Geen categorieOverige

ALS KERK NIET MEER VANZELFSPREKEND IS – door ds. Gerard Rinsma

Commentaar op de visienota van de GS ‘Hartslag van het leven’

Op onze classisvergadering hebben wij kennis genomen van de visienota van de synode; in Limburg weten we uit ervaring wat het ‘einde van de vanzelfsprekendheid’ inhoudt, want de protestantse kerk hoort in deze  provincie al sinds jaar en dag tot een kleine minderheid; slechts 1% procent noemt zich hier protestants.

Maar juist daarom mis ik in het rapport een grondige analyse van de plek van de kerk in de samenleving. Want er is meer aan de hand dan alleen een organisatie, die in zijn voegen kraakt. Als kerk moeten  we een antwoord zien te vinden op de gevolgen vande secularisatie.

En godsdienstsociologen als Gerard Dekker hebben er keer op keer op gewezen, dat secularisatie meer is dan een krimpend ledenaantal. Het is naast de kwantitatieve, ook de kwalitatieve marginalisering van de kerkin de samenleving; als kerk zijn we naar de zijlijn van de samenleving gedrukt. Op samenle­vingsniveau hebben we steeds minder invloed op de inrichting van de samenleving en het samen­levingsgebeuren en omgekeerd is de samenleving steeds onafhankelijker geworden ten opzichtevan de kerken. Met als gevolg dat godsdienst zich in de moderne Nederlandse samenleving steeds meer teruggetrokken heeft in haar eigen domein en ‘voornamelijk een privézaak is geworden, die in afzonderlijke gemeenschappen collectief wordt beleefd.’ Joep de Hart, van wie dit citaat afkomstig is, noemt dat de ‘verkerkelijking van de godsdienst’ (pg. 228).

En dan is er nog een derde aspect van secularisatie, dat onder de oppervlakte het geloof van binnenuit uitholt.  Namelijk de stilzwijgende aanpassing van gelovige opvattingen aan de heersende waarden en normen van de samenleving. En als een dominee dat even vergeet en in zijn kerkblad oproept tot kastijding van kinderen, dan wordt hem via alle media wel aan het verstand gebracht dat hij ver buiten de maat loopt. Een aanpassing, die ook zichtbaar wordt uit onderzoeken, waarin blijkt dat gelovigen steeds minder de traditionele godsdienstige waarheden onderschrijven. Zichtbaar wordt die aanpassing bijvoorbeeld ook in de door de PKN uitgegeven ‘decemberkalender’  Tot vorig jaar heette die kalender ‘adventskalender’ en volgde het kerkelijk jaar. Dit jaar wisselt de kalender het kerkelijk jaar voor het burgerlijk jaar en begint pas op 1 december te tellen.  

Als in het vervolg de visie-nota stelt dat kerkmensen geen antwoord weten op de vraag waartoe de kerk dient, dan heeft dat te maken met de hierboven genoemde gevolgen van secularisatie. 

En het is te kort door de bocht om dan daarop eenvoudig te antwoorden dat het een voorrecht is om te geloven en bij de kerk te horen. Want dat is juist de vraag, die beantwoord moet worden.

En die vraag wordt des te prangender, als we ons realiseren dat we op het gebied van religie of breder op het gebied van zingeving en ‘welness’ moeten dealen met een breed concurrerend aanbod. De Hart noemt dat ‘de ontkerkelijkingvan de spiritualiteit’.  Niet in de laatste plaats, door hetgeen Taylor signaleert in zijn laatste boek, dat ‘voor de eerste maal in de geschiedenis een zuiver onafhankelijk humanisme een ruimschoots beschikbare optie werd. Een humanisme dat geen laatste doeleinden accepteert die de menselijke ontplooiingte bovengaan, noch enige loyaliteit aan iets anders buiten deze ontplooi­ing.’

Het kan dan wel de bedoeling van de visienota zijn om moed te geven om te geloven en nieuwe zin te geven om kerk te zijn, maar, het spijt me dat ik het moet zeggen, in onze classisvergadering constateerden we dat de nota niet verder komt dan enkel het herhalen van clichés. Terwijl de secularisatie juist de uitdaging is, waarvoor we als kerk gesteld zijn. Want, vraagt Dekker in zijn laatste boek , indien en voor zover het waar is dat de kerk geen de samenleving beïnvloedende rol meer speelt, dat zij niet meer cultuurvormend, maar in feite alleen nog cultuurvolgend is, is zij dan niet overbodig geworden?

Dat heb ik zelf heel erg gevoeld, toen ik in mijn studieverlof de kans kreeg om mijn jaargenoten te spreken.

Ooit begonnen we in 1977 met zestig tegelijk aan de VU. Eenenveertig haalden de eindstreep. Maar op het momentvan de interviews waren er nog maar 24 jaargenoten als predikant verbonden aan de PKN (daarvan 16 als gemeente-predikant). De elf afgestudeerde theologen, die buiten de PKN werk hadden gezocht, bleken geen noemenswaardige band meer met een geloofsgemeenschap te hebben en bevestigden met zoveel woorden het gelijk van Taylor.

De visie-nota gaat er daarentegen van uit dat het antwoord op de secularisatie vande overkant moet komen; ze spreekt over ‘leven vanuit genade’ en ‘wat ons uit pure verrassing in Jezus wordt geschonken’ en ‘God, die zelf inhoud geeft aan de kerk.’ En ‘kerk, die bij de gratie van Jezus bestaat.’ Maar mijn geseculariseerde jaargenoten zouden, als ze dat zouden lezen, zeggen dat dat gewoon buiksprekerij is.

En roepen op de ‘relimarkt’ dat ‘het beste aanbod van de God van Israël, de Vader van Jezus Christus niemand onthouden mag worden’, zonder uit te leggen waarom dit überhaupt het beste zou zijn, zou als stationsreclame niet misstaan, maar helpt niet echt om daarmee met overtuigingde boer opte gaan.  

En welke werkelijkheid ons in de kerk ook is gegeven; als we niet in de hemel willen blijven zweven, dienen we toch de aardse werkelijkheid als uitgangspunt te nemen en bij het begin beginnen.

Om die reden kregen wij als kersverse studenten in ons eerste jaar al college godsdienstsociologie om ons aanstormende theologen beter toe te rusten voor ‘de problemen van een mens in een gesekulariseerde en verstedelijkte samenleving.’

We leerden al vroeg dat het geen zin heeft om als theologen de sociologische werkelijkheid te negeren, ontkennen of tegen te spreken, want ‘godsdienst is nooit los verkrijgbaar, maar functioneert altijd in een sociale context.’[1]

Als in de visie-nota de sociale context van de kerk serieus was genomen, dan had dat uitglijers zoals kerk een politiek lichaam noemen – als plaats om te leren wat echt samenleven is – kunnen voorkomen.  Een kloostergemeenschap, maar ook een scholengemeenschap, ziekenhuis, legeronderdeel of zelfs gevangenis zijn in deze zin veel meer samenleving dan een kerk in onze gedifferentieerde samenleving ooit zal worden.   

Maar starten vanuit dat sociologisch bewustzijn betekent aan de andere kant ook niet bang zijn, dat een kerk vervaagt, als je droogweg moet constateren dat we als kerk in de Nederlandse samenleving ‘een club mensen’ zijn – en of ze aardig zijn, is nog maar de vraag. Een club mensen, – en dat is cruciaal – die zich daarin van andere onderscheidt, doordat ze in de christelijke traditie een antwoord probeert te vindenop de zin van hun bestaan.

En of dat antwoord als een geschenk wordt ervaren of als resultaat van een langdurige zoektocht en/of omgang met de bijbel wordt beleefd, in beide gevallen is het de taak van de theologie om dat antwoord te overdenken en daarvan rekenschap te geven. Of zoals een collega-jaargenoot het kernachtig uitdrukte: als theologie niets te maken heeft met de zin van ons bestaan, kun je die studie beter opdoeken.”

Helaas merk ik in de visie-nota maar weinig van die reflectieve discipline; of waren er in onze kerk geen professoren meer te vinden, die een visie theologisch verantwoord kunnen onderbouwen? Al was het alleen maar om de betekenis te overdenken van wat het rapport als hart van de kerk beschouwt.  “Hij die zich voor ons overgaf in de dood, is opgestaan.” Elke theoloog, die zich in de bijbel heeft verdiept, zou namelijk direct opmerken, dat in deze zin ‘het skandalon’ van het kruis ontbreekt. (1. Kor. 2:2) Of hebben we besloten dat niet meer te weten?

En daarom, als het de bedoelingvan de visie-nota is om moed te geven om te geloven en nieuwe zin om kerk te zijn, dan blijft ze helaas te veel steken in vrome hemelfietserij. Of zoals ooit de dominee van de elektricien te horen kreeg: ik zie al waar het euvel zit , u hebt geen contact met de aarde.



[1] Stoffels, Nieuw Jeruzalem in aanbouw. De opkomst van een sociologisch bewustzijn in GTT tijden de jaren zestig. GTT 99 3/4

Gerard Rinsma is predikant van de Protestantse Kerk in Roermond en secundus afgevaardigde G.S.