Geen categorieOverige

A.A. van Ruler als pleitbezorger van katholiek – gereformeerde bevinding

Verzameld werkDe lezing van dr. J. Hoek tijdens de presentatie van deel 4 van het Verzameld werk van dr. A.A. van Ruler op 9 juni 2011 in Kampen.

We zijn vanmiddag bijeen vanwege een heugelijk gebeuren: het verschijnen van de beide banden van deel 4 van het Verzameld Werk van Arnold Albert van Ruler is een positief gegeven voor kerk en theologie. Van Rulers opstellen in dit deel 4A/4B vormen één groot katholiek en tegelijkertijd reformatorisch
getuigenis van de kern van het christelijk geloof, van datgene waar het in het
christelijk belijden om draait. Dat laat zich goed horen te midden van schijnbaar steeds talrijker theologische eendagsvliegen. Veel in deze teksten is voor de kenners vertrouwd, een heel aantal teksten ziet voor het eerst het licht, het geheel is van groot belang voor de Protestantse Kerk in Nederland in haar volle breedte en voor de christelijke kerk in het algemeen.

Ik richt mij nu met name op de bijdragen die zijn samengebracht onder het thema ‘De ervaring van het heil’.[1] Ik zie Van Ruler als pleitbezorger van katholiek – gereformeerde bevinding. Van Ruler heeft zich veel bezig gehouden met bevinding, geloofservaring, al kent de bemoeienis met dit thema in zijn leven bepaald concentratiepunten. Zijn nadruk op bevindelijke kennis is zelfs misschien het meest karakteristieke van het denken van Van Ruler genoemd.[2] Hij is naar mijn overtuiging consistent in zijn waardering van bevinding, maar dan wel in de zin van wat ik als katholiek- gereformeerde bevinding wil typeren. Met deze terminologie sluit ik aan bij Van Rulers uitspraak dat hij veel katholiek
– gereformeerde goudkorrels in het ultragereformeerde gesteente verspreid zag
liggen.[3] Bevinding is geloofservaring. Deze is pluriform en toch kunnen er kruispunten worden aangegeven waarop christenen van alle tijden en plaatsen elkaar kunnen ontmoeten en herkennen. De verscheidenheid binnen christelijke bevinding of spiritualiteit hangt samen met verschillende accenten in theologie en geloofsovertuiging als even zo vele partiële recepties van het bijbels kerugma.
Zo is er gereformeerde bevinding of spiritualiteit in samenhang met
gereformeerde theologie en prediking. Van Ruler wilde gereformeerd theoloog
zijn, maar dan wel in oecumenische openheid en breedte.

Drie stadia

Met behulp van de als altijd inzicht gevende inleiding van de hand van Dirk van Keulen onderscheidt ik drie stadia in Van Rulers spreken over bevinding[4]:
eerst (tot 1947) noemt hij het bevindelijke als één van de vele elementen in
theologie en prediking, een aspect dat je vooral niet te veel centraal moet
stellen en dat gemakkelijk op het verkeerde been kan zetten. Dit is de kritische fase. Vervolgens, in fase 2, is bevinding voor hem een onmisbaar element dat alle aandacht verdient. Dit is de positieve fase. In de derde fase
(1970) waarschuwt hij voor overbelichting van bevinding als voedingsbron voor
ketterijen. Ik noem dit de positief -kritische fase. Fase 1 komt wel in fase 3 terug, maar fase 3 heft fase 2 niet op. Er is behalve continuïteit ook voortgang in Van Rulers visievorming inzake bevinding. Zijn gerijpte evaluatie in 1970 neemt niets terug van eerdere positieve beschrijvingen van gereformeerde bevinding.

De kracht van katholiek – gereformeerde bevinding

In het navolgende zet ik enkele continue elementen in Van Rulers spreken over bevinding vanaf 1945 tot 1970 op een rij, zoals deze af te lezen zijn uit de artikelen in VW4B.

1. God zelf centraal.

Gereformeerd – katholieke bevinding is theocentrisch. De spits van deze spiritualiteit is op God zelf gericht: de vreugde over God zelf, in zijn wezen, in zijn hart, in zijn eigenschappen en in zijn daden.[5] Deze geloofservaring wijst dus in tegenstelling tot velerlei vormen van mystiek de identificatie van God en de zielengrond af[6] en ziet God meer in de geschiedenis tegenover de innerlijke mens staan. Hij is de God die zich openbaart, die in de geschiedenis handelt, die dus pertinent niet samenvalt met onze innerlijkheid of met de grond van onze ziel. God blijft altijd ergens de Vreemde. God is groter dan ons hart (1 Johannes 3: 20).

Het huwelijk en het leven zijn dus nooit af; zij blijven interessant. Zo is ook de bevinding nooit af. Er is nadering tussen God en de mens, er is ook weer verwijdering.

Er is verlangen en verwachting, er is ook verzadiging en verrukking. Er is de
donkere nacht van de geestelijke verlating, er is ook de extase der vreugde. Een
mens leert zichzelf steeds meer kennen in zijn diepe en totale verlorenheid, en
hij verliest zichzelf in de overgave der liefde aan Gods barmhartigheid. Als
het uur der minne slaat, kunnen wij alleen vol verwondering en ontroering staan
daarover, dat ons diep verdoemde bestaan in alle eeuwigheid gered en
verheerlijkt is door Gods ongehouden goedheid. Maar gewoonlijk brengen wij onze dagen en jaren door in geestelijke dorheid en in doodsheid onzer ziel, opdat
wij het geloof zouden leren en in alle eenvoud er alleen maar zouden zijn. Dat
is het geestelijk leven. Zo staat het tussen God en mens. Daarin behoort de vroomdheid even wezenlijk als de eigenheid.’[7]

2. Oog voor schepping en geschiedenis

Gezonde bevinding toont respect voor de historische daden van God. Zij heeft zicht op Gods verhouding tot de dingen van het historische, gemeenschappelijke leven. De bevindelijke gelovige kent God die via de Schrift, de kerk en de staat handelt in de geschiedenis, terwijl het gelovige hart Hem lofzeggend begeleidt.[8]Van Ruler spreekt van een eigenaardige oudtestamentische bepaaldheid van de gereformeerde mystiek en in het algemeen de gereformeerde theologie.[9] Daarom kan deze bevinding ten principale niet spiritualistisch en dualistisch zijn. Zij looft immers de Schepper. Gelovige mensen eren God door van het geschapene te genieten. Ze staan open voor het spel in bijvoorbeeld de seksualiteit en de sport. Hier licht iets op van een antignostisch, oudtestamentisch levensbesef dat de aarde trouw blijft.[10]
Nooit kan de wereld uit het oog verloren worden, juist omdat het Gods wereld is
die Hij tot haar bestemming wil brengen in zijn koninkrijk.

Het geestelijke leven is niets anders dan de beleving van het aardse leven op de
rechte wijze: als kennis, gemeenschap en dienst van en met de enig en
waarachtige God. De verborgen omgang met deze God in het gebed en het genot,
dat ik heb in mijn pijp, horen dan bij elkaar, als hol en bol.’[11]

3. Oog voor bemiddeling

Het heilsfeit houdt een plus boven de bevinding. De geschiedenis is een gewichtiger dimensie in Gods handelen dan de bevinding. Daarom weet de bevindelijke gelovige van de betekenis van de historische bemiddeling, de kerkelijke gemeenschap en de waarde van ambt, traditie en sacrament. De Geest is niet pas aan de gang, als hij inwendig in het hart van de mens aan de gang is!’[12] We kunnen daarom ook van voluit schriftuurlijke bevinding spreken. De katholiek -gereformeerde  bevindelijke gelovige beroept zich niet op het inwendige woord of licht. Hij verkeert op veelvormige wijze met de Bijbel. Hij zoekt er het voorbeeld, de norm en de bronwel van zijn leven in. [13] Daarom betreft het hier en heel bijzonder spiritualiteit die niet vereenzelvigd mag worden met het innerlijk leven dat algemeen menselijk is.

In de bevinding gaat het om deze zeer bepaalde God, de Heer, de God der
openbaring, de God van Abram, Isaak en Jakob, de Vader van Jezus Christus, de
drie-enige God. [14]

Vandaar dat deze geloofsbeleving niet individualistisch kan zijn. De Bijbel en de sacramenten zijn immers aan de kerk geschonken. Wie het goddelijke zoekt in de oergrond van zijn eigen werkelijkheid, kiest voor een hoogst individueel spirituele trektocht. Die heeft geen kerk nodig, geen Bijbel, geen doop en geen avondmaal. Het gaat Van Ruler echter om een sacramenteel – bevindelijke denkwijze in de kerk en de theologie[15] Het bevindelijk – mystieke en  het sacramenteel – hoogkerkelijke moeten met elkaar verbonden worden.

De schrik van de baby, als deze het water op het voorhoofd voelt, is reeds
bevinding met zeer strakke, sacramentele grenzen en vormen en dan zeer
kernachtig.[16]

– Christus in de spil.

Gereformeerd – katholieke bevinding is evenzeer christocentrisch. Weliswaar is deze bevinding meer dan Christus – mystiek of zelfs Jezus – mystiek. Het christendom mag de Bijbel immers niet overwoekeren. Toch is het zo dat de offerhandeling Gods op Golgota centraal staat in deze geloofsbeleving, zoals trouwens alle gestalten van het koninkrijk Gods gelijkelijk om dit centrale heen staan. God in Christus is het middelpunt van de wereld en daarmee het offer van Golgota. [17] De lijdende en de verheerlijkte Christus staat in het middelpunt van de overdenking van de gelovigen. Daarbij gaat het nadrukkelijk om de historische Jezus die eens, toen en daar, geleefd heeft. Het heil is erin verankerd dat de historische Christus in Bethlehem is geboren en op Golgotha is gestorven.[18] De verzoening van de schuld voor Gods aangezicht op Golgota kunnen wij niet ten einde toe meebeleven, laat staan haar mystiek overdoen. [19]

hoezeer is Jezus Christus in de spil van dit bevindelijk denken en leven de middelaar, die de schuld der zonde verzoent in onze plaats. [20]

In de unio mystica cum Christo blijft het historische accent gehandhaafd.
De vruchten en de effecten van zijn verzoeningswerk verheugen het hart. Intussen roept zijn leven dagelijks tot navolging. Misschien dat het niet direct in het oog springt dat bevinding bij Van Ruler op Christus betrokken is. Hij opponeert tegen het christomonisme bij Karl Barth en bestrijdt dit van twee
verschillenden zijden, vanuit de scheppingsleer en vanuit de pneumatologie.[21] Dat doet echter niets af aan de onmisbaarheid van het werk van Christus tot
verzoening en van de noodzaak Hem persoonlijk te kennen door het geloof. Al gaat het niet om Christus, dan draait het nog wel om Hem.

Het in – werk van de Geest gepeild

Katholiek – gereformeerde bevinding is uiteraard trinitarisch.[22] Zo
is er in het kader van een brede pneumatologie bijzondere aandacht voor het
in-werk van de Geest in mensenlevens. Gods wonen in ons hart brengt immers een enorm scala van standen der ziel met zich mee, waarvoor in de prediking
aandacht dient te zijn.[23] Zo wordt het pneumatologisch docetisme overwonnen.[24] Het gaat om de volle gestalte die Gods Geest krijgt in de mens. We moeten er dan ook niet bang voor zijn deze gestalten en ongestalten te benoemen. Laat de mens in de prediking maar op een gelukkige wijze radicaal op zichzelf teruggeworpen worden, zoals hij eraan toe is voor Gods aangezicht.[25]
Daarbij werpt hij zich op God zelf en op alles wat Hij voor hem wil zijn. In
die onmiddellijkheid kan men volstrekt zeker zijn van het heil en wandelt men
in de predestinatie.[26]

– De mens in zijn waarde

God en mens zijn geen concurrenten. Waar God op het hoogst verheerlijkt wordt, behoeft de mens nog niet op het diepst vernederd te worden. Concentratie op God betekent nog geen miskenning van de mens. Integendeel, zij betekent dat de mens op een zeer hoog plan wordt gezet voor Gods aangezicht. Hoger humaniteit is in de wereld nog nooit gevonden.
Immers: Het volle gewicht van Gods heiligheid en heerlijkheid wordt op het
complete, gewone mens zijn gezet. En de mens wordt, als mens, ten volle
betrokken in de zaak die God heeft op aarde.[27] Dat noemen we ‘theonome reciprociteit.[28] De mens kan met God mee willen, mee beslissen en mee regeren, omdat God zelf in hem woont.[29] De mens doet in alle
opzichten voluit mee onder het voorteken van de Geest. De bevindelijke
schrijvers in de gereformeerde traditie geven met verrassend psychologisch
inzicht blijk van uitzonderlijk diepe inzichten in de menselijke existentie.
Dat betekent dat zij de ellende, de bodemloze verlorenheid van het mens – zijn
erkennen en benadrukken dat alle gelovigen deze enigszins leren kennen. En dat
niet als tragisch lot, maar als eigen schuld. Zodat de gelovige die dit
bevindelijk doorleeft, niet gaat jammeren over zijn zondaarslot, maar zijn
schuld belijdt voor God en de mensen.[30]

Juist zo staat hij voor zijn daden en ontworstelt hij zich aan de wanhoop van
het tragische levensgevoel. Dit leidt dan tot ‘een innerlijke gemeenschap en
solidariteit met het menselijke geslacht welke de wortel kan worden van een
brede mildheid, waarin men met z’n medemensen leert omgaan. [31] Zo hebben
we in de gereformeerde traditie der bevindelijkheid een niet genoeg te
waarderen middel om met het evangelie werkelijk de moderne mens te benaderen.[32]

– Van het heil verzekerd

Geloofszekerheid berust niet op puur rationele afwegingen en verstandelijke conclusies.[33] Het gevoelsleven speelt een rol mee als moment in de reactie op het evangelie. De introspectie die de bevindelijke vrome kent, behoeft geen afbreuk te doen aan de zekerheid van het geloof. Het is juist prima te vragen naar de authenticiteit van de mens voor Gods aangezicht. Het evangelie wordt immers zaak van het hart, de mens weet zich bewust zondaar voor God, geeft zich van harte over aan Gods genade en leeft beslist tot Gods eer. Tot twijfel en vertwijfeling behoeft dat alles niet te leiden, deze zijn in elk geval niet de normale stand van een christenmens.[34]

Die wonderbaarlijk schone leer van het testimonium Spiritus Sancti, waarin immers is uitgedrukt, dat ik niet langs enige, natuurlijke kennisweg tot de kennis en de zekerheid des heils kom, maar dat mij het heil op een bovenaardse wijze
volstrekt duidelijk en zeker, in één woord: evident is.’[35]

De gezonde bevinding plaatst het gevoel niet in een absolute tegenstelling met het verstand[36] en weet dat het gemis aan gevoelige genade niet hetzelfde is als het ontberen van de genade zelf. Het verstand is even belangrijk als het gevoel als het erom gaat uit het evangelie de eeuwige genade en daarmee de drie-enige God zelf te ontvangen en aan te nemen.[37]

– Het leven geheiligd.

Bevindelijk leven bloeit op in de heiliging van het gehele leven. Het gaat hier om de brede contouren van de heiliging. Historisch gezien is niet de
predestinatie, maar de heiliging de oorsprong van de Nadere Reformatie.[38] Van Ruler verwijst naar wat volgens hem het kernwoord is van de vader van de
Nadere Reformatie, Willem Teellinck, namelijk het voornemen, de devotie,
waarin men met ernst bereid is, met zijn gehele bestaan uit zijn gehele hart
naar het gehele Woord de Here geheel te dienen.[39] De puriteinse ernst en soberheid wil het leven tot in z’n kleinste onderdelen zo inrichten dat het God behaagt. Maar dan niet in een klooster, doch in de wereld. Ga daar maar aan staan en ervaar die opdracht als een heilzame arbeidstherapie, die  bevrijdt van veel muizenissen, met name van het vastlopen in de problematiek van de innerlijkheid van het menselijk voelen of van het goddelijk besluiten.

Gezonde bevinding impliceert een missionair – diaconale levenshouding, een katholiek cultuurvisioen, waarin de heidenen en de mondiale vragen in het gezichtsveld treden en dus de zendingsroeping van de kerk wordt verstaan.

Een kerk, die waarlijk bevindelijk ingaat op de vele standen en gestalten der ziel,
zal ook – juist ter wille van de ethische zuivering van de bevindelijkheid –
apostolisch moeten ingaan op de vele gebieden en problemen van het
gemeenschappelijke leven.’[40]

– Dagelijks opstaan tot vreugde

Ware bevinding betekent een dagelijks opstaan tot de vreugde als het centrale levensgevoel. In het geloof leren we onszelf aanvaarden, ons voor Gods aangezicht verheugen over ons bestaan en over het bestaan als zodanig, en zo het leven zelf beleven als lofzeggende dienst aan God. De Bijbel is immers het boek dat ons de vreugde leert.

De kern van alles ligt daarin, dat ik mij verheug over mijzelf met de vreugde
waarmee de Here God zich over mij verheugt. Dit is “gemeenschap met God[41].

De liefde en de vreugde worden ontdekt als de zin van het leven.’[42]

Het bevindelijke leven wordt dan ook, waar het niet door partijfanatisme in zijn
tegendeel verkeerd is, gekenmerkt door een brede mildheid en een
onbegrijpelijke zachtmoedigheid, waarin het gehele leven en alle mensen omvat
worden.’[43]

Bij Van Ruler is de vreugde geen gemakkelijke of oppervlakkige vreugde. Het is geen natuurlijk optimisme. Het is vreugde tegen de verdrukking in.[44] Hij
verwoordt het zelf zo: Wij kunnen ons geluk niet forceren. Maar het komt over
ons. Het ontroert ons. En vooral: het wordt ons verkondigd. En daarom kunnen
wij, in geloof, alleen maar voortgaan met het leven van iederen dag. De dorre
vlakte der woestijnen zal zich verblijden eindeloos.[45]

Ideaal en werkelijkheid

Bij elk van de aangeduide aspecten kan men vragen: Vertoont deze bevinding zich wel in de realiteit? Is het niet een ideaalbeeld, te mooi om waar, althans werkelijk te zijn? Is Van Rulers laatste opstel niet veel realistischer? Daar zit wel wat in. Daarom is het ook nodig en heilzaam dat bevindelijke gelovigen goed in de spiegel kijken die Van Ruler hun voorhoudt. Intussen helpt Van Rulers positief kritische benadering op weg om persoonlijke geloofservaring een legitieme plek te geven in theologische bezinning en homiletische en pastorale praktijk.

J.Hoek, 9 juni 2011


[1] A.A. van Ruler, Verzameld Werk 4A en 4B (VW 4A en 4B), Christus, de Geest en het heil, Zoetermeer 2011, 492vv.
[2] J. Sperna Weiland, In memoriam Prof.dr. A.A. van Ruler’, Wending
25 (1970 – 1971), 655.
[3] VW 4B, 770.
[4] Zie hiervoor de inleiding door Dirk van Keulen op VW 4B en
verder C.Graafland, Bevinding en cultuur bij A.A.van Ruler’ in Gerrit Klein /
Dick Steenks, red., De waarheid is theocratisch, bijdragen tot de waardering van de theologische nalatenschap van Arnold Albert van Ruler, Nijkerk 1955,42 – 54; T. Brienen, Bevinding – aard en funktie van de geloofsbeleving, Kampen 1978, 57 – 67.
[5] VW  3, 432.
[6] G.C. van Niftrik, Kroniek, Nederlands Theologisch
Tijdschrift (NTT)
23 (1972), 360 noemt het karakteristiek voor Van Rulers visie op de gereformeerde bevinding dat God niet identiek is met de diepste grond van de ziel van de mens. Geen ongebroken schouwen van het ongeschapen licht.
[7] VW 4B, 54, 545.
[8] VW 4B, 547.
[9] VW 4B, 537.
[10] Vgl. daartegenover VW 4B, 754.
[11] VW 4B, 701.
[12] VW 4B, 733.
[13] VW 4B, 504.
[14] VW 4B, 505.
[15] VW 4B, 506.
[16] VW 4B, 507.
[17] VW 4B, 529.
[18] Zie daartegenover VW 4B,721.
[19] Dit beklemtoont Van Ruler in zijn lezing over De bevinding in de prediking uit 1953, VW 4B, 564.
[20] VW 4B, 599.
[21] Vgl. Gijsbert van den Brink, Van Ruler in de Nederlandse Hervormde Kerk  in Dirk van Keulen, George Harinck, Gijsbert van den Brink, ed., Men moet telkens opnieuw de reuzenzwaai aan de rekstok maken  – verder met Van Ruler,
Zoetermeer 2009, 137 – 150, 143.
[22] VW 4B, 535:De Nadere Reformatie heeft de portee van deze trinitarische visie beproefd.
[23] VW 4B, 568. Niet alleen de bonte veelheid van de Schrift, maar ook
de bonte veelheid van het innerlijke leven mag de prediking dat gevulde
karakter geven, waardoor zij de moeite waard blijft.’
[24] VW 4B, 574.
[25] VW 4B, 575.
[26] VW 4B, 545.
[27] VW 4B, 536.
[28] Zie hierover Jac. J.
Rebel, Pastoraat in pneumatologisch
perspektief. Een theologische verantwoording vanuit het denken van A.A.van
Ruler
,  Kampen 1981, 141v.
[29] VW 4B, 567. God komt zelf in en achter de prediking van
het Woord in de volheid van zijn wezen ons menselijk bestaan binnen om zo de
mens vanuit zijn inwoning te gaan in- lichten.
[30] Vgl. daartegenover VW 4B, 726.
[31] VW 4B, 602.
[32] VW 4B, 600.
[33] Zeker niet door alles logisch te doordenken vanuit de eeuwige, dubbele predestinatie, zodat het geloof in de verkiezende God vervangen wordt door de berusting tegenover een predestinatie-idee, zie VW 4B, 724.
[34] Vergelijk daartegenover VW 4B, 728.
[35] VW 4B, 504.
[36] VW 4B, 541; VW 4B, 732.
[37] VW 4B, 733.
[38] VW 4B, 569.
[39] Willem Teellinck, Sleutel der Devotie Ons openende de Deure
des Hemels
, Amsterdam 1624, 53vv.
[40] VW 4B, 570.
[41] VW 4B, 757.
[42] VW 4B, 598.
[43] VW 4B, 547.
[44] Dirk van Keulen, We zijn een grap van God, 79.
[45] A.A. van Ruler, Verhuld bestaan, Nijkerk 1949, 80.