KerkKerkgeschiedenisMaatschappijSpiritualiteit

Als Vreekamp zich laat zien. Een Veluws theoloog over het Apostolicum

Donderdag 31 oktober 2013 vond in de Grote Kerk van Epe de presentatie plaats van het boek Als Freyja zich laat zien van dr. Henk Vreekamp. Tijdens deze drukbezochte presentatie gaf prof. dr. Gijsbert van den Brink een lezing. We zijn hem erkentelijk dat we de integrale tekst op Theoblogie mogen publiceren.

“Nou moet de christen nog één keer helemaal voor de dag komen”, zo horen we in het filmpje op de website waarin Henk Vreekamp vertelt over het laatste deel van de trilogie dat hij vandaag ten doop houdt. Daarmee heeft hij in één zin de bedoeling van dit boek getypeerd. Dat de christen nog een keer voor de dag moet komen is niet, vermoed ik, omdat het in de twee eerdere delen onduidelijk was wie er eigenlijk aan het woord was. Ook daar sprak Vreekamp als christen. Maar de fascinatie over zijn ontdekking van de heidense ondergrond van het christendom hier te lande was wel zo groot, dat de contouren en het eigene van de christelijke boodschap in die eerdere boeken inderdaad wat vaag en weinig uitgewerkt bleven. Daarop zal hij, denk ik, vast niet alleen door mij wel eens aangesproken zijn: waar sta je nu zelf precies?  Nu ligt het er dan: het derde deel, waarin Vreekamp (nog wat meer van) zichzelf laat zien. De aandacht zich verplaatst zich in dit boek van de onderste tekstlaag van de palimpsest naar de tekst die daar hier te lande overheen geschreven werd door Lebuïnus en andere monniken en missionarissen, kerkvaders en reformatoren, op gezag van apostelen en profeten: de tekst van het Apostolicum. Vreekamp komt in dit boek met uitleg van deze belijdenis – de code van het christendom, zoals het in de ondertitel heet.

Het is echter bepaald geen doorsnee introductie in het christelijk geloof aan de hand van het Apostolicum. Ik moet u zeggen: ik spaar boeken die zich ten doel stellen het Apostolicum uit te leggen, en heb er inmiddels een heel aantal staan; maar dit boek is werkelijk anders dan alle andere boeken over dit oersymbool van het christendom. En dat komt denk ik vooral doordat die onderste laag van de palimpsest, of laten we zeggen het oorspronkelijke schilderstuk op het doek, nooit ver weg is. In de gestalte van Freyja, genoemd naar de Germaanse godin, doet het heidendom ook in dit boek weer helemaal mee. En in de gestalte van de twaalf apostelen, die haar elk één van de geloofsartikelen uitleggen, komt ook het jodendom mee – de apostelen waren immers zonder uitzondering joden. Zo komt het christelijk geloof binnen vanuit zijn joodse achtergrond, maar wordt het vooral ook getekend vanuit het blikveld van de Germanen die destijds deze regionen bevolkten. Raakt het geloof zo niet vervormd, kan men vragen, zoals de Heliand een typische vervorming van het christelijk geloof laat zien, een modellering ervan naar Germaanse snit? Maar nee! Ik kan u zeggen: nergens in dit boek wordt Freyja naar de mond gepraat of het haar gemakkelijk gemaakt. Maar dat het Evangelie via haar ogen binnenkomt, heeft wel een bijzonder effect: het maakt het Evangelie mysterieuzer, vreemder, wonderlijker dan wij vaak denken. Precies zo vreemd als het is. Het is goed om dat na zovele eeuwen gewenning als het ware weer als nieuw te voelen. Het vreemde van de belijdenis dat God Schepper is, het tegendraadse van die ene Zoon van God die als anti-held verschijnt als hij als een vervloekte opgehangen wordt, het geheimenis van de triniteit ook.

Kan Freyja dat allemaal begrijpen? Soms wel, soms niet. Niet wanneer het geloof haaks blijkt te staan op haar religieuze achtergrond, zoals wanneer het gaat over de kruisdood van Jezus. Maar vaak begrijpt Freyja het ook wel, want er is immers ook continuïteit. Ik vond het verrassend om te zien dat die continuïteit er zelfs is als het gaat om het christelijk symbool dat bij uitstek als het keerpunt en breekpunt van alle heidendom geldt: de doop. Terecht speelt de doop in dit boek een grote rol. Ook al komt de doop in het Apostolicum niet voor, Vreekamp laat zien hoezeer ons denken gedoopt moet worden om te kunnen begrijpen wat de woorden van deze code inhouden. Ze geven hun geheimen niet zomaar prijs. We kunnen ze niet zomaar invullen vanuit wat we altijd wel gedacht hadden.  Het komt er op aan ze te vullen vanuit de Schriften van het oude en nieuwe verbond. Dan komen ze er vaak heel anders uit te zien, vanaf het eerste artikel, waar het gaat over de almacht Gods bijvoorbeeld, tot het laatste, over het eeuwige leven, dat met Johannes allereerst kwalitatief gevuld wordt en pas dan ook kwantitatief. We komen het huis van het christelijk geloof dus niet zomaar binnen, ons denken moet gedoopt en gedrenkt worden in de Schriften. Het gaat immers, naar Vreekamps leermeester Miskotte, niet van het algemene naar het bijzondere, maar andersom, van het bijzondere naar het algemene. Daar is omkeer voor nodig, dus doop.

Maar opvallend genoeg: zelfs die doop is Freyja dus van huis uit niet vreemd. Ze weet van de besprenkeling met water als teken van gered-worden, van aanvaard-worden van een pasgeborene door zijn of haar Germaanse vader. Dus vaak begrijpt Freyja het ook wel. Eerlijk gezegd denk ik: iets té vaak snapt ze het allemaal iets te snel. Freyja, die in dit boek model staat voor zowel het oude als het moderne, hedendaagse heidendom, verschijnt als een eigenlijk bijzonder vriendelijke, leergierige en luisterbereide vrouw. Toegegeven, soms irriteert ze zich, reageert ze fel, en een enkele keer wordt ze zelfs boos om wat ze hoort. Maar over het algemeen is ze al snel onder de indruk van wat haar verteld wordt. “Kun je me daarover nog iets meer vertellen?”, vraagt ze dan bijvoorbeeld aan haar christelijke gids. Zo’n zin is een wat te doorzichtig aangevertje zou ik denken om het eigen theologische vertoog nog maar wat verder uit te strekken. Of: “Freyja heeft intensief geluisterd”. Zo intensief luistert mijn seculiere buurman helaas niet als ik probeer hem iets over het geloof te vertellen; en die van u ook niet vrees ik. Hij doet dat zelfs niet, wanneer hij toch wel enig gevoel heeft voor spiritualiteit en religie, zoals dat bij Freyja het geval is.

In onze vorig jaar verschenen Christelijke dogmatiek hebben collega Van der Kooi en ik aarzelingen geuit bij de gedachte dat religie en spiritualiteit een prolegomenon vormen voor het geloof, zeg maar een opstapje waar het Evangelie dan om zo te zeggen op kan voortborduren. De weg vanuit het heidendom naar (jodendom en) christendom is bepaald niet ongebroken. Dat zal Vreekamp overigens  ongetwijfeld met ons eens zijn. Freyja heeft in dit boek ook tijd nodig, moet grondig over de dingen nadenken, en laat zich pas aan het eind van het boek, in een overigens prachtig geschreven passage, dopen. Zo zal het met de Germanen inderdaad wel gegaan zijn ja (voorzover ze althans niet gedwongen werden). Maar zo gaat het met de moderne heiden denk ik bepaald niet. “Diep ondergronds”, schrijft Vreekamp in zijn verantwoording achteraf, “vallen mythe en moderniteit samen, evenals heidendom en atheïsme”. Juist dat vraag ik me dus af. De mythe is premodern, en voor het heidendom was het Evangelie destijds werkelijk goed nieuws. De moderne atheïst ervaart het echter als oud nieuws. Hij is er cultureel en genealogisch gezien allang doorheen gegaan, en heeft het van zich af geschud als lastige ballast. Zo iemand blijft misschien wel religieus en spiritueel, maar laat zich niet zo snel meer door het Evangelie storen. Daarom: komt het harde verzet van het oude, maar zeker ook van het nieuwe heidendom voldoende uit de verf? Heeft juist de moderne spirituele mens goed beschouwd niet aan zichzelf genoeg? Die mens vraag echt niet zovaak meer: ‘Kun je me daarover nog iets meer vertellen?’

Dat zou dus mijn vraag zijn bij wat ik las. Maar laat ik daar vooral niet in blijven steken. Want er valt zoveel moois te zeggen over dit boek, er staan zoveel fascinerende dingen in. Voortdurend slaagt Vreekamp erin het oude weer net even nieuw en anders te zeggen. Waar een normaal mens iets dubbel en dwars verdiend heeft, heet het bij Vreekamp “dwars en dubbel”, en dat lijkt me geen verschrijving. Maar ook wanneer hij de Schriften uitlegt biedt hij vaak verrassende doorkijkjes. Ik vermoed dat hier het nodige materiaal uit zijn preken in verwerkt zit, en het is dan ook jammer dat er geen bijbeltekstregister aan het boek is toegevoegd – het ontbreken daarvan maakt plagiëren onnodig moeilijk zou ik zeggen.

Behalve als een Schriftgeleerde schrijft Vreekamp ook in grote congenialiteit met het belijden van de kerk der eeuwen. Als Freyja zich laat zien, wat er dan gebeurt weet ik eigenlijk niet zo goed (de beeldspraak scheert langs het erotische wanneer ze zich in het laatste hoofdstuk op verzoek van haar kleding ontdoet en zich naakt door diakenen laat zalven). Maar als Vreekamp zich laat zien, dan verschijnt een orthodox christen. Wie zich bij de vorige delen misschien enigszins bezorgd afvroeg of dat nog wel goed kwam, kan na dit boek in grote lijnen gerustgesteld zijn. Hooguit kan men zich afvragen of, ondanks alle krachtige taal over het laatste oordeel, het raadsel van de wereldgeschiedenis uiteindelijk toch niet te snel in universalistische zin (dus in de zin van een allen en alles omvattende verzoening) wordt opgelost. Maar helemaal duidelijk is Vreekamp op dit punt niet. Hoe dat ook zij, het trinitarisch en christologisch dogma blijft geheel overeind. Vreekamp getroost zich moeite om het ‘moeten’ van het lijden van Christus uit te leggen in termen van noodzakelijke plaatsvervanging. De opstanding van Christus wordt door hem niet docetisch vervluchtigd tot een spiritueel gebeuren, zijn denken is tezeer gedrenkt in het OT met zijn hoge waardering van het concrete aards-materiële leven om dat te laten gebeuren. Het gaat om een concrete opstanding in een lichaam – een geestelijk lichaam natuurlijk, maar toch een lichaam. Verder worden ook specifiek-reformatorische inzichten als de rechtvaardiging van de goddeloze worden door hem opgenomen (hier proeft men als ik het goed zie nog enigszins zijn vroegere gehechtheid aan Kohlbrugge). Al moest hij op mijn vraag of hij de presentatie van zijn boek opzettelijk op Hervormingsdag gepland had toch antwoorden, dat dit te maken had met een samenloop van omstandigheden waar we, zo begrijp ik, bij wijze van uitzondering geen diepere betekenis achter moeten zoeken. Het boek eindigt met een prachtige inclusio naar Vreekamps dissertatie indertijd over de vreze des Heeren – ook al een boek dat zo anders was dan alle andere proefschriften en destijds diepe indruk op mij maakte.

Ook Als Freyja zich laat zien bevat nadrukkelijk niet slechts Traditionsgut dat nergens schuurt, pijn doet of prikkelt. Dat doet het juist wel op allerlei plaatsen. Laat ik één voorbeeld noemen. Prikkelend vind ik Vreekamps gedachte dat het niet uitgesloten moet worden geacht, dat Jezus een “bijzondere band” gehad heeft met Maria van Magdala. Voert de osmose van heidendom en christendom ons uiteindelijk dan ook nog naar Dan Brown? Nee, haast Vreekamp zich toe te voegen, het gaat niet om een huwelijk en al helemaal niet om kinderen, maar een bijzondere liefdes-relatie kan er toch wel geweest zijn.  “Hij [Jezus] was mens als wij, van vlees en bloed. Het zou dus vreemd geweest zijn als hij het aardse leven niet in al zijn facetten had leren kennen. De wereld van het Hooglied, het hooglied van de liefde, was hem niet onbekend.”  Die regels zullen hem niet door iedereen in dank worden afgenomen, ze schuren en prikkelen. Maar ze zijn zeker niet oneerbiedig bedoeld, zal ik maar zeggen; ze stellen ons theologisch juist voor de vraag hoe serieus we het vroeg-christelijke belijden precies nemen, en dan met name het belijden aangaande het vere homo, het waarachtig mens-zijn van Christus.

Ik eindig zoals Vreekamp dat zelf ook kan doen, namelijk met het uitspreken van een wens. Evenals de beide vorige boeken in deze reeks, speelt ook Als Freyja zich laat zien zich af op de Veluwe, en dan nog weer speciaal hier in en om Epe. Wat zou het mooi zijn als de talloze plaatsen die Freyja en de apostelen op hun reis in dit boek bezoeken, om te beginnen allerlei plaatsen in en om deze Grote Kerk, zichtbaar gemaakt konden worden voor lezers die wat verder bij Epe vandaan wonen om ze gemakkelijk te kunnen gaan bekijken. Zou het niet denkbaar zijn dat de website van de Grote Kerk hier afbeeldingen opneemt van het moederkruis op de kerk, de windwijzer in de vorm van een hert, en hier in de kerk de doopvont, de sacristie, de groene man, de rozet, het gelaat van Jezus, de fresco en de andere details waar Vreekamp bij stilstaat.  En waarom ook niet van het (mogelijk naar Freyja vernoemde!) Vreebosch, de Galgenberg, de boskathedraal, de koningskuil en het ruitergat in de omgeving van Epe. ‘Van rooms-katholiek naar vrijzinnig-hervormd’, luidt de website van deze kerk – je zou denken: zo’n brede accolade, daar moeten verwijzingen naar Vreekamps werk toch wel ergens tussen passen. Het zou ons in elk geval helpen om ons dit prachtige en rijke boek, dat de kernen van het christelijk geloof op even frisse als indringende wijze verwoordt, nog beter te kunnen toe-eigenen.

Prof. dr.Gijsbert van den Brink
Epe, 31 oktober 2013


Dr. G. van den Brink is hoofddocent dogmatiek aan de faculteit Godgeleerdheid van de VU en bijzonder hoogleraar voor de theologie van het gereformeerd protestantisme aan de PThU, locatie Amsterdam. Van zijn hand verscheen vorig jaar de veelgeprezen Christelijke dogmatiek die hij samen met prof. dr. C. van der Kooi schreef. Voor een overzicht van zijn andere uitgaven die bij Uitgeverij Boekencentrum verschenen, klik hier.