Geloof

Met hart en ziel geloven

Wat we met bevinding bedoelen, kunnen we niet beter illustreren dan met een beroemd gedicht van Gerrit Achterberg, getiteld ‘Bekering’.

Gij hebt het hoog geheim doorbroken, Heere Jezus,
tussen ons en den Vader, naar Uw Woord
mogen wij zonder zonde zijn en nieuwe wezens,
wat er ook in ons leven is gebeurd.
Ik deed, van alles wat gedaan kan worden,
het meest misdadige – en was verdoemd.
Maar Gij hebt God een witte naam genoemd
met die van mij. Nu is het stil geworden,
zoals een zomer om de dorpen bloeit.
En moeten ook de bloemen weer verdorren:
mijn lenden zijn omgord, mijn voeten staan geschoeid.
Uit Uwe Hand ten tweeden maal geboren,
schrijd ik U uit het donker tegemoet.

 

Er is van dit gedicht veel te zeggen, maar we zien af van een nadere analyse. Wat ons betreft, is hiermee wel de toon gezet. De woorden van Gerrit Achterberg zijn vol diepe emotie. Hij schrijft als gelovige en maakt helder hoezeer geloven doortrokken is van de gevoelsdimensie.

Gods genade schampt niet langs onze existentie heen, maar stempelt onze diepste emoties.

Het geloof krijgt ‘handen en voeten’ en roept vele gevoelens en ervaringen op. Er zit een – in de goede zin van het woord – mystiek element in geloven. We herkennen hier het werk van de Geest in ons hart. De Heilige Geest is God-in-ons die doortastend
inwerkt op ons bestaan.
Geloven met hart en ziel is te benoemen als bevindelijk geloven. We moeten dan wel scherp op het netvlies hebben wat we wel of niet onder ‘bevinding’ verstaan.

Het woord ‘bevinding’ komt in de Bijbel slechts één keer voor, en wel in de Statenvertaling (SV, de HSV heeft ‘ondervinding’), namelijk in Romeinen 5:4. In het ingeburgerde spraakgebruik wordt een veel bredere inhoud gegeven aan het begrip ‘bevinding’ dan op deze ene tekst gebaseerd kan worden. Wij doen dat ook en vatten bevinding op als de doorleving van het geloof in de drie-enige God dankzij het vernieuwende werk van de Heilige Geest. Dit betreft zowel het individuele leven van de gelovige alsook de gemeenschappelijke geloofsbeleving
van Christus’ gemeente, en dat zowel in de binnenkamer als in de buitenwereld.

Kort gezegd: existentieel geloven. We reserveren het woord ‘bevinding’ voor bijbels verantwoorde, Schriftuurlijk geijkte geloofservaring.  Bevinding is onlosmakelijk verbonden met geloof en is altijd ervaring van het geloof. In de woorden van P. Buitelaar:

Geloofsbevinding komt op uit de Schriften en is de gelovige beleving van de gemeenschap met en de kennis van God in Christus door de Heilige Geest, die getoetst wordt in het concrete leven onder strijd en aanvechting en die konsekwenties heeft voor het leven in de wereld.

‘Geloven kan een voet te hoog zitten’, zo wordt wel gezegd. Bedoeld wordt: wél in het hoofd, niet in het hart, wél in het verstand, niet in de gevoelens. Wanneer alleen het verstand de toon zet en de dienst uitmaakt, komen we niet verder dan het voor waar houden van een aantal proposities. We nemen dan bepaalde waarheden aan, zoals ‘dat er een God is’, ‘dat de Bijbel Gods Woord is’, ‘dat Jezus de Redder is’. Je zou dat als stellingen kunnen beamen zonder dat je er heet of koud van wordt.

Zoiets als: ‘In 1600 was de slag bij Nieuwpoort.’ So what? Wat verandert er voor mij wezenlijk als er in 1600 helemaal geen slag bij Nieuwpoort is geweest? Aannemen dat er in 1600 een slag bij Nieuwpoort was, is van een totaal andere orde dan geloven dat God mijn hemelse Vader is.

Het eerste heeft geen impact op mijn leven hier en nu, het tweede stempelt mijn hele leven als ik het echt geloof.

Ruimte voor bevinding
Het christelijk geloof weet van de verborgen eenheid met Christus, zodat  Hij in ons leeft en wij in Hem leven, zoals de Wijnstok in de ranken  en de ranken in de Wijnstok (Joh. 15). Geloof is bijbels gezien per definitie bevindelijk. Bevindelijk geloven is dus niet een bepaalde verbijzondering  van geloven die alleen in sommige kringen of subculturen voorkomt.  Een christen is een bevindelijk christen of hij is geen christen.
Deze bevinding moet worden onderscheiden van allerlei schijngestalten  en karikaturen die we typeren als ‘ontspoorde bevindelijkheid’ (zie hierover  meer in hoofdstuk 4). We plaatsen het begrip ‘bevinding’ naast de
term ‘spiritualiteit’. Dit laatste is wel een ‘containerbegrip’ genoemd. In  de grote Van Dale lezen we dat met ‘spiritualiteit’ wordt bedoeld: (1)  ‘geestelijkheid, geestelijk bestaan, onstoffelijkheid’. En vervolgens: (2)
‘geestelijke levenshouding (de opgang van de ziel naar God), het beklemtonen  van een bepaald aspect van het geloof in de beleving ervan’.
Met de aanduiding ‘geestelijke levenshouding’ kunnen we echter nog  alle kanten op. Deze levenshouding kan bijvoorbeeld louter gericht zijn  op uitvergroting van jezelf, innerlijke groei en bewustwording van eigen
mogelijkheden. Ook wanneer er in spiritualiteit ruimte is voor het  goddelijke, blijft het godsbeeld vaak uiterst vaag: ‘er is meer tussen hemel  en aarde’, ‘er is wel iets wat boven alles uitstijgt’. Nadere invulling hangt  vaak samen met onze menselijke behoeften. Op het veld van specifiek  christelijke spiritualiteit bestaat evenzeer rijke variatie. De termen spiritualiteit  en bevinding komen dicht bij elkaar wanneer we de omschrijving  van W.H. Velema volgen:

Het christenleven in de praktijk of de praktijk van het christenleven,  waarvan het geloof de wortel is. (…) Spiritualiteit ziet dus op de Geest  die inwerkt op onze geest en zo ons hele leven bepaalt. Spiritualiteit karakteriseert ons denken en ons doen, ons geloven en ons leven.

In dit citaat kun je ‘spiritualiteit’ wat ons betreft gewoon vervangen door  ‘bevinding’ of ‘geloofsbeleving’ als synoniemen ervan. Dat geldt ook  voor de beschrijving van R. Erwich:
‘Christelijke spiritualiteit is te verstaan als het kerngebeuren tussen Gods  Geest en de menselijke geest. Het gaat daarbij om een “omvormingsproces”  waarbij de Geest van God en de geest van de mens op elkaar betrokken zijn en op elkaar inwerken (…) Zo bezien staat christelijke spiritualiteit voor zowel levensinrichting (welk gedrag vertoon ik?) als levensoriëntatie (hoe kijk ik naar de werkelijkheid?), alsook voor de bezieling en inspiratie (wat drijft mij ten diepste?), waarbij geen domein van het menselijk leven uitgesloten kan worden.’
Zo zien we inderdaad ‘bevinding’ voor ons, zij het in een andere volgorde dan Erwich aangeeft: allereerst levensbezieling door de omgang met de levende God, van daaruit levensoriëntatie en zo levensinrichting.
Een ander begrip dat hier dicht tegenaan ligt, is ‘vroomheid’, een door geloof en liefde gestempelde levenshouding (Latijn: pietas). We doen al luisterend naar het Woord gaandeweg ervaring op met God.

 

Dat is luisterend leven en antwoordend leven. Het is vooral ook leven op Gods beloften en zo ervaren dat
God Zijn beloften vervult, al gaat die vervulling geregeld dwars door het nulpunt van de onmogelijkheid
heen.13 Een diepe bijbelse term voor deze grondhouding is ‘vreze des heeren’, dat is ‘de eerbiedige, liefdevolle dagelijkse omgang met de God van het verbond’.14 Op dat kernbegrip komen we in hoofdstuk 2 terug.

Diep, maar niet smal

Geloven met hart en ziel, bevindelijk geloven, is niet smal en kortzichtig, maar diep en breed. De diepte is gegeven met de existentiële ontmoeting met de levende God in Zijn ontzagwekkende heiligheid en majesteit én in Zijn ontroerende liefde en ontferming. In deze ontmoeting worden we in zekere zin tijdgenoten van de bijbelheiligen, zoals Abraham, Mozes, David en Paulus. De Heilige Geest weet ons zo te raken en mee te nemen dat het is alsof we zelf bij de brandende doornstruik (Ex. 3) of aan de voet van de berg Sinaï (Ex. 19, 20) of bij de kruisheuvel
Golgotha (Mat. 27) staan. We hebben Gods boodschap niet van horen zeggen, maar we hebben het zelf uit Zijn mond gehoord! Er groeit een waarachtige en werkelijke band met de Levende, zodat we als Maria aan Jezus’ voeten zitten (Luk. 10:39), Hem met de armen van het geloof omhelzen en ons aan Hem overgeven en in Zijn armen gedragen worden.

Dat bedoelt Psalm 25:

Gods verborgen omgang vinden
zielen waar Zijn vrees in woont;
’t heilgeheim wordt aan Zijn vrinden,
naar Zijn vreêverbond, getoond.
(ob, vers 7)

De breedte van bevindelijk geloven tekent de Leidse dogmaticus K.H. Miskotte als hij schrijft dat we met de bevinding ‘niet in de catacomben van de gelovigheid, maar op de markt des levens’ staan. Hij bedoelt
daarmee dat de verborgen omgang met God er niet toe leidt dat we losgemaakt worden van de aarde, van de maar al te vaak schrijnende realiteit van een gebroken wereld. Immers, zoals Miskotte het graag zei: ‘de kern ziet wijd’. Vanuit de inkeer tot God is er de terugkeer naar het volle leven, na het inademen in de binnenkamer is er het uitademen in de wereld. Hij plaatst de bevinding in het kader van het kennend en scheppend gaan en staan in en door de wereld van elke dag, waar de strijd wordt geleverd met de tegenstanders van God en Zijn volk, en de christen in het gevecht ervaringen opdoet van Gods hulp en trouw, die hij met anderen deelt. Het gaat dus om een bevinding in de totaliteit van het leven, in de historie, midden in de cultuur. De bevinding mag niet beperkt worden tot het individuele hart, maar realiseert zich in het concrete aardse leven, en wel in alle facetten daarvan. In de woorden van S. van der Linde:

De binnenkamer is, hoe vreemd het klinkt, niet de juiste plaats om bevinding op te doen. Paulus tenminste deed de zijne daar niet op, maar wel op zendingsreizen, onder geselslagen, in doodsgevaar. (…) Wie de bevinding uit het ruige leven in de wereld (om daar te getuigen en te dienen) haalt, dooft minstens de helft van de vurige oven, waarin het geloof zeer reëel beproefd wordt. (…) We geven de bevinding in al haar ruigheid en radicaliteit alleen een kans voor het leven van nu, als ze zich naar buiten begeeft en het niet bij eindeloos zelfonderzoek laat blijven. Deze microanalyse is onmisbaar en het juiste uitgangspunt, maar ze heeft nodig naar buiten te komen en de “macroanalyse” te ontmoeten.

We verlangen naar bevindelijk geloven waarbij de diepte de breedte draagt. Er is de diepte van de persoonlijke omgang met God in Christus.

Het heil, de verlossing die door Christus tot stand is gebracht, wordt door de Heilige Geest bij ons thuisgebracht en in ons hart en leven uitgewerkt. Ook in het hart van een mens valt een wezenlijke beslissing: geloof of ongeloof, aanvaarding of afwijzing van het evangelie.
De gelovige is hoogstpersoonlijk (dat wil zeggen individueel binnen de gemeenschap van de kerk, niet individualistisch en geïsoleerd) in het vizier. Door het ‘in-werk’ van de Geest wordt de mens zondaar voor God, bruid van Christus en pelgrim naar de eeuwigheid. Op deze wijze neemt Christus gestalte aan in ons hele bestaan: wij leven in Hem en Hij leeft in ons. De verborgen omgang met God raakt de totale existentie.
Psalm 119 als bij uitstek bevindelijke psalm maakt helder hoe het horen naar Gods Thora de dagelijkse handel en wandel op alle terreinen van het leven stempelt. Christus heeft door Zijn verzoeningswerk de gevallen kosmos bij God teruggebracht. Het werk van verzoening dat Hij aan het kruis heeft volbracht, heeft consequenties voor heel de kosmos (vgl. Kol. 1:19-20). In Jezus komen diepte en breedte samen tot eer van God. Vanuit de verborgen omgang met God nemen we onze missionaire en diaconale, humane en politieke verantwoordelijkheden op in een wereld
waarin de Geest zich telkens verrassend manifesteert.

Geloven met hart en ziel – dat is een grote rijkdom. In 1904 schreef de gereformeerde theoloog Herman Bavinck met zorg over het wegebben van diep doorleefd geloof:

Het is alsof wij niet meer weten, wat zonde en genade, wat schuld en vergeving, wat wedergeboorte en bekeering is. In theorie kennen wij ze wel, maar wij kennen ze niet meer in de ontzaglijke realiteit van het leven. En daarom maakt de stichtelijke literatuur uit vroeger dagen altijd een gansch anderen indruk dan die uit den jongsten tijd. (…) We voelen, bij het lezen der oude schrijvers, dat ons een stuk uit het leven wordt aangeboden; het is de realiteit zelve, die ons te aanschouwen wordt gegeven. (…) En het is het minste deel van ons volk niet, dat in die stichtelijke lectuur van vroeger dagen nog altijd zich de ziel verkwikt.

 

Zonde en genade, schuld en vergeving, wedergeboorte en bekering kennen in de ontzaglijke realiteit van het leven – daar draait het ook vandaag om in het geloof en het leven van de christen.

ISBN 9789023971597 | Aantal bladzijdes 192 | Bindwijze Paperback | Druk 1 | Taal Nederlands

 

Geen reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *