ChristendomGeloof

Barmhartigheid voorbij de grenzen van mijn handelen

In het nieuwste nummer van Kerk en Theologie staat onderstaande meditatie van Pieter Vos.

 

 

Barmhartigheid voorbij de grenzen van mijn handelen

‘Onbarmhartig zal het oordeel zijn over wie geen barmhartigheid heeft bewezen; maar de barmhartigheid overwint het oordeel’ (Jak. 2:13).

Als er ergens barmhartigheid nodig is, dan is het wel bij de stroom vluchtelingen waarmee we bijna dagelijks indringend worden geconfronteerd. Hier komt het er concreet op aan hongerigen te voeden, dorstigen te drinken te geven, vreemdelingen onderdak te verlenen, naakten te kleden, zieken te troosten, gevangenen te bezoeken en doden te begraven. Werken van barmhartigheid, gericht op het lenigen van directe nood. Hoe complex de politieke vraagstukken op wereldniveau ook mogen zijn en welke problemen zich op lokaal niveau ook mogen voordoen bij de opvang van migranten, het ‘koninklijke gebod’ de naaste lief te hebben als jezelf (Jak. 2:8) blijft hoe dan ook van kracht.

Barmhartigheid bewijzen. Jakobus legt alle nadruk op de werken van het geloof. Weest daders van het Woord. Hij spreekt dan ook niet slechts over een houding van barmhartigheid, maar over barmhartigheid bewijzen, ‘tot stand brengen’, ‘doen’ of ‘maken’ (poiein). Geloof zonder werken is immers dood. Als een broeder of zuster nauwelijks kleren heeft en elke dag eten tekort komt, dan kun je toch niet zeggen: ‘Het ga je goed! Kleed je warm en eet smakelijk!’ zonder de ander te voorzien van de eerste levensbehoeften (Jak. 2:15-16). Hier treffen we die bijzondere bijbelse aandacht aan voor de external goods, voor de basisbehoeften van het lichaam. Wezen en weduwen bijstaan in hun nood (Jak. 1:27), voor de armen zorgen en de vreemdelingen gastvrij ontvangen, ‘want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in het land Egypte’ (Ex. 22:20).

Onbarmhartig zal het oordeel zijn over wie geen barmhartigheid heeft bewezen. Wie hier verzaakt, wacht dus het oordeel. Dat zijn harde woorden. We hoeven daarbij niet meteen aan een Laatste Oordeel te denken. Onbarmhartigheid is zelf het oordeel. Onbarmhartigheid keert zich immers niet alleen tegen de ander, maar ook tegen de onbarmhartige zelf. Want oordelen is altijd eerst en vooral jezelf oordelen. Wie onbarmhartig is, oordeelt dat barmhartigheid niet van belang is – niet voor een ander en niet voor zichzelf.

Maar barmhartigheid bewijzen, wat houdt dat in concreto in? In hoeverre is barmhartigheid tonen aan de arme en aan de vreemdeling nog concreet handelen tegenover een concrete ander? Barmhartigheid is in sterke mate geïnstitutionaliseerd in charitatieve instellingen, hulpverleningsorganisaties en opvangcentra. De ‘werken der barmhartigheid’ zijn vooral de business geworden van grootschalige politieke, sociaal-economische en medische interventies. Is barmhartigheid bewijzen voor wie daar niet direct bij betrokken is, meer dan maandelijks een bedrag overmaken aan een aantal goede doelen? Deze vragen zijn voorstelbaar, maar ze veronderstellen ten onrechte dat het bij barmhartigheid allereerst gaat om wat je doet, om effectiviteit en resultaat.

Die gedachte wordt in de tekst een halt toegeroepen: maar de barmhartigheid overwint het oordeel. Wat betekent dat? Het wijst op barmhartigheid als een bron voorbij wat ik zelf realiseer. Barmhartigheid overwint ook op het moment dat ik in mijn handelen in gebreke blijf. Paus Franciscus schrijft in zijn ‘Afkondiging van het Buitengewone Jubileum van de Barmhartigheid’, Misericordiae vultus, dat barmhartigheid ‘het hart opent voor de hoop voor altijd bemind te zijn ondanks de beperking door onze zonde.’ Christus is het gelaat van Gods barmhartigheid, precies omdat God zich in hem geheel en al toewendt naar de wereld: ‘De barmhartigheid zal steeds groter zijn dan iedere zonde en niemand kan een grens stellen aan de vergevende liefde van God.’ Barmhartigheid is de deugd van de vergeving.

Dit is geen wending naar een innerlijke vroomheid, maar raakt de verhoudingen tussen mensen. Omdat allen leven van de gave van Gods vergevende barmhartigheid, doorbreekt barmhartigheid ook de gevestigde orde van gever en ontvanger. Barmhartigheid is niet alleen weggelegd voor een gever die iets (een gift) te geven heeft aan een ander die slechts ontvanger is. Dat zou betekenen dat er alleen barmhartigheid zou bestaan als er inderdaad ‘iets’ te geven is. Kierkegaard spreekt juist van barmhartigheid als een daad van liefde ‘zelfs als ze niets kan geven en niet in staat is iets te doen’. De arme en de vreemdeling kunnen daarom evenzeer barmhartig zijn als de weldoener.

De barmhartigheid overwint het oordeel. Ik vat dit verder zo op dat barmhartigheid meer is dan barmhartigheid bewerken. Het draait niet allereerst om wat je doet, maar om hoe je het doet. Ook voor Jakobus is duidelijk dat barmhartigheid niet alleen een kwestie is van wat je doet. Hoeveel nadruk hij ook legt op het doen van het geloof en de daden van het Woord, dit heeft alleen maar betekenis als het omgekeerde ook geldt: geen goede daden zonder geloof en geen juist handelen zonder liefde. Volgens Thomas van Aquino omvat barmhartigheid daarom zowel affect als effect. Misericordia betekent allereerst dat je hart vervuld is van de misère van een ander. Compassie voelen over het kwaad dat de ander treft. Pas dan volgt het handelen om de misère van de ander daar waar mogelijk te verlichten. De werken der barmhartigheid zijn uiteindelijk, zoals de Leuvense filosoof Paul Moyaert zegt, ‘symbolische handelingen’. Ze dienen niet slechts het nut, maar bevestigen symbolisch het verschil tussen mens en dier, tussen het profane en het heilige.

De werken der barmhartigheid zijn precies aan de orde als de ander getroffen wordt door kwaad dat de humaniteit aantast: lijden, honger, dorst, ziekte, armoede, gevangenschap en dood. Door anderen te helpen en hun nood zo mogelijk te lenigen, herbevestigen we hun waarde op het moment dat zij deze zelf wellicht niet meer ervaren.

Barmhartigheid overwint het oordeel – dat houdt niet alleen een overwinning op mijn gebrek aan handelen in, maar bepaalt me ook bij de grenzen van mijn handelen. Want soms betekent barmhartigheid bewijzen paradoxaler wijs: niets doen. Soms kun je alleen nog het kwaad verduren in het besef dat het goede zich bevindt voorbij wat je zelf kunt realiseren.

Wat kun je nog doen als je niets meer kunt doen? Paul Moyaert antwoordde op die vraag eens, tot verbijstering van de interviewer: bidden. Er zijn immers niet alleen zeven lichamelijke, maar ook zeven geestelijke werken der barmhartigheid, waarvan de laatste bidden is. Want barmhartigheid is een openheid voor het goede in de erkenning dat je het goede uiteindelijk niet zelf kunt bewerkstelligen. In het gebed roep je en smeek je om hulp die van elders moet komen op het moment dat er een grens is aan je eigen vermogen.

Barmhartigheid is niet alleen een kwestie van geloof en van liefde, maar ook van hoop. Hoop dat het goede ons gegeven zal worden. En daarom kan ik me des te meer inzetten in concrete werken der barmhartigheid, voor armen en vreemdelingen nu de nood zo hoog is. In het besef dat ik hier evenzeer barmhartigheid ontvang als geef.

Dr. P.H. Vos is universitair docent ethiek aan de PThU (Amsterdam)

 

Opmaak 1