GeloofTheologie

Reactie op Ds. C. Bos Levend geloven door Wim Verboom

Geachte voorzitter, ds. Bos/beste Cor, dames en heren,

Het is bijna 50 jaar geleden dat mijn vader in de kerk, hier in Benschop een toespraak hield t.g.v. mijn intrede in de gemeente. Hij begon toen met te zeggen: mij is vijf minuten spreektijd toegemeten. Het worden er tien. Nu, na 50 jaar zeg ik dat hem vanavond na, hoewel meteen gezegd moet worden, dat dit tijdsbestek natuurlijk veel te kort is om recht te doen aan het mooie, leerzame boek dat ds. Bos heeft geschreven en dat vanavond gepresenteerd wordt.

Ik doe dus een poging.

Laat ik beginnen met te zeggen dat ik erg blij en dankbaar ben met dit boek en dat ik het met veel genoegen heb gelezen. Het is vooral de wijze waarop pastorale hulp wordt geboden om de hartslag van het geloof, de verborgen omgang met Christus, te verbinden met een leven in de geseculariseerde wereld van vandaag, die mij trof. Noem het de praxis piëtatis, de praktijk der godzaligheid van vandaag. Veel christenen zitten daarmee en voelen zich burgers van twee werelden. Ik ben de auteur dankbaar dat hij puttend uit de bronnen van de rijke lutherse en gereformeerde traditie hierin een weg wijst en daarbij zelf meereist.

Het boek laat zien dat de auteur een grondige studie van de disciplina arcani, de geloofsgeheimen, in theologie en arbeid, zowel van Luther als van Bonhoeffer heeft verricht. De bron en literatuurvermelding geeft daar blijk van. Hier hebben we wat aan in onze tijd waarin zoveel strovuur brandt. Ik heb het als een voorrecht ervaren door middel van dit boek zo dicht te worden gebracht bij de kernen van ons geloof en onze geloofservaring: de lees en leefregels van gebed, meditatie en aanvechting (bij Bonhoeffer: concentratie). Ik herken er meteen veel van mijn eigen geloofsleven in. De pastorale hand die wordt aangereikt, wijst een concrete en praktische weg, waarbij breedte en diepte samengaan. Het boek is voor mij een betrouwbare pastorale gids.

Zo heb ik het gelezen, telkens weer een stukje. Regelmatig streepte ik mooie en wijze zinnen aan, juweeltjes. Zoals dat Luther leert dat wij in ons gebed niet God vinden, maar dat God ons heeft gevonden (75).  Dat parels in diepe wateren liggen (81). Dat je moet lezen met oren om echt te horen. (113). Wat zegt de auteur, zelf door de  geloofservaring geleerd, waardevolle dingen, bijvoorbeeld over gebeden die niet altijd verhoord lijken te worden. En zo zou ik nog wel een tijdje door kunnen gaan. Dat doe ik niet, want dan wordt het niks met die tien minuten.

Ik  veroorloof mij om bij het vele goede, of beter gezegd, vanwege het vele goede een paar opmerkingen te maken, die ik na lezing van het boek noteerde.

Er wordt in dit boek terecht aandacht gevraagd voor de disciplina arcani, de geloofsgeheimen. Ze worden uitgewerkt in de drieslag: gebed, meditatie en aanvechting. De vraag die bij mij bovenkwam en dan denk ik vooral aan Luther: hoe verhoudt de oefening van deze drieslag in het geloofsgeheim zich tot de prediking? Onder de prediking versta ik de verkondiging van het heilig evangelie, de bediening van het Woord van God. Kan datgene wat in de drieslag gebed, meditatie en aanvechting aan de orde komt, niet alleen aan de orde komen als het onmiddellijk voortvloeit uit en hangt aan de prediking als centraal gebeuren in het leven van de gelovige en de gemeenschap van de christelijke gemeente. Was Luther niet voor alles een prediker, soms elke dag in Wittenberg en was zijn bekering ook niet aan bekering van het klooster naar de preekstoel? Een kostbare wijze waarop een hoorder in Zeeland eens het geloofsgeheim tijdens de prediking beoefende bleek uit haar reactie op de Woordbediening: ‘k ê toch zô magge luustere éé. Een oefening in gebed, meditatie en aanvechting onder de preek. Daarmee verbonden is er de geloofsoefening in het gebruik van de sacramenten. Ik denk aan het avondmaal, de eucharistie in de Vroege kerk, precies een van de dingen die in de Vroege Kerk behoorden tot de disciplina arcani. Nu ja, ter overweging.

Hiermee verbonden dacht ik: zou het gebodene ook niet vragen om een appellerend accent? Ik bedoel de oproep tot het geloof waardoor we als goddeloze alleen maar rechtvaardig zijn voor God? Dit boek gaat over de navolging van Christus en spreekt er zo leerzaam en aansporend over. Maar hoe begint dat geloof in een mensenleven en hoe gaat dat geloof verder, ook in de heiliging als navolging van Christus, zoals Bonhoeffer leerde? Hier merkte ik tijdens mijn luisteroefening van het boek dat Kohlbrugge binnenkwam die zei: een christen blijft tot zijn dood toe vlees, verkocht onder de zonde. (Rom.7:14)  Deze ervaring jaagt ons om zo te zeggen naar Christus, de Wijnstok, die zegt: Blijf

in Mij. (Joh15:4)  Ook in de disciplina arcani. Laat deze vooral christocentrisch zijn. Maar dat zult u wel met me eens zijn.

Dan iets over de aanvechting van het geloof. Een werkelijkheid die wellicht niemand meer heeft ervaren dan Luther. De afgrondelijkheid van de geloofsstrijd, maar ook het diepe mysterie dat ook aanvechtingen ons  aan Christus binden en ons doen groeien in Hem.

In de uitwerking van dit gegeven in deel 3 komen veel pastorale situaties aan de orde waar de pastor mee te maken krijgt in de gemeente.  Hier zocht ik op een gegeven moment naar een structuur om de medicatie, die de pastor mag aanreiken, om zo te zeggen overzichtelijk te maken.  Ik vond deze heel praktisch in de Grote Catechismus van Luther (1529), bij zijn behandeling van de zesde bede: leidt ons niet in verzoeking. Daar noemt hij de drie doodsvijanden van de gelovige: het vlees (eigen ik), de wereld en de duivel. (p.144) Evenals in de Heidelbergse Catechismus, in andere volgorde (vr. en antw. 127). Hierin komt a.h.w. heel het veld van de aanvechting op gestructureerde wijze aan de orde. Ik kan nu deze uitleg en toepassing van deze bede door Luther niet uitwerken. Ik voeg hem bij deze reactie voor de auteur. Ben benieuwd wat u ervan vindt.

Over de laatst twee dingen ben ik kort. U spreekt positief over de betekenis van de biecht in het pastoraat, zoals Luther die voorstond in het kader van de disciplina arcani. Ik ben benieuwd op  welke manier de biecht in uw pastoraat een plaats heeft, c.q. u die een plaats zou willen geven. Ik zelf denk dan toch ook weer allereerst aan de verbinding met de prediking.

Dan het laatste: Ik zie er wel wat in dat u een  handzame handleiding schrijft teneinde uw boek, dat zich goed leent om in een gesprekskring te gebruiken, voor zo’n kring geschikt te maken. Daarbij zou ik denken aan bijvoorbeeld tien bijeenkomsten, met telkens eerst een Bijbelstudie, dan een kernpunt uit de disciplina arcani in de context van vandaag, met gespreksvragen, waarvoor u in uw boek een prima voorzet hebt gegeven.

Ik laat het hierbij, de tijd is om, een zoon is niet meer dan zijn vader. Hij tien minuten, ik tien minuten. Nogmaals dank ds. Bos voor uw mooie boek en u allen voor uw aandacht.

Wim Verboom.

Geen reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *