Geloof

Alleen zijn onwetende rust

RUST

Ich hab mal Gott gefragt, was er mit mir vorhat. –
Er hat mir überhaupt nichts gesagt.
Er hat mich überraschen wollen. –
Ödön von Horváth

Veel van mijn ongeluk is voortgekomen uit mijn geloof in God’ – zo begint Czesław Miłosz zijn gedicht Tegen de natuur in. Nou God, daar bent U mooi klaar mee. Ik zou niet blij zijn als mijn naam zo rechtstreeks aan ongeluk werd verbonden.

Hoe dan ook, Miłosz is niet klaar met U. Hij denkt en dicht zich naar een einde toe: Maar ik blijf herhalen: ‘Ik geloof in God’ en weet: er is niets waarmee ik dat kan rechtvaardigen.
Vraag blijft: waarom? Is er dan een geluk groter dan dat uit het geloof voortkomende ongeluk? Weegt iets of iemand zwaarder (of lichter) dan de voor de hand liggende skepsis? En wie of wat mag dat dan wel zijn?

Als U, God, al een kandidaat daarvoor bent, dan snap ik wel dat u zich hult in nevelen. Dat zou ik ook doen, als ik U was (wat ik, U zij dank, niet ben – ik vind mijzelf al ingewikkeld genoeg). Je zult je maar met het ongeluk moeten meten.

Ik ontmoette een wiskundige, die poëzie las en aan Alzheimer leed. Hij kende de taal van het weten: de wet van één en één is twee. Hij kende de taal van het niet-weten: het geheim van zich aandienende betekenis achter de woorden. Hij leerde de taal van het vergeten. Of beter: de taal van het vergeten leerde hem. Leven in verbrokkeling.

Ondanks zijn fragmentarisch bestaan was hij niet bang. ‘Mijn leven is in Gods hand’, zei hij. Leefde hij, toen de taal hem verliet. Ergens tussen het afkalvende eiwit dreef U in wie hij rustte. Hij ontmoette U in zijn verdwijnpunt. Ik heb U niet gezien. Alleen zijn onwetende rust.

Kees van der Zwaard, theatermaker, schrijver en theoloog

n.a.v. het verschijnen van Stephan de Jong, U doet niets, want U bent God. Veertig zeer korte overpeinzingen, Meinema, Zoetermeer, 2014.