Theologie

Augustinus over het zaad van Adam

In het nieuwe nummer van De Nieuwe Koers verscheen van Tjerk de Reus een recensie van het boek Aurelius Augustinus: Vier anti-pelagiaanse geschriften. We plaatsen de recensie hier met zijn toestemming.

 

1. Waar ligt de schrijver wakker van?

Hij lag te woelen in zijn bed, de grote kerkvader Augustinus. Hij stond maar eventjes op, tuurde uit het raam, keek naar de gitzwarte hemel boven Noord-Afrika. Hij dacht aan aartsvader Abraham, die ooit dezelfde sterrenhemel had gezien. God had Abraham een groot nageslacht beloofd, zo talrijk als de sterren. Dankzij Gods genade, want wie zou ooit willen beweren dat het een eigen prestatie is, zo’n miljoenenvolk als nageslacht? Augustinus lag niet voor niets wakker, in de vroege vijfde eeuw. Hij kreeg allerlei signalen uit de kerken over een theologische ontsporing. Dat baarde hem zorgen. Binnen de kerk bestond toenemende aandacht voor de mogelijkheden van de mens, voor het eigen vermogen om de zonde buiten de deur te houden en het lot in eigen handen te nemen. Augustinus wist een ding zeker: dit ondermijnt het besef van de goddelijke genade en reduceert die tot een marginale kwestie. Hij zag het als een uitdaging om deel te nemen aan deze discussie en wilde graag de kern van het christelijk geloof – de genadevolle toewending van God naar de mens – exact ter sprake brengen. Want als je aan de genade niet het volle pond geeft, zoals de Pelagianen, raakt je verstrikt in je eigen geldingsdrang en verwijder  je je van de enige bevrijding die hout snijdt.

2. Wat verrast in dit boek?

In het boek Vier anti-pelagiaanse geschriften zijn de belangrijkste teksten opgenomen die Augustinus schreef in discussie met de zogenoemde Pelagianen. Pelagius (360-435), vermoedelijk een Britse monnik, had beweerd dat de mens beschikt over een vrije wil. Bovendien zou je als mens niets te maken hebben met de zondeval van Adam. De eerste mens mag dan het verkeerde voorbeeld hebben gegeven, maar je kunt volgens Pelagius níet beweren dat de fout van Adam ook mij vandaag wordt aangerekend. Het is voor hedendaagse lezers verrassend dat deze thema’s lekker rechtstreeks en onbesmuikt ter sprake komen in dit boek (en in de verhelderende inleiding door de samenstellers). Wij zijn geneigd ons ervoor te verontschuldigen, als we dit soort kwesties aan de orde stellen. Dat is nogal kortzichtig, want we zijn in de hedendaagse cultuur nog altijd bezig met de vragen die onder deze discussies liggen. Denk maar aan de vragen rond het menselijke brein en de conclusie van sommige hersenwetenschappers dat we geen vrije wil hebben. Of denk aan het argeloze optimisme in kerkelijke kring over de goedheid van de mens en over de kansen van ‘geloofsgroei’. Juist ook in ‘bijbelgetrouwe’ kring heerst onderhuids een groot vertrouwen in de gelovige mens, die zijn perfectionering prima zelf ter hand kan nemen.

3. Wie schrikt van dit boek?

Als je het onplezierig vindt om met open vizier over zonde en genade, over erfzonde en redding na te denken, kan dit boek je een ongemakkelijk gevoel geven. Maar dergelijke gevoelens werken vooral belemmerend om goed zicht te krijgen op de grondvragen van het christelijk geloof. Augustinus wil de bevrijding van de mens in het middelpunt stellen. Wie dan weer de mens met zijn keuzevrijheid naar voren schuift, veroorzaakt mist – dat weet Augustinus perfect uit te leggen. Het protest dat we nu spontaan voelen opkomen – je moet als mens toch ook nog wel wat! – zou je even moeten onderdrukken, om hier de essentie te kunnen peilen. Want Augustinus is geen doemdenker, maar een realist. Hij schrijft dat de erfzonde (de oerzonde van Adam) door het sperma wordt doorgegeven en dat dus de hele mensheid onderling is verbonden in het kwaad. Dat mag botsen met een moderne opvatting van individualiteit, het is onder psychologen en psychiaters een open deur dat erfelijkheid heel veel betekent. Volkomen vrij is niemand. Maar Augustinus peilt nog dieper: de menselijke geest zelf is geen setje welbewuste impulsen en afgewogen keuzes. Wat in ons huist, ontgaat onszelf vaak, het gaat schuil achter een vaak te positief zelfbeeld. Wat dit betreft, zegt de Anglicaanse theoloog Rowan Williams, heeft Augustinus een grote relevantie na Sigmund Freud, die duistere geheimen van het onbewuste in het licht heeft getrokken. Wie dat alles te zwaar vindt, ontloopt de realiteit.

4. Waar zitten de blinde vlekken van de schrijver?

Blinde vlekken hebben mensen al vaak proberen te ontdekken bij Augustinus. En inderdaad, waarom ook niet? Er is alle reden hem als een heilige kerkvader te beschouwen, maar eigen perfectie zou hij onmiddellijk van de hand gewezen hebben. Criticasters zeggen dat het goddelijke heil bij Augustinus is versmald tot een geloofswerkelijkheid, terwijl andere kerkvaders benadrukten dat het heil vooral een concrete bevrijding inhoudt tot de praktijk van een vernieuwd leven. Ook zou Augustinus de erfzonde teveel hebben gekoppeld aan de seksualiteit, die daarmee in een negatief daglicht kwam te staan. Natuurlijk valt daar wel wat over te zeggen, in kritische zin. Maar dat doet niets af van de fundamentele overtuigingen die hij hier verwoordt rond zonde en genade, over de vermeende vrijheid van onze wil en over het misplaatst optimisme over levensverbetering. Hij koppelt die voortdurend aan bijbelpassages en daar zul je zelf toch ook iets mee moeten, als je een andere koers voorstaat.

Aurelius Augustinus: Vier anti-pelagiaanse geschriften, Klement, € 47,50