, zoals de moeder van Mozes, en de profetie van Jeremia, waarin God zegt dat, zoals hij ‘al dit grote kwaad’ over het volk gebracht heeft, hij zo ook al het goede zal brengen. Hoe vertrouwd deze twee vrouwelijke auteurs ook met de Bijbel zijn, nooit gebruiken ze een los bijbelvers als een leus of mantra om zichzelf moed in te spreken.

Andere joodse auteurs
Ook de vrijzinniger Abel Herzberg citeert de Bijbel waar hij een toepasbaarheid op de eigen situatie voelt, en ook hij speciaal in de context van religieuze samenkomsten. Hij vertelt dat hij op sabbat de gedeelten uit de Tora leest die in de synagogale cyclus dan aan de orde zijn (net als Clara Asscher dat deed), en citeert grote stukken uit Deuteronomium 28 en Leviticus 26: de vervloeking van Israël door God, met zinsneden als

God zal een volk over u plaatsen, komend van verre, als een vliegende adelaar, een volk welks taal gij niet kent. Een volk onbeschaamd, zonder eerbied voor een grijsaard en voor de knaap zonder erbarmen. (Deut. 28:49-50)

Hij meldt dat hij daaraan de troostprofetieën van Jesaja toevoegt, maar citeert die niet. Door deze ‘toepasselijke’ citaten wekt hij de indruk in de lotgevallen van de Joden de hand van God te zien, maar zonder dat expliciet uit te spreken.

In zijn Oorlogsdagboek (over o.a. Westerbork en Theresienstadt) citeert de zeer vroom-orthodoxe Gabriël Italie een enkele keer een korte uitspraak uit de Bijbel, als hij zichzelf herkent in de situatie van die bijbeltekst, bijvoorbeeld uit Psalmen of Klaagliederen. Dat gebeurt vooral op momenten die hem sterk emotioneren. Deze bijbelteksten zijn in het verder tamelijk koele, afstandelijke dagelijkse verslag zo ongeveer de sterkste gevoelsuitingen.

Indrukwekkend is de laatste brief van Willem Willing uit Westerbork, kort voor zijn deportatie naar Auschwitz. Die brief eindigt met een uitvoerig citaat van psalm 37, waarin opgeroepen wordt niet boos of afgunstig te zijn op de boosdoeners omdat zij als gras zullen verdorren, maar op God te vertrouwen, die de zachtmoedigen de aarde zal laten beërven. Het godsvertrouwen dat uit dit citaat spreekt is niet naar binnen gericht, maar heeft als perspectief de wereld, de samenleving van de toekomst.

Anders is dat met het allerlaatste levensteken van Etty Hillesum, de kaart die zij uit de trein naar Auschwitz gooide. Zij schrijft op die kaart aan een vriendin:

Christien, ik sla de Bijbel open op een willekeurige plaats en vind dit: de Heere is mijn hoog vertrek. Ik zit middenin een volle goederenwagen op m’n rugzak. (…)’

Hillesum citeert hier psalm 94:22. Ze zet twee werkelijkheden antithetisch tegenover elkaar: de benauwdheid van de overvolle goederenwagon (in een brief van twee weken daarvoor had ze het vullen van de trein met de opeengeperste mensenmassa’s nog schrijnend beschreven) tegenover de ruimte die God voor haar is. Die laatste werkelijkheid weegt voor haar zwaarder dan de eerste.

Conclusie
Het is de herkenning die in bijbelteksten en -verhalen te vinden is waardoor ze gevangenen in hun benarde situatie voor de geest komen. Protestanten hebben een voorkeur voor korte slagzinnen, vaak losgemaakt uit hun context. Het gaat vooral om teksten die een belofte bevatten. Die teksten functioneren dan dubbel: als gebed en als bemoediging, als het ware in een tweerichtingsverkeer. Joodse auteurs vallen meer terug op een bijbelverhaal als geheel waarin zij zichzelf in hun actuele situatie herkennen, maar dat is, behalve bij Clara Asscher-Pinkhof, niet individueel gericht. Het besef te horen bij de gemeenschap die in de bijbeltekst voorkomt, is in zichzelf kennelijk al een bron van troost en kracht.


Dit artikel is met toestemming overnomen uit het december-nummer van Interpretatie, tijdschrift voor bijbelse theologie (19e jaargang, nummer 8).