AdventstijdHomiletiek

Derde advent: Goed nieuws in een donderpreek

Op de derde Adventszondag een handreiking voor een adventspreek uit De Eerste Dag, handreiking bij de jaarorde.

 

Goed nieuws, adderengebroed!

Bij Sefanja 3,14-20 en Lucas 3,7-18

Er klinkt twee keer ‘goed nieuws’ (Luc. 3,18) op uit de lezingen voor deze derde zondag van de Advent. Maar waarom klinkt het evangelie bij monde van Johannes de Doper als een donderpreek op een mooie zondag, en bij Sefanja juist als het licht aan het einde van een donkere tunnel? Omdat, hoe vreugdevol ook de verwachting, de Adventstijd op de lijdenstijd lijkt. De beloofde vrijspraak legt de tekortkomingen van het heden immers des te meer bloot.

De profeet Sefanja zingt een ‘troonsbestijgingslied’ voor een ‘rest’1 die overblijft nadat God alle geloofsafval, Baälsverering, en sterrenwichelarij in Israël heeft uitgeroeid. Het juichen en jubelen (Sef. 3,14) is slechts weggelegd voor wie er dan nog zijn overgebleven.

Jubel of gejammer?

Niet voor niets betekent het Hebreeuwse werkwoord rawa‘ (hif‘il) volgens Koehler Baumgartner in principe ‘luid schreeuwen, alarm slaan’, en pas in laatste instantie ook ‘jubelen’. Mooi allitererend, én trouw aan het Hebreeuws, vertaalt de NB het einde van vers 16: ‘Sion, laat je handen niet hangen.’ Ook in het volgende vers is het lijdend voorwerp steeds Sion: bijnaalle suffixen zijn tweede persoon enkelvoud vrouwelijk, op één na: ‘hij zal stil zijn in zijn liefde.’ Een poëtische wending: in de

maalstroom van gejuich en gejubel omwille van Sion, mag het in het oog van de storm, in Gods liefde, even stil zijn. Het troonsbestijgingslied begint met een dubbelzinnig woord, en eindigt er ook mee. Een rinnah, een ‘jubelkreet’, kán ook ‘gejammer’ zijn (Sef. 3,17 – de Septuaginta voegt hier toe: ‘als in de dagen der verdrukking’). Want meteen daarna slaat de sfeer weer om, als de profeet zich de dagen van verdrukking herinnert, en om zijn gedeporteerde volksgenoten rouwt. Maar zelfs deze zullen worden verzameld (3,19) en met roem en eer overladen. De Hebreeuwse tekst van Sefanja 3,18-19a is zeer onzeker en de vertalingen daarvan lopen dan ook uiteen. Maar de teneur lijkt dat al wie moest lijden en sterven, weer in ere zal worden hersteld. Zijn de verworpenen, die niet tot de rest behoren, nu daders of betreurenswaardige slachtoffers van het onrecht?

Hoe kom je bij de ‘heilige rest’?

In Lucas 3 lijkt Johannes de Doper de draad op te pakken waar Sefanja deze vraag onbeantwoord liet liggen: moet je nu zorgen dat je bij de ‘rest’ komt door middel van een heilig leven, of komt het toch wel goed met je, omdat aan het einde God je genadig is? Feit is dat velen zich in de tijd van Johannes de Doper blijkbaar bezighielden met de veiligstelling van hun lidmaatschap van die rest. Zij komen tot Johannes om zich te laten dopen. Of komen zij slechts om te kijken wat er gebeurt? Het verschil met Matteüs 3,7 is immers dat het adderengebroed daar de ‘partijgangers (betreft) die de doop komen bekijken zonder die te begeren’.2 De juiste genen alleen zullen hun die zekerheid zeker niet geven!

De onderdompeling die Johannes beoefent in de Jordaan, wordt ook wel vergeleken met de rituele wassing in een mikwe. Dit is verplicht voor joden die met onreinheid, bloed en dood in aanraking zijn geweest. Ook is het bedoeld voor niet-joden die willen overgaan tot het Jodendom.

Breng liever vruchten voort

Het doel van een rituele onderdompeling lijkt dus in ieder geval cultische reinheid te zijn, en Johannes de Doper voegt er de connotatie van boetedoening aan toe; hij raadt zijn ‘belangstellenden’ immers aan: ‘breng liever vruchten voort die een nieuw leven waardig zijn’ (Luc. 3,8 – NBV). Boetedoening voor God blijkt niet alleen uit het ondergaan van het reinigingsritueel, maar veel meer uit de liefde tot je naaste. Hiermee sluit Johannes aan bij Jesaja 58,3-7. Daar gaat het echter over vasten en niet over ritueel wassen. Maar wel wordt ook daar de link gelegd tussen een ritueel van boetedoening enerzijds, en naastenliefde en sociale gerechtigheid anderzijds. Nu Johannes de Doper hun het instrument van het uit zichzelf werkzame ritueel uit handen geslagen heeft, vragen de mensen: ‘Wát moeten wij doen?’ (3,10; Gr.: oun versterkt ti). De tollenaars lijken te weten hoe het hoort: zij spreken Johannes aan met ‘meester’ (3,12). De soldaten hebben een wat bruusker taalgebruik: ‘En wij, wat moeten wij doen?’ (3,14). Beide beroepsgroepen werden ervan verdacht beroepsmatig ongerechtigheid te plegen. Daarom raadt Johannes de Doper tollenaars het ‘uitschudden’ (diaseioo), en soldaten het ‘vals beschuldigen’ (sukophanteoo) sterk af. In Lucas 19,8 is dit laatste overigens de kwalijke praktijk van tollenaar Zacheüs, en wordt daar vertaald met ‘afpersen’ (NBV). Bij de soldaten in Lucas 3,14 zou het evenzeer om afpersing kunnen gaan.

Drie keer vuur

Het vuur dient in deze perikoop twee tegengestelde doelen: enerzijds verwerping van het vruchteloze geloof van de lege rituelen (de vruchteloze boom en het kaf – 3,9.17) en anderzijds bevestiging van de oprechte boeteling, die aan de doop met Geest en vuur deel zal krijgen (3,16). Het volk vraagt aan Johannes of hij de Messias is. Maar hij plaatst zichzelf helemaal aan het andere eind van de schaal. Hij is slechts de heraut van het goede nieuws (3,18) dat het voorwerp van hun verwachting nu echt op komst is. Hiermee sluit hij aan bij Gabriël in de tempel (1,19) en de engel bij de herders in het veld (2,10). Maar ‘dit evangelie vraagt om een gelovige ontvangst, om boete en bekering’.3 Daarom klinkt het bij Johannes de Doper als een boeteprofetie: omdat hij voor zijn Heer een volk aan het bereiden is, dat de komst van de Messias waardig is.

Door: Matthijs de Vries

Bronnen:

  1. K. Elliger, Das Alte Testament Deutsch, 25. Göttingen 1951, 53.77.
  2. J. van Bruggen, Lucas, Het Evangelie als voorgeschiedenis. Kampen (1993) 2012, 107.
  3. Van Bruggen, Lucas (supra, n. 2), 106.

Uit: De Eerste dag, handreiking bij de jaarorde.