Veertigdagentijd

27e dag van de Veertigdagentijd, met een bijdrage van Joke Verweerd

Vogel Roodborst – een legende

 

Het was kort na de schepping. Alles op aarde glom en blonk, alles was nieuw. Van de helderblauwe lucht tot het bruin van de boomstammen toe. Zo mooi als het toen was, zo mooi zal het pas weer zijn na de jongste dag, als de aarde opnieuw in glans gezet wordt door Gods aanwezigheid.
Deze dag was een bijzondere dag voor Adam, een dag met een opdracht. Hij zat in de schaduw van een beukenboom. Langs hem heen liepen de dieren, die hij deze dag een naam moest geven. Soms wist Adam meteen een goede naam als hij een dier vanuit het struikgewas op hem toe zag komen. Soms ook moest hij even denken voordat hij een passende naam bedacht had. Bij de kameel wist hij meteen, dat het kameel moest zijn en bij de neushoorn lag de naam voor de hand. Maar waarom de olifant nu alleen olifant kon heten en de dromedaris slechts dromedaris, kon Adam niet uitleggen. De namen welden gewoon in hem op, het was, alsof hij ze doorkreeg van de Heer.
Slechts één keer twijfelde Adam. Dat was toen een kleine grauwe vogel aan hem voorbij hipte en bij het horen van zijn naam vragend had opgekeken. Adam had gezegd: ‘Roodborst. Jouw naam is Rood¬borst.’
Het vogeltje keek omlaag langs zijn pluizige borstveertjes. Niet grijs, niet bruin, maar van beide wat. Roodborst, de naam was prachtig, dat wel, maar hij paste niet bij hem. Roodborst! Die naam paste toch veel beter bij de vlammende kleuren van de vogel vóór hem die net de naam fazant had gekregen? Weer keek het diertje Adam aan.
Adam sloot even zijn ogen alsof hij er zeker van wilde zijn, dat hij niet van terzijde de felle kleuren van de fazant liet doordringen. Hij stak zijn hand uit en het vogeltje wipte onbevreesd op zijn handpalm. Want zo ging dat nog in het paradijs.
Adam opende zijn ogen en keek recht in de zwarte kraaloogjes van het diertje. Hij zocht zijn hersens af of er soms een andere, beter passende naam in hem op wilde komen. Maar weer zei zijn mond: ‘Roodborst!’
Het vogeltje hipte bij hem weg, het volgende dier kwam. Adams werk ging door.
De vogel Roodborst zocht een plek om na te denken. Tussen de dichte doornstruiken zat hij het liefst. Hij poetste zijn borstveertjes glad en tjilpte een paar keer zijn naam, om er aan te wennen. Roodborst… Roodborst.
‘Misschien komt het nog,’ dacht hij ineens. ‘Misschien moet ik mijn naam verdienen. Misschien is het een teken, een symbool voor wat ik ga beleven vandaag of morgen.’
Hij schudde zich eens lekker uit en ging een poosje slapen. Hij was gerust, het zou vanzelf wel duidelijk worden. Een week of wat later dacht hij helemaal niet meer aan het vreemde van zijn naam. Hij heette gewoon zo.
Op een dag besloot vogel Roodborst op reis te gaan. Het was een prachtige morgen. Het had een beetje geregend – lichte dunne drup¬pels met de regenboog erin – en alles was glanzend fris en schoon geworden. De bloemen bloeiden open en de vogels floten dat het een lieve lust was. Alles tot eer van de Heer, die met een glimlach door het paradijs liep en overal tegelijk aanwezig was.
Na een lange vlucht daalde vogel Roodborst in kleine vallei, waar het nog wel groener leek dan op de andere plaatsen in het paradijs. Op een steen in de beek ging hij zitten, leste zijn dorst en keek naar zichzelf in het water. Grauw en klein, met pientere oogjes.
Ineens hoorde wat geruis en op dat moment zag hij naast zich in het water precies zo’n zelfde kopje: grauw, klein, met pientere oogjes. Er zat een roodborstje naast hem op de steen. Ze was iets kleiner dan hij en haar kopje hield ze scheef toen ze zacht en vragend zijn naam noemde: ‘Roodborstje?’
Hij knikte en voelde in zijn borst zo’n warme vreugde opwellen, zo’n teder gevoel voor dit beestje, dat hij dacht: ‘Nu, nu zal ik een rood¬borstje worden, nu kleurt mijn gevoel naar buiten en zullen mijn borstveertjes roder dan de roodste appels worden.’
Maar nee, ze waren beiden klein en grauw: niet grijs, niet bruin. Vanaf dat moment waren ze onafscheidelijk. En toen in het eerste voorjaar van de aarde hun nestje gevuld was met drie eitjes, waar, na de broedtijd, drie jonge roodborstjes uitkwamen, was hun geluk compleet.
Onder het heen en weer vliegen met voedsel voor de kleintjes dacht de vogel dikwijls, dat zijn hartje te klein was voor het geluk dat hij beleefde. En als niemand keek, zocht hij soms tussen zijn borstveer¬tjes of het niet al een klein beetje kleurde… van geluk!
Maar nee, ook de jonge roodborstjes groeiden op tot kleine vogels, grauw: niet bruin, niet grijs. Toen de dag kwam dat het paradijs geslo¬ten werd, waren ze op een treurige manier blij met hun veren. Die dag was zo droevig dat niemand op wilde vallen, op die dag kon je maar het beste grauw gekleurd zijn.
De jaren vlogen voorbij en er kwam in de loop der tijden veel grauw¬heid en kleurloosheid op de aarde. De roodborstjes vielen niet op, nog altijd leefden ze in de dichte struiken en bouwden hun nestjes op de onderste takken. Ze hadden vechten geleerd, want ook rood¬ borstjes moeten vechten om te overleven. De winters brachten vaak honger en in het voorjaar werd er dag en nacht gewaakt, om eerst de eieren en later de jongen te beschermen. Het was een druk leven voor de roodborstjes. Ze dachten er maar zelden aan, dat hun naam eigenlijk niet paste. Soms was de vogel zelfs blij met zijn grauwe kleuren, want de schutkleur bood hem bescherming als hij zich wilde verstoppen.
Zo gingen de eeuwen over de aarde, en met de eeuwen veel droefheid en veel lijden, want dat was bij het leven gaan horen.

Het was een dag als alle andere dagen, de morgen was begonnen met veel wolken aan de lucht en in de loop van de ochtend begon de zon door te komen. Het was voorjaar en de bomen waren aan het uitlopen. De wereld zou weer groen en mooi worden en het leek alsof de vogels zich daarop verheugden, ze floten dat het een lieve lust was.
Maar Roodborst wist allang, dat hij het geluk van de dag niet af kon meten aan het zingen van de vogels of aan het wuiven van het blader¬dak. Hij wist dat er, zoals altijd, elk moment iets kon gebeuren, wat de schijnbare vrede kapot zou maken. Eigenlijk zat hij erop te wachten, zo weinig vertrouwde hij het geluk.
Het was nog maar kort na de morgenwijding in de tempel. Vogel Roodborst vloog er overheen juist op het moment dat de priester de lofzang aanhief. De eerste kooplui verschenen op het marktplein en kinderen, vroeg uit hun bed gesprongen, joelden op de straathoek. Roodborst kreeg het gevoel dat hij nodig naar het nest terug moest, hoewel hij meestal ’s morgens wat langer wegbleef. Hij keerde en nam de kortste weg naar huis, naar het nest waar zijn vrouwtje en de twee jongen al op hem zaten te wachten.
‘Er gaat iets gebeuren!’, tsjilpte het vrouwtje angstig en zelfs de jongen hielden uit voorzorg hun snavel.
Roodborst betrok zijn uitkijkpost, de stenen muur achter de struik.
Uit de stadspoort kwam een grote mensenmassa. Het leek wel alsof ze iets gevangen hadden en meesleurden. Het schreeuwen en roepen klonk dreigend. Er waren soldaten op paarden en voetvolk en gewone burgers. Er liepen priesters en schriftgeleerden. Zelfs de deftige Fari¬zeeërs liepen zomaar tussen het gewone volk. De massa was haast te breed voor de weg.
Vogel Roodborst verhuisde naar de hoogste tak van een vijgenboom, waar hij anders nooit kwam. Hij moest zien wie er gevangen was, wat er voortgesleurd werd! Het angstige voorgevoel werd zo groot, dat zijn vogelhartje uit zijn borst scheen te bonken. Zodra zijn zwarte kraaloogjes het midden van de mensenmassa hadden gevonden, schoot hij naar beneden, naar het nest, spreidde zijn vleugels uit over de jongen en over zijn vrouwtje en zei dat ze ogen moesten sluiten.
‘Ze brengen een kruiseling ter dood,’ fluisterde hij zijn vrouwtje toe, die meteen haar kopje in haar veren stak. De vleugels van vogel Roodborst trilden van angst, toen al die voetstappen, die paardenhoe¬ven, die soldatenlaarzen en het geschreeuw van de mensen steeds dichterbij kwamen.
‘De weg is te smal’, bedacht hij opeens, ‘ze zullen de doornstruik vertrappen en het nest erbij.’
Zijn oplaaiende angst werd zo groot, dat hij wel kijken moest, het gevaar elke stap dichterbij zag komen. Nog dichter drukte hij zijn vleugels op het nest, om hen die hem lief waren, af te schermen van dat boze om hen heen.
Wild schudden de takken van struik, toen de mensen zich er langs¬heen drongen. Even stokte de mensenstroom, er gebeurde iets, er klonk geschreeuw. Iemand bukte vlak voor de struik. In een glimp kon de vogel Roodborst zien om wie het ging.
Het was de Man met het zachte gezicht en de tedere ogen. Het was degene die als kind eens vogels van klei maakte, ze leven inblies en liet vliegen… Hij was de kruiseling! Men had Hem het kruis op de gegeselde rug gelegd en een doornenkroon in het voorhoofd gedrukt. Er liep een bloedspoor over Zijn gezicht.
Vogel Roodborst herkende deze doornen. Had hij niet gisteren ver¬wonderd gemerkt dat de sterkste takken van zijn doornstruik verdwe¬nen waren? En nu vormde zijn doornstruik de kroon van de Man met het zachte gezicht!
Er sprong iets in het borstje van de vogel, alsof er iets knapte. Hij vloog op, haast zonder er bij na te denken, en volgde de stoet. Steeds zwaarder werd het in zijn borst, het kostte hem moeite hoogte te houden. Maar hij moest verder, hij moést weten, hij moést zien…
De heuvel in het vroege licht. Drie kruisen tegen de ochtendlucht. De vogel Roodborst hijgde, alsof hij het niet zou halen. Boven in de lucht waar hij vloog, werd het plotseling stil, zo stil dat hij zelfs het geschreeuw van de mensen niet meer hoorde… Ook niet de hamer¬slagen… ook niet het kermen. Een grote stilte vloog met de vogel mee, en ondanks het loodzware gevoel in zijn borst, lukte het hem neer te komen op het hoofd van de Man met het zachte gezicht. Hij, de Man, had zijn ogen gesloten, Hij kermde niet, Hij zuchtte enkel zijn diepe zuchten.
De vogel Roodborst boog zich voorover en voorzichtig, trok hij de doorn die het diepst in het voorhoofd gedrongen was, eruit. Er gleed een druppel bloed van de scherpe doorn. Hij viel op de borstveren van de vogel. De vogel Roodborst merkte het niet.
Hij zag de oogleden van de Man trillen. Om zijn mond… was dat de schaduw van een glimlach? En ineens besefte vogel Roodborst dat het loodzware gewicht uit hem weggevallen was.
Toen hij later bij het vernielde nest kwam en zijn vrouw en angstige kinderen terugvond in de dorre bladeren onder de struik, kon hij het verhaal van de Man met het zachte gezicht niet vertellen. Zijn keeltje zat dicht van droefenis. aar de bloedrode vlek op zijn borst vertelde genoeg.
Zijn vrouwtje keek hem aan. ‘Roodborst!’ zei ze. En toen pas zag de vogel Roodborst hoe er een rode vlek groeide tussen de borstveertjes van hun jongen.

 

Bron: Joke Verweerd, Opluisteren. Verhalen, gedichten en gebeden voor christelijke gebeden