Alla Avilova spoort in haar boek Mijn evangelie de lezer aan om zelf aan de slag te gaan met de universele wijsheid van Jezus. Dit is haar eigen verhaal.

De eerste keer dat ik de Bijbel ter hand nam was toen ik aan de letterenfaculteit studeerde van de Staatsuniversiteit van Moskou. Dit gebeurde op de manuscriptenafdeling van de Russische Staatsbibliotheek (toen nog de Leninbibliotheek), waar ik onderzoek deed voor mijn afstudeerscriptie. Het onderwerp van die scriptie was het Oudrussische apocriefe geschrift De gang van de Moeder Gods langs de kwellingen.

De Bijbel, in een uitgave van vóór de Revolutie van 1917, stond gewoon op een van de planken in de leeszaal van de manuscriptenafdeling, wat in de Sovjettijd in openbare leeszalen absoluut onmogelijk was. Ik kon de Bijbel iedere dag lezen als ik dat gewild zou hebben, maar dat verlangen had ik niet. Voor het werk aan mijn scriptie was het ook niet nodig, maar op een dag werd ik plotseling
door nieuwsgierigheid gegrepen. Dus opende ik het Evangelie van Matteüs, het eerste boek van het Nieuwe Testament.

Ik herinner me nog steeds heel goed wat er toen gebeurde. Ik begon me een weg te worstelen door de genealogie van Jezus, de omstandigheden rond zijn geboorte en de gebeurtenissen in zijn jeugd. Ik verwachtte steeds iets uitzonderlijks – bepaalde passages of uitspraken – tegen te komen, wat het verbod op dit boek in de Sovjet-Unie zou rechtvaardigen. Er werd verteld over hoe Jezus naar Johannes de Doper was gegaan die hem doopte, vervolgens over zijn verblijf in de woestijn en zijn tweestrijd met de duivel. Eindelijk begon Jezus zijn leer te verkondigen. En wat zegt hij als eerste? Dat wat hij van Johannes de Doper heeft gehoord: ‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij!’ Hier verloor ik mijn geduld en stopte ik met lezen.
Bij Johannes de Doper had ik die woorden aan me voorbij laten gaan, zoals een kleine halte op het traject van een hogesnelheidstrein, waar niet wordt gestopt. Maar het feit dat Jezus deze woorden herhaalde irriteerde me, alleen al omdat hij de woorden van iemand anders gebruikte en niet met zijn eigen boodschap kwam. Met mijn twintig jaar stond dit me al bij voorbaat niet aan.

Ten tweede waren het de woorden zelf. Dat ‘tot inkeer komen’ wat berouw, spijt en schuldbesef impliceert. Publieke boetedoeningen die vergezeld gaan van zelfverwijt en zelfbeschuldiging associeerde ik met de stalinistische showprocessen van het eind van de jaren 1930, waar ik veel over gelezen had in de samizdat.3 ‘Het koninkrijk van de hemel is nabij’ interpreteerde ik als de belofte van een paradijs. Maar ik had helemaal geen behoefte aan een paradijs.

De tweede keer dat ik het Evangelie begon te lezen was dertig jaar later. Toen ik voor een nieuwe wending in mijn leven bleek te staan, nam ik mij voor om ten minste het Evangelie van Matteüs nog eens te lezen. De reden voor dit voornemen was een andere dan eerst: nu was ik – typisch voor deze levensfase – meer dan voorheen geïnteresseerd in mijn eigen wortels.

Nu zie ik dat ik al in mijn jeugd interesse toonde in mijn eigen wortels, die teruggaan naar de diepten van de Russische cultuur. Hoe kan ik anders mijn voorliefde voor de Oudrussische letterkunde verklaren? Maar interesse is iets anders dan noodzaak. Toen ik studeerde had ik meer behoefte aan het maken van reizen dan aan wortels. Ik wilde echt reizen, met behulp van treinen en vliegtuigen, maar ook reizen met mijn verstand en mijn geest, door middel van boeken en levende contacten met mensen, zoals dat meestal het geval is op die leeftijd.

Als mijn eerste kennismaking met het Evangelie voor mij meer betekenis had gehad, dan zou ik het sneller een tweede keer ingekeken hebben. Misschien zou ik het dan keer op keer gelezen hebben om er op beslissende momenten in mijn leven steun en wijze woorden in te vinden, zoals het idealiter gaat met een bron van geestelijke wijsheid uit de eigen cultuur. Maar mijn eerste lezing van het Evangelie liet bij mij een gevoel van teleurstelling en verveling achter. Ik had verwacht er meer in te zullen vinden.

Maar wat had ik er eigenlijk in willen vinden? Dat wist ik zelf ook niet. Ik was uit nieuwsgierigheid in aanraking met het Evangelie gekomen. De Bijbel was op dat moment verboden en verboden vruchten zouden zoet moeten smaken. Maar het Evangelie van Matteüs smaakte voor mij, toen ik het proefde, niet zoet maar zuur. Het was als met een zure appel: eerst word je in verleiding gebracht, je neemt een hapje, om de appel vervolgens toch maar weg te gooien.

Als ik bij mijn eerste lezing van het Evangelie van Matteüs nog een andere, meer persoonlijke drijfveer dan alleen maar nieuwsgierigheid had gehad, zou de zaak er anders voor hebben gestaan. De tweede keer, toen ik mij ten doel stelde mijn ‘wortels’ beter te begrijpen, liep het dan ook anders.

N.A.V. Mijn evangelie / Alla Avilova / Uitgeverij Kok/ Als paperback en ebook

Gerelateerde boeken

[huge_it_portfolio id=”9″]