Veertigdagentijd

4e Zondag van de Veertigdagentijd, met Willem Barnard

Zondag Laetare (A)
Galaten 4:22-31 en Johannes 6:1-15

Zondag Laetare. Lenteweer, een blauwe lucht en een geur van aarde. Waar ik vertoef, in de Abdij van Male, hoor ik hanen, hofhonden en eenden en allerlei vogelgespuis dat gretig bezig is te leven. Zij weten niet van dreiging en angst, behalve als de kat hun te na komt. Ze kennen geen duister einde, ze leven van nacht tot nacht, iedere dag een geschiedenis lang. Het is benijdenswaardig. Geen dieren lijken mij zo ontheven aan onze angst als vogels. Het is om hun wiekslag, ze weten zich los te maken van al wat neerdrukt. Wanneer ze wandelen op aarde zijn ze lachwekkend, met die dunne stokjes, die krukjes van been, hard vel over kraakbeen. Lopende zijn ze niet te vergelijken met ons, dan staan de viervoeters ons veel nader. Maar vliegende zijn ze wel met ons te vergelijken, ze kunnen wat wij zouden willen, ze zijn wat wij zouden willen zijn. En daarom worden engelen ook afgebeeld als vogelmensen. Want wij zouden engelen willen zijn, niet onderdrukt door de natuur, niet onderhevig aan de zwaartekracht. We zouden de last willen afleggen van het gewicht dat ons drukt. En toch hebben sommige mensen verstaan, dat er geen ander gewicht is dan de ‘eer’ van God. En dat die eer ons niet terneerdrukt maar met een wonderlijke waagschaalwerking opheft.

Dat vereist uitleg.

Eer ofwel glorie heet in het Hebreeuws kabod. En kabod betekent van huis uit gewicht. Wanneer Calvijn spreekt van poids et majesté, dan klinkt in zijn woorden die notie nog voort. Het gewicht Gods. Maar nergens lees ik, althans in die Hebreeuwse boeken niet, dat zulk gewicht er op gericht zou zijn, ons neer te drukken, klein te houden. Integendeel, ik lees dat het God er om gaat, ons op te heffen. Niet gewichtloos te maken, wij hebben een eigen kabod gekregen, een eigen poids als mensen. Dat is wat ons op onze plaats houdt. Het is onze plicht en ons gewicht tevens. Wij zullen mensen zijn, op onze voeten, niet op onze vleugels. Vleugels hebben we niet nodig, we hebben handen. En benen, geen kraakdunne stokjes. Met handen en voeten zijn we mensen. We hebben ons eigen gewicht, onze eigen kabod. Wij lezen, dat God al zijn gewicht in de waag stelt om ons op onze voeten te plaatsen. We horen, dat God al zijn eer er in stelt, ons rechtstandig te doen bestaan in handel en wandel.

Een mens te zijn op aarde is delen in het diepste geheim en de hoogste eer. God legt zijn gewicht in de waagschaal om ons op te heffen. Het is die balans van de verzoening die draait om zijn vernedering en onze verhoging. De bedoeling is, dat we geen engelen zullen zijn, tenzij bij wijze van spreken, als dragers van een mare, maar dat we  mensvormig, menswaardig zullen leven. Er is geen reden voor nijd omdat we geen vogels zijn, niet kunnen vliegen. Maar de angst blijft. En dus de neiging om te willen vliegen en dus de naijver als we vogels zien. Wij hebben dan het nakijken, we benijden die vluchtige zielen. Wij blijven gebonden aan ons gewicht en we voelen al het gewicht van een God wiens eer we Hem niet geven. Want als wij God alle eer bieden, als wij volstrekt eerbiedig leven (en het is vertoond op aarde, het wordt ons voorgehouden), dan drukt ons die kabod niet, maar als we Hem niet eerbiedigen met hart en ziel, wordt dát gewicht onze zonde. We gaan dan gebukt onder de last. We leven in angst.
Angst is wat het leven ons aandoet omdat wij als mensen de menswordende God niet eerbiedigen. Angst is de voelbare ernst van wat wij theologisch onbeholpen erfzonde noemen. Angst is het omgekeerde, het on-bekeerde, besef van de gloria Dei, de kabod JHWH. Engelen hebben dat niet, ze zijn er over heen. Engelen die het wel leerden kennen, heten dan ook gevallen engelen. En vogels kennen het ook niet, die zijn er niet aan toe. Het is een uitverkiezing om er wél aan toe te zijn. Het is een eer op zichzelf. Alleen wie een beetje kabod heeft, kan beseffen wat kabod is. Hetzij averechts, door die angst. Hetzij op de rechte wijze, door de verplaatsing in de balans, door de ‘wonderbare ruil’, door de verzoening. Met Pasen wordt dat gelezen en bezongen. In iedere eucharistie wordt het volbracht. Maar ieder mens moet het weer leren geloven. Nee, de geméénte moet het telkens weer leren geloven, moet leren samen te geloven. Want die gewichtsverplaatsing werkt door in het samenzijn: wij kunnen ook van elkaar de druk van het gewicht verlichten, lasten overnemen en toch en juist zodoende ‘elkaar de eer geven’, elkander het menselijk leven, dat evenwicht van gewicht en ontheffing, mogelijk maken. Dat is een groot geheim en de eucharistie die doordacht en doorleefd moet worden is in het midden daarvan.

 

Bron: Willem Barnard, Stille omgang. Notities in het dagelijks verkeer met de Schriften. Klik hier voor meer uitgaven van Willem Barnard.