PastoraatSpiritualiteit

Alle kunst is heilig

Folly Hemrica is theoloog en beeldend kunstenaar. Als justitiepredikant werkte ze veel in de gevangenis. Ze maakte het boek Binnenwerk. Levenskunst voor jonge mensen, waarin met behulp van beeldmeditaties en kunstwerken levensvragen van gedetineerden worden verwerkt. In dit artikel schrijft ze over het ontstaan van kunstprojecten in de bajes.

Alle kunst is heilig

De gevangenis is de meest banale omgeving die denkbaar is. Alles wat plat en hard is komt er samen. Het taalgebruik is er weinig verfijnd, het geluid is er hard en onaangenaam: knarsende sleutels, mannen die elkaar toeschreeuwen, deuren die met kracht worden dichtgeslagen. En als er op de cellen al beeldmateriaal voorhanden is dan is dat vaak niet erg verheffend.
Wie dus boven de alledaagsheid uit wil stijgen, zal in de gevangenis een zeiltje moeten bijzetten . Zou het mogelijk zijn om in deze woestijn kunst te maken? Ik heb vaak gedacht aan het prachtige gedicht van Han G. Hoekstra, ‘Ik heb een ceder in mijn tuin geplant’.

‘Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
Gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.
Een binnenplaats meesmuilt ge, sintels, schillen
En schimmel die een blinde muur aanrandt.
Hij is er, zeg ik, en mijn stem gaat trillen
Ik heb een ceder in mijn tuin geplant
Gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen (….)’

Blinde muren genoeg! Ik las dit gedicht een keer in de Bijlmerbajes vlak voor we aan een kunstproject begonnen, uitkijkend op de grauwe muren van de luchtplaats, grijs beton waar de regen tegenaan gespat was. ‘Ik heb een ceder in mijn tuin geplant’. Zou iemand die ceder kunnen  zien hier?

Vijftien jaar geleden begon ik met kunstprojecten in de bajes. Eerst in de oude stadsgevangenis van Rotterdam, waar ik werkzaam was als justitiepredikant. Zou het mogelijk zijn samen met de mannen kunst te maken? Hoe zouden ze er tegenover staan? Zouden we samen wind kunnen maken, een frisse vlaag die ondanks de gesloten wereld een raam doet vermoeden? De gedetineerden zagen er niets in. “We vinden je lief, dominee, maar wij zijn niet creatief.” De directie vond het een onzinnig plan. ”Hou je nou maar aan de dingen waarvoor je bent aangesteld, daar heb je je handen vol aan”. Mijn collega’s vonden dat we daar geen tijd voor hadden. En ook geen geld. Einde oefening, leek het. Als er al sprake was van wind, dan toch vooral van tegenwind!

Maar het idee liet mij niet los. Kunst als een manier om boven de alledaagsheid uit te stijgen. Als er ergens behoefte was aan kunst, dan toch in de gevangenis, leek me. Bovendien was ik niet alleen predikant maar ook beeldend kunstenaar. Waarom zou ik kunst niet kunnen aanwenden als een bijzondere vorm van pastoraat? Kunst als een manier om te focussen, om stil te staan bij zaken waar we gewoonlijk aan voorbij gaan.

De schrijver W.F.Hermans verwoordde zijn romankunst heel treffend als een manier om precies te beschrijven waar anderen aan voorbij lopen. Minutieus tekenen wat onzichtbaar blijft voor de slordige blik. Hoeveel kunstenaars leverden daar niet het bewijs voor, dat ze in staat waren zichtbaar te maken wat achteloos over het hoofd werd gezien. De Friese voddenkoopman Jopie Huisman tekende afgedankte troep, die hij in de schuur achter zijn huis vond. Pannen met gaten, kapotte klompen, onderbroeken met stopjes. Zaken door anderen afgedankt maar voor hem een bron van inspiratie. Hij liet ons de inhoud van onze vuilniszakken zien met nieuwe ogen. Van Gogh had dat al veel eerder gedaan, toen hij zijn inmiddels beroemd geworden oude schoenen tekende. Schoenen waar een heel leven in zichtbaar werd. Voor wie wil zien.

Kunst leek mij ook een manier om mensen met elkaar te verbinden. Daar is een grote behoefte aan in de gevangenis. Iedereen zit er alleen, gestraft voor zijn eigen wandaden en in een niet zelfgekozen gezelschap van andere eenlingen. Als we samen iets moois konden maken, wat zou dat een unieke ervaring zijn.

Tegenwind of niet, ik besloot  gewoon te beginnen. Eerst met een eenvoudig project: een sterrendoek. Iedereen maakte een zeefdruk van een stervorm op canvas en de lapjes naaiden we aan elkaar tot een groot doek. Het zag er verrassend goed uit en de mannen waren trots dat dit uit hun handen was gekomen. Dat was op zichzelf al aardig – dat ze trots waren. Dat waren ze niet zo vaak. Schuld en schaamte voerden vaak de boventoon in hun gesprekken en nu was er dus trots dat ze dit samen in goede harmonie gemaakt hadden. Bovendien bleken de mannen met de grootste mond in mijn gespreksgroepen niet de meest handige zeefdrukkers. Mannen die daarvoor heel stil waren, bleken een groot talent te hebben. Allemaal winst! Verrassend was dat gesprekken als vanzelf ontstonden. Zeefdrukken bleek een soort ‘praten bij de afwas’. Niet geforceerd in een kamertje van de dominee op twee oncomfortabele stoeltjes maar gewoon samen aan een grote tafel vol verf en zeefdrukramen.

Na deze eerste ervaring konden nieuwe projecten niet uitblijven. In de gevangenissen van Hoogeveen en Breda begon ik mijn goudenlijnenproject. Ik liet de gedetineerden op rood canvas met goudverf gouden lijnen trekken met een penseel. Voor alles wat goed was in hun leven een gouden lijn. Een gouden lijn? Ik las de verbazing op hun gezichten. Wat een merkwaardige vraag was dit voor hen. Iedereen vroeg immers voortdurend wat er mis was gegaan in hun leven, waar het fout was gelopen, hoe ze zo uit de rails waren geraakt. En dan nu deze vraag, zo tegendraads en ongewoon dat ze er even stil van waren. Het stond ook zo haaks op de gangbare klaagcultuur, die de gevangenis eigen is. Nergens wordt zoveel geklaagd als in de bajes: over het eten, over de bewaarders,  over het gebrek aan privacy, over medegedetineerden, over de advocaten enzovoort, enzovoort. ‘Wat ging er goed in je leven?’

Langzaam gleden de penselen over het canvas, peinzende gezichten, bij een enkeling een traan. Schoonheid roept ook verdriet op, om wat voorbij is of afgesneden. Zo ontstonden er stippellijnen, onderbroken lijnen, schrale lijnen. Zo gaat dat met levensgeluk. Na afloop van het project spraken we met elkaar over wat er goed was in ons leven. Alom verwondering dat er zoveel goed was, zoveel toch gelukt, zoveel mensen die om ons gaven, die in ons hadden geloofd toen we dat zelf nog niet konden. Leraren, oma’s, en wie al niet. We hoorden verhalen van elkaar die we niet kenden omdat we er nooit naar gevraagd hadden. Het was één van mijn mooiste projecten. Vele zouden volgen, allemaal pogingen om verder kijken dan de platheid van het bestaan.

Ik moet denken aan de woorden van Anne Zernike: ‘Alle kunst is heilig omdat ze ons wegvoert uit de banaliteit.’
Goed gezien!