Geen categorie

‘Bent u degene die zou komen…?’ Over de vraag van Johannes de Doper in Lucas 7:18-23

Ruim tweeëntwintig jaar verscheen Interpretatie, een uniek blad op het gebied van de bijbelse theologie. Door afnemende abonnee-aantallen bleek het niet mogelijk dit tijdschrift overeind te houden en op 21 november jl. verscheen helaas de aller-, allerlaatste editie.
De artikelen uit de laatste jaargangen van Interpretatie zijn opgenomen in www.PreekWijzer.nl, de nieuwe online database van Boekencentrum Uitgevers. Een totaalregister van thema’s en bijbelteksten van álle jaargangen van Interpretatie, alsmede jaarinhoudsopgaven vanaf 2007, zijn te downloaden op www.interpretatie.nl.
Uit het laatste nummer een artikel van een van de redacteuren over een vraag die relevant is in de adventsperiode.

___

‘Bent u degene die zou komen…?’
Over de vraag van Johannes de Doper in Lucas 7:18-23

 

De uitdrukking ho erchomenos (letterlijk: ‘de komende’) komt in relatie tot Jezus verschillende keren voor in het Lucasevangelie (7:19, 20; 13:35; 19:38; 21:27).(1) In deze bijdrage gaat de aandacht in het bijzonder uit naar Lucas 7:18-23, waarin deze uitdrukking onderdeel uitmaakt van de vraag van Johannes de Doper aan Jezus. Hoe moet de vraag vertaald, gelezen en geduid worden?

De antwoorden op deze vraag zijn nogal divers. Alle reden om nog weer eens nauwkeurig naar deze passage te kijken, zeker ook omdat in het gemeenschappelijk leesrooster deze vraag in het A-jaar op de derde adventszondag aan de orde is, al moeten we daarbij wel opmerken dat dan niet Lucas 7:18-23 gelezen wordt, maar Matteüs 11:2-11. Maar we beginnen met de context waarvan Lucas 7:18-23 deel uitmaakt.

De plaats van 7:18-23 in de context
Lucas 7:18-23 maakt deel uit van de grotere eenheid die in 7:11 begint en in 7:50 eindigt. Lucas 7:11-50 kent eenheid van plaats: alle gebeurtenissen spelen zich af in de stad Naïn (vv. 11, 37), met uitzondering van 7:18-19, waarin over Johannes de Doper gesproken wordt. De lezer heeft veel eerder gehoord dat die in de gevangenis zit (3:20). Waar dat precies is, vertelt Lucas niet. We horen niet van een plaatsverandering van Johannes, waardoor de lezer ervan uit zal gaan dat hij, als hij aan Jezus zijn vraag stelt, nog steeds in de gevangenis zit.
Daarnaast vindt Lucas 7:11-50 haar eenheid in de identiteitskwestie, zowel van Jezus als van Johannes (vv. 13, 16, 19, 20, 24-28, 33-35, 39, 40, 49). Een onderdeel van de identiteitskwestie is de terugkerende titel ‘profeet’, waarmee Jezus twee keer wordt aangeduid (vv. 16, 39), alsook – twee keer – Johannes (v. 26). De lezer die naar het hoofdpersonage kijkt, ziet dat Jezus in 7:11-50 op tal van manieren wordt aangeduid. De verteller noemt hem één keer bij zijn naam: Jezus (v. 40), eerder noemde hij hem ‘Heer’ (vv. 13, 19). De farizeeër Simon spreekt Jezus aan als ‘meester’ (v. 40), maar als hij in zichzelf spreekt, dan heeft hij het over ‘een profeet’. Na de dodenopwekking spraken ‘allen’ op twee manieren over hem: ze noemden hem ‘een groot profeet’, vlak daarvoor verbonden ze hem met ‘God’ (v. 16). Over zichzelf spreekt Jezus als ‘de Mensenzoon’ (v. 34). Helemaal aan het slot weten zijn tafelgenoten echter niet wie hij is, zoals uit hun vraag blijkt (v. 49). Ook Johannes krijgt verschillende identiteiten toebedeeld. Zijn leerlingen en ook Jezus duiden hem als ‘de Doper’ (vv. 20, 33), maar hij wordt ook getypeerd – naast ‘een riet door de wind bewogen’ en ‘een mens in weelderige kleding’ – als ‘een profeet’ en ‘meer dan een profeet’, en als ‘mijn bode voor uw aangezicht uit’ en ‘de kleinste in Gods koninkrijk’ (vv. 24-28).

De verdeling van 7:11-50 in drie delen: 7:11-17, 18-35 en 36-50, zoals NBG’51 die kent, is alleszins verdedigbaar. Het middenstuk (7:18-35), waarin de leerlingen van Johannes degenen zijn die bewegen (vv. 20, 24), wordt omraamd door twee scènes waarin Jezus de bewegende gestalte is (vv. 11, 36). Ook dit middengedeelte is in twee delen te verdelen; in het eerste deel (7:18-23) staat de identiteit van Jezus centraal, in het tweede deel duidt Jezus de identiteit van Johannes (7:24-33). Lucas heeft beide delen in vers 24 kunstig met elkaar verbonden. Het eerste deel van de zin (v. 24a): ‘Toen de boden van Johannes waren weggegaan’, vormt de afronding van het eerste deel. Het tweede deel van de zin: ‘begon Jezus tot de menigten te zeggen’, vormt het begin van het tweede deel. Eenzelfde zwaluwstaartverbinding komen we tegen in 7:11, waarin ook het eerste deel van de zin de afronding vormt van de voorgaande scène en het tweede deel het begin vormt van de nieuwe scène. De naam Johannes vormt de rode draad van dit middendeel (vv. 18, 19, 20, 22, 24a, 24b, 28, 29, 33).
De scène in het midden, waarin de identiteit van Jezus en van Johannes centraal staat, wordt omgeven door scènes waarin (wenende) vrouwen centraal staan. Wie de omliggende scènes met elkaar vergelijkt, ziet in de eerste scène (7:11-17) een vrouw die geen reactie vertoont op hetgeen Jezus tot haar zegt (7:13) en aan haar doet (7:15). In de andere scène (7:36-50) treft de lezer precies het omgekeerde aan: zij toont exuberant gedrag ten aanzien van Jezus, waarvoor geen aanleiding lijkt te zijn, of het moest zijn dat over Jezus gezegd wordt dat hij ‘een vriend is van tollenaars en zondaars’ (v. 34), aan welke uitspraak zij geloof hecht. Kortom, in hun reactie op Jezus contrasteren beide vrouwen. Beide scènes kennen een aantal dezelfde woorden: ‘en zie’ (vv. 12, 37), ‘stad’ (vv. 11, 12, 37), ‘(uit)dragen’ (vv. 12, 37), ‘wenen’ (vv. 13, 38), ‘zien’ (vv. 13, 39), ‘aanraken’ (vv. 14, 39), ‘profeet’ (vv. 16, 39), ‘geven’ (vv. 15, 44, 45).

De vraag van Johannes
Het eerste dat aandacht vraagt, is de vertaling van de vraag van Johannes de Doper (Luc. 7:19, 20). De volgende vertalingen kwam ik tegen:

‘Zijt Gij het die komen zou
of hebben we een ander te verwachten?’ (NBG’51)
‘Bent u degene die komen zou
of moeten we een ander verwachten?’ (NBV)
‘Bent u het die komen zou
of hebben we een ander te verwachten?’ (WV)
‘Bent u de man die komen zou
of is het een ander die we moeten verwachten?’ (GNB)
‘Zijt Gij “Hij die komt”
of verwachten wij een ander?’ (Hemelsoet/Monshouwer)
‘Ben jij de komende
of moeten wij een ander verwachten?’ (Oosterhuis/Van Heusden)
‘Bent u de messias die zou komen?
Of moeten we wachten op iemand anders?’ (BGT)

De zin kent twee vertaalproblemen.(2) Het eerste betreft de vraag hoe ho erchomenos in het eerste deel van de zin opgevat moet worden. Diverse vertalers én exegeten vatten ho erchomenos op als een gesubstantiveerd participium; diverse uitleggers behandelen dit deelwoord als ware het een titel: ‘de Komende’, met een hoofdletter, of ‘de komende’, met een kleine letter. Naar mijn idee gaat het hier om een attributief participium, te vertalen met ‘degene die zou komen’.
Ik kom bij het tweede probleem: de betekenis van het werkwoord prosdokaô in het tweede deel van de zin. In Lucas 7:19, 20 wordt dit verbum dikwijls vertaald met ‘verwachten’. In Lucas 1:21; 3:15; 8:40; 12:46; Handelingen 10:24 heeft het verbum de wat concretere betekenis van ‘wachten op’. Aan deze laatste betekenis geef ik ook hier in 7:19, 20 de voorkeur. Het brengt mij tot deze vertaling van 7:19, 20: ‘Bent u degene die zou komen of moeten we op een ander wachten?’
Ik merk ten slotte op dat de werkwoorden prosdokaô (‘wachten op’) en (ex- of eis) erchomai (‘komen’) dikwijls in elkaars buurt te vinden zijn (Luc. 1:21-22; 3:15-16; 7:19, 20; 12:46; Hand. 10:24-25).

De aanleiding van de vraag
Johannes de Doper en zijn leerlingen zijn voor de lezer geen onbekende personages, zeker Johannes niet. Aan het begin van het evangelie, in de ouverture, wordt hij steeds in parallellie met Jezus getekend (1:5-2:52).(3) Over zijn openbare optreden (‘zijn vertoning aan Israël’, zie 1:80) heeft Lucas in hoofdstuk 3 verteld. Dit openbare optreden eindigde in de gevangenis (3:20). Daarna horen we niet meer van hem tot 7:18-23. Dat ook de profeet Johannes leerlingen heeft, vernam de lezer al eerder in 5:33, uit de mond van de farizeeën. Hier treden ze voor het eerst en het laatst als verhaalpersonages op. Johannes’ vraag: ‘Bent ú degene die zou komen of moeten we op een ander wachten’ vindt zijn aanleiding in hetgeen zijn leerlingen hem bericht hebben ‘over al deze dingen’. De vraag doet zich voor of het gaat om ‘al deze dingen’ van Lucas 7:11- 17 (1), om de laatste twee gebeurtenissen (de genezing in 7:1- 10 en de dodenopwekking van 7:11-17) (2) of dat het gaat om alle wonderen die Jezus tot nu toe heeft gedaan (3). Wij achten de gedachte weinig aannemelijk dat het bericht van de leerlingen alleen de dodenopwekking zou betreffen dan wel dat het zou slaan op de twee laatste wonderen (de genezing in 7:1-10 en de dodenopwekking van 7:11-17). Veel aannemelijker is dat het gaat om alle wonderen die Jezus tot dan toe verricht heeft. Waar de dodenopwekking bij de aanwezigen in Naïn leidde tot een uitspraak over Jezus’ identiteit (7:16): ‘Een groot profeet is opgestaan onder ons’ en ‘God heeft naar zijn volk omgezien’, is dat niet het geval bij Johannes naar aanleiding van alle wonderen. Deze leiden bij hem niet tot de zekerheid over Jezus’ identiteit, geformuleerd in de lijn van Johannes’ vraag: dat Jezus degene is die komen zou.

De komende…
Erchomenos in het eerste deel van de vraag wordt vaak als een bijvoeglijk naamwoord opgevat, waar nog een daaropvolgend nomen bij hoort: ‘Bent ú de komende (sc. profeet, Messias of een andere heilsgestalte) of moeten we op een ander wachten?’ Vandaar de vraag die veelvuldig in het onderzoek wordt gesteld: ‘Wie wordt er bedoeld met ho erchomenos?’ Anders gezegd: welk woord hoort er nog achter? De antwoorden die daarop gegeven worden, zijn zeer verschillend, hetgeen niet kan verbazen omdat er een groot aantal bijbelse gestalten gezien worden als ‘komende’: Elia (redivivus), de eindtijdprofeet (uit Mal. 3:1; 4:15), ‘de grote profeet’, de Messias, een redder of richter, een eschatologische heilsgestalte, de mensenzoon (uit Dan. 7:13), JHWH dan wel een agent van JHWH. Vertaal je het begin van de vraag niet als ‘bent ú de komende of hebben we een ander te verwachten’, maar als ‘bent ú degene die zou komen of moeten we op een ander wachten?’, dan wordt duidelijk dat de kwestie in 7:19-20 in eerste instantie niet is op welke gestalte hier gedoeld wordt, maar dat het gaat – zie de nadruk die op het subject door de prolepsis van su (‘u’) – om de vraag of Jézus degene is die komen zou. Als dat namelijk niet zo is, dan moeten ‘wij’ naar een ander uitkijken.

Terug naar Lucas 3:1-20
Om deze vraag van Johannes de Doper te kunnen begrijpen moeten we terug naar 3:1-20. Johannes spreekt daar namelijk over iemand die komt en gebruikt hetzelfde verbum ‘komen’ (erchomai). Hij doet dat in antwoord op de overlegging van het volk, of hij (d.i. Johannes) misschien de gezalfde is (3:15): ‘Ik doop u met water, maar hij die sterker is dan ik komt, voor wie ik niet aanzienlijk genoeg ben om de riem van zijn schoenen los te maken, hij zal u dopen met heilige Geest en vuur’) (3:16).
Ook het andere werkwoord uit de vraag, ‘wachten op’, komt in deze passage voor, en wel direct voorafgaande aan het antwoord van Johannes in 3:15: ‘Terwijl het volk stond te wachten…’ In de vraag van de leerlingen van Johannes (7:20) horen we nog een ander element uit dit vers terugkeren, te weten het woord ‘dopen’: ‘Johannes de Doper, heeft ons tot u gezonden’. Wat opvalt, is dat, waar in 3:20 twee werkwoorden (‘komen’ en ‘dopen’) gebruikt worden, in 7:20 twee (dienovereenkomstige) nomina voorkomen: ‘de komende’ en ‘de doper’.
Johannes mag dan in 3:20 iemand die komt, die sterker is dan hij, aangekondigd hebben, nadien heeft hij nergens een concreet personage als zodanig aangewezen. Dat is ook niet bij Jezus’ doop gebeurd. Aan het beeld dat Johannes heeft van ‘hij die sterker is dan ik’, voldoet Jezus niet bij de doop. Waar Johannes namelijk verwachtte dat ‘de sterkere’ zou dopen met de heilige Geest en vuur, daar wordt Jezus door Johannes gedoopt te midden van het volk zonder dat Johannes hem herkent als degene over wie hij eerder sprak. Op basis van wat zijn leerlingen ‘over dit alles’ gerapporteerd hebben, legt hij nu voor het eerst (in 7:19, 20) met iemand, en wel met Jezus, een verband met de gestalte die hij eerder aankondigde, al gebeurt dat in vragende vorm.
Wat Johannes in 3:16-17 zegt, is het antwoord op de overlegging van het volk of hij misschien de Messias is (3:15). Johannes geeft op deze vraag geen direct antwoord, maar uit wat hij zegt, zal een lezer de conclusie trekken dat Johannes ontkent dat hij de Messias is. Hij wijst op iemand anders die hij niet op dezelfde wijze aanduidt als het volk, dus met ‘Messias’, maar over wie hij spreekt als ‘hij die sterker is dan ik, voor wie ik niet aanzienlijk genoeg ben om de riem van zijn schoenen los te maken’ (vgl. 7:6). Ook in 7:19-20 spreekt Johannes niet expliciet over ‘de Messias’, maar over ‘degene die zou komen…’ Het lijkt niet meer dan logisch om de conclusie te trekken – gezien de koppeling tussen overlegging (3:15) en antwoord (3:16-17) en tussen antwoord (3:16-17) en vraag (7:19-20) – dat een lezer de vraag van 7:19, 20 mag ‘vertalen’ als: ‘Bent u de Messias of moeten we op een ander wachten?’

De reden van de vraag
Een andere vraag die in het onderzoek veel aandacht krijgt, is: waarom stelt Johannes deze vraag? De antwoorden zijn zeer divers:
I. Als Jezus degene is die komen zou, dan hoort daar blijkens zijn eigen uitspraak in de synagoge van Nazaret ook ‘de loslating van de gevangenen’ (4:19) bij. Johannes wil weten of deze hoop op loslating van de gevangenen door Jezus gerechtvaardigd is. Deze opvatting is minder waarschijnlijk, als bedacht wordt dat Lucas hier niet vermeldt – in tegenstelling tot Matteüs (11:2v.) – dat Johannes in de gevangenis zit.
II. Johannes vindt dat Jezus te weinig progressie toont. Hij verlangt hem in een meer prominente en onmiskenbare positie. Het is dus ongeduld dat achter de vraag schuilgaat. Voor deze gedachte zijn geen tekstuele gegevens te vinden.
III. Johannes stelt de vraag niet voor zichzelf, maar met het oog op zijn leerlingen, opdat zij ervan overtuigd worden dat Jezus de door God gezonden verlosser van Israël is. Ook voor deze interpretatie ontbreken tekstuele gegevens.
IV. Johannes heeft een ander beeld van ‘de komende’. De oordeelsrol, weggelegd voor ho erchomenos (3:17), ziet hij niet terug in het optreden van Jezus. In de recente literatuur wordt deze visie, die door een groot aantal exegeten wordt gedeeld, meer en meer ter discussie gesteld. Zo wijst H. Welzen erop dat de oordeelsgedachte, zoals die door Johannes is verwoord, niet ver weg is. Hij ziet deze terug in de zaligspreking van 7:23, met de mogelijkheid van een eschatologische betekenis van het verbum skandalizomai, als ‘ten val brengen (actief) of ten val komen (passief, zoals hier), zodat men geen deel heeft aan de uiteindelijke bevrijding’.(4) Probleem is dat de zaligspreking na de vraag komt en niet daarvoor. In dat geval zou gezegd kunnen worden dat dit aspect tot op heden misschien mocht ontbreken, maar dat Jezus die gedachte van Johannes nu bijstelt. Daarnaast wijst Welzen op Simeon, die aangeeft dat het optreden van Jezus velen ofwel ten val zal brengen ofwel zal laten opstaan (2:34). Hiervan geldt dat het om een aankondiging gaat van Simeon, waarvan gezegd zou kunnen worden dat dit aspect tot op heden nog geen uitvoering heeft gekregen.
V. Johannes begint enig vermoeden te krijgen dat Jezus diegene is over wie hij eerder gesproken heeft en checkt nu of zijn vermoeden juist is. R. Martínez, die opvatting IV voor een weinig genuanceerde interpretatie van Johannes’ vraag houdt, zet in bij het gegeven dat vanuit vertellersperspectief Jezus de Messias is, maar dat de verhaalpersonages deze identificatie nog moeten realiseren. Het is binnen dit kader van acceptatie, afwijzing en onzekerheid dat Johannes’ vraag gezien moet worden. De reden van Johannes’ vraag is volgens Martínez ‘not a revision of a previous identification of Jesus with the Messiah, nor a doubt provoked by an absolute contrast between the expected fiery reformer and Jesus’ compassionate ministry’. De vraag moet veeleer worden begrepen als eerste poging, veroorzaakt door Johannes’ onwetendheid, om Jezus te identificeren met ‘God’s eschatological agent’.(5)

Ik bepleit een nog weer andere opvatting waarom Johannes deze vraag aan Jezus stelt. De vraag laat zich verklaren vanuit het feit dat Jezus aan het slot door de mensen in Naïn ‘een groot profeet’ wordt genoemd (7:16), waar hij zichzelf aan het begin, bij zijn optreden in de synagoge van Nazaret, toen hij zijn programma ontvouwde (4:16-30), in de profetische traditie van Elia en Elisa plaatste (4:24-27). De mensen die Jezus ‘een groot profeet’ noemen (7:16), hernemen daarmee woorden die eerder in relatie tot Johannes zijn gebruikt. Zo zei de engel Gabriël: ‘want hij zal groot zijn voor het aangezicht van de Heer’ (1:15) en sprak zijn vader Zacharias de profetische woorden: ‘En jij, kind, profeet van de Allerhoogste zul je genoemd worden’ (1:76). En dan moeten wij ook nog wijzen op het feit dat van Johannes gezegd wordt: ‘En hij zal uitgaan voor zijn aangezicht in de geest en kracht van Elia’ (1:17), waar de dodenopwekking door Jezus sterk doet denken aan de dodenopwekking van Elia (1 Kon. 17:7-24). Kortom, over en van Jezus worden dingen gezegd die eerder in het evangelie nu juist heel specifiek aan Johannes toegeschreven zijn: ‘groot’, ‘profeet’, ‘Elia’. Ik ben van mening dat dit voor de verwarring zorgt die tot Johannes’ vraag leidt, maar zou niet willen uitsluiten dat ook andere eerdergenoemde elementen meespelen, waaronder de gedachte dat Jezus zich niet de gestalte betoont over wie Johannes in 3:16-17 sprak.

Het antwoord van Jezus
We zagen eerder dat Johannes op de overlegging van het volk of hij de Messias is (3:15) geen direct antwoord gaf; Johannes antwoordde niet met een simpel ‘ja’ of ‘nee’. Ook Jezus doet dat niet, als Johannes via zijn boden Jezus zijn vraag stelt. Ik merk erbij op dat het antwoord van Jezus niet direct volgt op de vraag. De verteller laat namelijk eerst nog horen wat er gebeurde op het moment dat de vraag werd gesteld: ‘Op dat uur genas hij velen van ziekten en plagen en boze geesten en schonk hij vele blinden het gezicht.’
In zijn antwoord keert Jezus, zo kan de lezer concluderen, terug naar het begin van de perikoop (7:17). Rapporteerden de leerlingen van Johannes over al Jezus’ wonderen, hier roept Jezus hen op om (terug te gaan naar Johannes en) alle wonderen te rapporteren. Leidde de rapportage van de wonderen door de leerlingen van Johannes tot de vraag van Johannes, nu moeten de gerapporteerde heilsgebeurtenissen als antwoord dienen op Johannes’ vraag. De zes heilrijke situaties die Jezus noemt: blinden zien weer, lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd, doven horen, doden staan op, armen ontvangen goed nieuws, zal bij de lezer het Jesajaanse programma van Jezus (Jes. 61:1-2) in herinnering roepen dat Jezus in de synagoge in Nazaret afkondigde (Luc. 4:18-19).
Tussen Jezus’ mission statement en Johannes’ vraag horen we hoe Jezus dat heilsprogramma stap voor stap realiseerde: lammen wandelen (5:17-26), melaatsen worden gereinigd (5:12-16), doden staan op (7:11-17) en armen ontvangen goed nieuws (4:18 en 6:20). De tussenliggende zin (7:21) zorgt ervoor dat er nu ook voorbeelden zijn van in het voorafgaande nog niet vertelde heilsgebeurtenissen zoals bijvoorbeeld blinden die weer kunnen zien.
De zaligspreking waarmee het antwoord eindigt, mag op het eerste gezicht een Fremdkörper lijken, dat wordt anders als je het voegwoord kai – ongebruikelijk aan het begin van een macarisme – niet met ‘en’, maar met ‘ook’ vertaalt. Dan wordt duidelijk dat het hier om een zevende ‘gelukkige’ situatie kan gaan, ‘(Ook is zalig degene), indien hij aan mij geen aanstoot zou nemen’. Wat eruit naar voren komt, is dat er voor het heil ook een houding of een beslissing van de ander ten opzichte van Jezus nodig kan zijn.

Laatste woorden
Na Jezus’ antwoord horen we alleen nog van het weggaan van de boden (7:24a), maar niet meer of ze ook gehoor hebben gegeven aan Jezus’ oproep om Johannes te rapporteren wat zij gezien en gehoord hebben, noch ook hoe Johannes op Jezus’ antwoord gereageerd heeft. Lees je door (9:7-9), dan ontdek je dat het met de vraag ‘Bent u degene die zou komen of hebben we een ander te verwachten?’ om de laatste woorden van Johannes ging in het Lucasevangelie.

 

Ds. N.A. Riemersma is predikant in Den Haag en redactiesecretaris van Interpretatie.
Literatuur
J. Dupont, ‘L’ambassade de Jean-Baptiste (Matthieu 11, 2-6; Luc 7, 18-23)’, NRT 83 (1961), 805-821, 943-959.
H. Welzen, ‘De dynamiek van de uittocht in Lucas’, Interpretatie 21,3 (2013), 34-36.

Noten
1 In het spreken over Jezus als ‘de komende’ wordt de laatste tekst, Lucas 21:27, meestal niet genoemd. Helemaal vreemd is dat niet, omdat het hier niet om Jezus’ eerste, maar om zijn tweede komst gaat, ook wel zijn ‘wederkomst’ genoemd.
2 Daarnaast is er nog een tekstkritisch probleem. Een aantal handschriften, waaronder niet de onbelangrijkste: de codex Sinaïticus en de codex Vaticanus, lezen in 7:19, 20 heteron in plaats van allon. Deze lectio (heteron) lijkt een aanpassing te zijn aan Matteüs 11:3 (zie ook F. Bovon, Das Evangelium nach Lukas (Lk 1,1-9,50) (EKK III/1), Zürich: Benziger Verlag & Neukirchen- Vluyn: Neukirchener Verlag 1989, 369, noot 4).
3 Zie N.A. Riemersma, ‘Profeet en koning in parallellie in Lucas 1-2’, Interpretatie 20,6 (2012), 37-39, bijz. 36-39. En zie ook 7:33-34 (vgl. 5:33). Er is ook sprake van parallellie in die zin dat Jezus en Johannes allebei leerlingen hebben (in 7:11, 18).
4 H. Welzen, Lucas (Belichting van het Bijbelboek), ’s-Hertogenbosch: KBS & Leuven: VBS 2011, 110-111.
5 R. Martínez, The Question of John the Baptist and Jesus’ Indictment of the Religious Leaders. A Critical Analysis of Luke 7:18-35, Cambridge: James Clarke & Co 2011.