KerkMaatschappij

10 jaar PKN

In het oktobernummer van Woord & Dienst, opiniërend magazine voor protestants Nederland dat volgende week verschijnt, staat onderstaand artikel van ds. Piet L. de Jong over tien jaar Protestantse Kerk in Nederland.

 

10 jaar PKN

Er is zoiets als nieuw elan!

Op 1 mei 2004 was ik bij vrienden in Birmingham en ik weet nog hoe ik die morgen wakker werd. Vroeger dan anders. Mijn eerste gedachte was: nu begint de PKN. En: hoe zou zondag 2 mei verlopen? Zou er hier of daar nog gevochten worden? Alles was mogelijk.

Als lid van de Commissie van Bijzondere Zorg – een club van 18 die vanwege de synode een eventuele scheuring moest gaan afhechten – maakte ik me al geen illusies meer. Het was een hele vreemde tijd, bizar gewoon. In april vierde men nog overal het Heilig Avondmaal, terwijl men al zeker wist wie zich op zondag 2 mei zouden afsplitsen en eigen wegen gaan. Acht weken later werden ongeveer 50 dominees via een brief uit hun ambt gezet. Ook die week herinner ik me scherp.

Geen halleluja
Het was bij de start dus niet allemaal halleluja met de nieuwe kerk. Ondanks grote opluchting na ruim 40 jaar zoeken en steggelen. En ondanks een nieuw inspirerend logo en nog mooiere vlaggen voor ‘alle vestigingen’ die open zouden blijven. In 2004 was er in de zomer ook nog zoiets als een landelijke Kerkdag. Daar zou de PKN zich stralend presenteren. Maar het werd een grote sof. Er kwamen zo weinig mensen naar Utrecht dat vele programma’s gecanceld werden. In plaats van geïnspireerd te worden, dreigde het laatste beetje geloof ter plekke in je weg te zakken.
Binnen de PKN kon je op het grondvlak weinig mensen op PKN-enthousiasme betrappen. De Gereformeerde Bond bloedde aan alle kanten; geen woord nog over eigen falen in beleid, stuurloos, wachtend op nog meer mislukking. Confessionelen in de Nederlandse Hervormde Kerk waren positief, maar zonder veel elan. In het midden van de kerk was men wel blij. Zeker waar men al vele jaren samen gemeente was. Het fuseren op het grondvlak kon van start gaan. De lutheranen bleven echter gewoon hun eigen weg gaan.
Ook onder gereformeerden, altijd overlopend van energie om uit te voeren wat de synode ook maar besluit, zag je er – zeker in het begin – een aantal ontheemd rondkijken op classicale vergaderingen en andere bijeenkomsten. ‘Wij zijn onze kerk kwijtgeraakt’, zo hoorde ik nogal eens iemand zeggen, soms oprecht geëmotioneerd, met het gezicht van een Feyenoord-supporter op maandag na een verloren wedstrijd in Amsterdam. Veel gereformeerden voelden zich dakloos, veel hervormden aan de rechterkant voelden zich in de steek gelaten: zij moesten voor hun gevoel het fusiegelag betalen. En de rest van de kerk was al zover dat men eigenlijk weinig geloof meer had in ‘grote fusies’ en logge bestuurscentra. ‘Achterhaald’, zei men.

Een kleine kerk
Als ik terugdenk aan die morgen in Birmingham en wat er zo door me heen flitste, stel ik vast dat de PKN zich in deze tien jaar beter heeft ontwikkeld dan de dwaaste dromers toen droomden. In de afgelopen tien jaar verdwenen tal van instituten die heel lang tegen de kerken aanleunden. Theologische faculteiten werden gesloten, de NCRV is samen met het CDA bezig te vergaan, IKON – het IKON-pastoraat is al weg – en ZVK verblijven inmiddels op een zolder bij de EO. De vredesbeweging is verdampt, Pax Christi ging door als PAX, en Kerk en Wereld: wie weet nog wat dat was? Hydepark wordt gesloopt, de Raad van Kerken bestaat nog net, Trouw is misschien de beste krant van Nederland, maar voor kerk en geloof kun je vaak net zo goed een andere krant lezen. Maar in alle seculiere en agnostische golven waarmee deze eeuw begon, wist de PKN zich toch te profileren en zichtbaar te blijven als de belangrijkste protestantse kerk in ons land. Geen sekte en niet in de marge, ze doet ertoe. En niemand zegt meer KPN.

Er is zoiets als een nieuw elan. Regelmatig meldt de kerk zich weer in het publieke domein. Niet arrogant, wel getuigend en heel de samenleving dienend. Tien jaar na het ontstaan kun je er niet omheen: de Protestantse Kerk staat! Begin deze eeuw werd de ondergang van het traditionele protestantse geloof nog voorspeld; alleen het evangelische format zou toekomst hebben. Inmiddels hebben Pinkster- en Evangelische gemeenten meer oog gekregen voor een kerk als de PKN en ze spreken daar zelden negatief over. Dit is een hoopvol beeld.
Maar niemand is ontgaan met hoeveel krimp de PKN te maken heeft gehad in deze tien jaar, niet in het minst doordat sinds 2004 in alle vestigingen de kaartenbakken werden gesaneerd. Natuurlijk vraagt krimp in veel gemeenten om creatieve en gelovige inzet van financiële middelen. Maar de focus op geld kan een valkuil zijn. De kerk staat of valt niet met het saldo dat op haar bankrekening staat. Wie bij PKN alleen maar aan krimp en kramp denkt, is zeker iets ontgaan. Ook een betrekkelijk kleine kerk kan veel betekenen voor de samenleving, zo zijn we bezig overal te leren. We hebben ook hele sterke troeven in handen: historische kerkgebouwen waarin zelfs seculiere mensen de aanwezigheid van God opsnuiven; de Bijbel als speciaal Woord van God; rituelen waar humanistische service bij verbleekt, en ook nog gratis; en ambten die regelrecht naar Jezus verwijzen en veel structuur geven.

Pluraliteit
De komende tien jaar zal het er vooral om gaan of we als kerk in staat zijn verantwoord om te gaan met individualiteit, diversiteit en pluraliteit. De angst daarvoor was in 2004 de belangrijkste reden waarom Herstelden afhaakten. En hier had men ook een punt. Kerkgangers in de PKN lijken er nauwelijks erg in te hebben dat nogal wat preken wel erg veel psychologie, prinses Irene-geloof, algemene religieuze sus-momenten bevatten, in plaats van stevige uitleg en verkondiging vanuit het hart van de Schriften waarin een ziel vast kan ankeren. ‘Laat duizend bloemen bloeien’, hoor je mensen elkaar nazeggen. In het spoor van de Heilige Geest kun je wel alles spiritualiteit noemen, maar zo loop je een spiritueel moeras in waar je helemaal geen kerk of geloof bij nodig hebt. Als we ons eigen core business – het Evangelie van Jezus Christus – in de uitverkoop doen, houdt het snel op met je als kerk. Daarvoor trekt niemand zijn schoenen aan. In de PKN moet de Heer zelf weer opstaan.

Het komt erop aan dat het ons lukt op een dorp of in een stadswijk zo te preken, en als gemeente zo te functioneren, dat iedereen merkt dat het echt ergens over gaat – over God! heel exclusief, en over het Evangelie – en men getriggerd wordt mee te gaan doen. Wat dat betreft was de uitkomst van een recente enquête onder predikanten verrassend. De meesten predikanten blijken het liefst bezig te zijn met kerkdiensten, pastoraat en toerusting. Dus precies dát waarvoor ze zijn opgeleid. Dat ze juist daar zo’n zin aan hebben, moet inspirerend zijn voor heel hun gemeentewerk. Durven we de uitdaging aan het Evangelie uit te leggen en te verkondigen in herkenbare mensentaal, en open en inclusief naar iedereen die zich op het erf van de kerk laat zien of – eventueel in de verte – te zien is?

Ds. Piet de Jong is emeritus predikant te Rotterdam.

 

Opmaak 1